Het voordeel van de twijfel

Te grote klassen, te weinig geld voor vernieuwing: de tekortkomingen van het Duitse onderwijs klinken Nederlanders bekend in de oren....

Duitsers hebben het graag over de treurige staat waarin hun land zichzou bevinden. In dat verband komt vroeger of later steevast de Pisa-studieter sprake - het internationaal vergelijkend onderzoek naar het kennis-en vaardighedenniveau van 15-jarige scholieren. De eerste editie van Pisa,in 2000, had in Duitsland de uitwerking van een bominslag.

De Duitse gymnasia - vergelijkbaar met de Nederlandse scholen voorvwo - zijn vrijwel ontoegankelijk voor kinderen uit'niet-geprivilegieerde' milieus. Bij vakken als wis- en natuurkundepresteerden de Duitse scholieren ver beneden het gemiddelde van de landendie zijn aangesloten bij de OESO (de organisatie voor economischesamenwerking en ontwikkeling).

Sterker: zij hadden zelfs de aansluiting bij de middenmoot gemist, enwerden door de vaderlandse pers smalend bij de subtop van deontwikkelingslanden gepositioneerd. Om er maar vooral geen misverstand overte laten bestaan dat het licht in het land van Goethe en Schiller wasgedoofd. Zo'n honderd jaar tevoren diende het Duitse onderwijsstelsel nogtot maatstaf voor de hele beschaafde wereld, en was het Duits de officieuzetaal van de wetenschap. Onder de Nobelprijswinnaars bevonden zich relatiefveel Duitsers.

Das war einmal, schenen hun nazaten te denken. En zij raakten bevangendoor een collectieve vertwijfeling. 'Pisa' was het bondige synoniem voorhet achterstallig onderhoud aan de Duitse samenleving. 'Vooral de politiekwas erg onder de indruk van Pisa', zegt Andreas Grimm, directeur van deGrunewald Grundschule in het gelijknamige West-Berlijnse stadsdeel. 'Wijwisten allang wat er mis was.' Geroutineerd somt hij de tekortkomingen vanhet Duitse (basis)onderwijs op: te grote klassen, te weinig geld voorinnovaties en voor de benoeming van meer leraren, te weinig autonomie voorde scholen, te weinig integratiekracht in de etnisch gemengde stadsdelen.Het klinkt de Nederlander allemaal vertrouwd in de oren.

Anderzijds durft hij de betekenis van de Pisa-studie enigszins terelativeren. 'Ze verabsoluteert de macht van het getal, en verdisconteertniet de subjectieve grootheden, zoals het welbevinden van het kind. Zeroept bij mij associaties op met wat wij in de DDR vroeger tonnenideologienoemden: de successen van de overheid werden louter tot uitdrukkinggebracht in productiecijfers. Deze zagen er doorgaans indrukwekkender uitnaarmate ze meer moesten versluieren. Verder werden de zwakste scores vanDuitsland naast de beste scores van de lijstaanvoerders gelegd. Zo krijgje natuurlijk een héél vertekend beeld.'

Dat neemt niet weg dat Pisa de aandacht vestigde op een reëel probleem.Uit de inventaris en de bouwkundige staat van de Grunewald Grundschule kanworden opgemaakt dat dit hard nodig was. De stoelen en de bankjes gaan aleen paar schoolgeneraties mee. De klaslokalen zijn meestal niet berekendop de 28 leerlingen die erin worden ondergebracht. De meeste leermiddelenstammen nog uit het predigitale tijdperk. Alleen buiten, op het immenseschoolplein, heerst enige overdaad - in de vorm van een paarvoetbalveldjes met verende bodem, en enige bovenmaatse, maar oogstrelendespeeltoestellen.

Deze buitenschoolse voorzieningen zijn bekostigd met donaties van deouders, tot onverholen afgunst van de directeuren van minder bedeeldescholen in de buurt. Zij lijken de Grunewald Grundschule als een parvenute beschouwen, die met zijn uiterlijk vertoon de valse indruk wekt dat descholen nog wat te besteden hebben. Een van hen weet te melden dat dedonateurs van de Grunewald Grundschule overwegend rijke Russen zijn. 'Omprecies te zijn: Russische joden.'

Wat Grimm betreft, vormt de herinrichting van het schoolplein debescheiden aanzet van een onvermijdelijke ontwikkeling: dat scholen zichmeer van elkaar gaan onderscheiden. 'Dat verwachten de ouders ook intoenemende mate. Zo'n tien jaar geleden gingen zij er nog van uit dat allescholen ongeveer hetzelfde niveau hadden. Maar tegenwoordig gaat aan deschoolkeuze een vergelijkend warenonderzoek vooraf. Het komt ook steedsvaker voor dat ouders lessen willen bijwonen. Ik sympathiseer met die wens,maar kan hem helaas niet inwilligen.'

In plaats daarvan worden de ouders op gezette tijden door deleerkrachten van hun kinderen geïnformeerd over thema's van wederzijdsbelang. Zoals de ervaringen die zijn opgedaan met de inzet van leerlingenbij conflictbeheersing op het schoolplein, of met de introductie van nieuweleermethoden. De belangstelling van de ouders voor de 'harde thema's' isbeduidend groter dan voor de bevordering van sfeer en wederzijds respect,zo blijkt tijdens een ouderavond van Klasse 1b, het Berlijnse equivalentvan groep 3.

De fonetische schrijfmethode - waarbij de leerlingen de woorden ineerste instantie opschrijven zoals deze worden uitgesproken - oogst veelscepsis bij de massaal aanwezige ouders. Een van hen, die zijn recht vanspreken vooral lijkt te ontlenen aan het feit dat hij afkomstig is uitDuitslands modelstaat Beieren, maakt gewag van de vrees dat de kinderen alsproefkonijn worden gebruikt voor een methode 'met een hoogjarenzestiggehalte'.

'Kunt u de kinderen niet gewoon leren schríjven?', vraagt hij dwingendaan de docente. 'Zoals wij dat vroeger ook hebben gedaan. Daar hebben wijecht niet onder te lijden gehad.' In de kennelijke hoop hiermee bijvalonder de andere aanwezigen te oogsten, kijkt hij de kring rond. Maar hetaantal medestanders blijft achter bij de verwachtingen: men wil de nieuwemethode vooralsnog best het voordeel van de twijfel geven. Men is allangblij met de geest van innovatie die het Duitse onderwijs sinds dePisa-studie beheerst.

Probleem is echter dat elk van de zestien Duitse deelstaten moetproberen het wiel uit te vinden. Want van alle zorgtaken van de overheidis het onderwijs het meest gedecentraliseerd. Er is weliswaar een federaalministerie van Onderwijs, maar dat heeft slechts een coördinerende taak.Het beleid wordt feitelijk door de individuele deelstaten bepaald. Envooral aan deze bevoegdheid zijn zij zeer gehecht.

Het federalisme heeft een lappendeken van ongelijksoortigeonderwijsstelsels tot gevolg. De onderlinge verschillen zijn zelfs zógroot, dat hogeschooldiploma's van de ene deelstaat niet altijd door deandere deelstaat worden erkend. In de meeste Länder beslaat de zogenoemdeGrundschule slechts vier klassen (meestal voorafgegaan door een één- oftweejarige Vorklasse - vergelijkbaar met de Nederlandse kleuterschool).

Op de basisschool volgt een tweejarige 'oriëntatiefase', eenvoorbereiding op het voortgezet onderwijs. Die resulteert in een keuze voorde Hauptschule, de Realschule (beide vierjarig, vergelijkbaar metrespectievelijk de praktische en de theoretische leerweg van ons vmbo) ofhet zevenjarige (vanaf volgend studiejaar: zesjarige) gymnasium. In Berlijnen Brandenburg ontbreekt de oriëntatiefase, en sluit de (zesjarige)basisschool aan op het voortgezet onderwijs. Sommige schooltypen komenslechts in één deelstaat voor, zoals de Mittelschule in Saksen, deRegelschule in Thüringen, of de Oberschule in Brandenburg.

De zestien deelstaten hebben echter hun geldgebrek met elkaar gemeen.Ambitieuze projecten ontstijgen maar zelden de tekentafel. Zo heeft desenaat van Berlijn tot nog toe moeten volstaan met een grondigeinventarisatie van het niveau van de onder haar ressorterende scholen. Eris een nieuwe schoolwet uitgevaardigd, er is een 'raamleerplan' (een nieuwprogramma van minimumeisen) van kracht geworden, de scholen worden geachtvolgend jaar een eigen programma te hebben opgesteld, en deonderwijskwaliteit wordt niet alleen in het laatste schooljaar, maar ookin de tweede en de vierde klas gepeild.

Andreas Grimm heeft nooit becijferd hoeveel tijd gemoeid is met hetvergaren van de gewenste informatie. 'Je gaat er steeds van uit dat destatistieken op een gegeven moment wel klaar zijn. Maar vooralsnog lijktde frequentie van de kwaliteitsonderzoeken alleen maar toe te nemen. En hetverzoek om nog eens een peiling uit te voeren, komt steeds op een ongelegenmoment.'

Hij trekt de legitimiteit van al die exercities niet in twijfel. Maarervaren leerkrachten die tot dusverre een betrekkelijke autonomie hebbengenoten, ervaren de belangstelling van de Senaat nogal eens als controle,of - erger nog - een blijk van wantrouwen. En daarmee kan de kwaliteitvan het onderwijs niet zijn gediend.

De budgetneutrale inspanningen van de deelstaten lijken nochtans hunvruchten af te werpen. Uit de vorige week gepubliceerde Pisa-studie 2006blijkt dat de scholieren in de deelstaten Beieren, Saksen,Baden-Württemberg en Thüringen bij het vak wiskunde boven hetOESO-gemiddelde presteren. De vermeende achterstand van de oostelijkedeelstaten (die vroeger de DDR vormden) komt in de statistieken dus niettot uiting: in de kopgroep zijn 'oost' en 'west' beide met twee deelstatenvertegenwoordigd. Alle Duitse deelstaten tezamen voeren - met Oostenrijken Ierland - de middenmoot aan.

De voldoening over deze cijfers was, naar goed Duits gebruik, veelminder uitgesproken dan de treurnis waar het Pisa-rapport in 2000 nogaanleiding toe gaf. Ter vermijding van eventuele misverstanden, openden dekranten vorige week met het slechte nieuws: dat het gymnasium nog steedsin hoofdzaak door bevoorrechte kinderen wordt bezocht. Ze zijn er dus noglang niet, in Duitsland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden