Het vooraf bepaalde verleden

Determinisme geldt in de geschiedschrijving als een doodzonde: het gaat niet aan een gebeurtenis uit de jeugd van Napoleon zodanig te interpreteren dat er niets anders uit kan komen dan de nederlaag bij Waterloo....

De verleiding om het toch te doen is door de jaren heen waarschijnlijk nergens zo onweerstaanbaar geweest als in het geval van de Duitse geschiedenis, die in 1933 dusdanig als het ware 'uit haar rol' viel, dat historici bijna wel moesten denken dat een paar ontwikkelingen uit vroeger tijden over het hoofd waren gezien.

Hoe had een volk van misschien iets te gehoorzame onderdanen, die zich niettemin graag lieten vormen (bilden) naar het voorbeeld van grote humanistische dichters en denkers, zich ineens de wet kunnen laten voorschrijven door een 'nieuwe elite', die de onmenselijkheid tot haar ideologie had verheven?

Om te kunnen verklaren hoe het in godsnaam mogelijk was geweest dat in januari 1942 vijftien Duitse topambtenaren en vertegenwoordigers van de regerende nazi-partij een vergadering belegden over de wijze waarop tien miljoen Europese joden zo geruisloos en efficiënt mogelijk konden worden vermoord, ging Daniel Goldhagen (geen historicus, overigens) terug tot in de Duitse Middeleeuwen, om sporen te vinden van 'eeuwige' Duitse jodenhaat.

Hitler veranderde het Duitse heden. Maar even radicaal veranderde hij het Duitse verleden. Hij veranderde in die zin ook de Duitse toekomst, want het procédé werkte natuurlijk ook de andere kant op. Toen de Duitse politie aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw steeds ruwer optrad tegen buitenparlementaire actievoerders, schreef Sebastian Haffner over 'koelbloedige pogroms' die alleen maar konden worden vergeleken met nazimethodes van dertig jaar eerder.

Haffner was, als het hem zo uitkwam, een groot zondaar tegen het historische geloofsartikel dat deterministische avonturen verbiedt. In De Duitse revolutie, 1918-1919 doorbrak hij het taboe zonder enige reserve.

De manier waarop de Duitse sociaal-democraten (die in 1914 al niet tegen de oorlogsbegroting hadden gestemd) in 1918 de roep om een democratischer samenleving hadden helpen smoren, was in zijn ogen een kwestie van politiek verraad geweest, en erger: omdat ze de revolutie had verraden, was de SPD medeplichtig aan het echec van 'Weimar', dus aan de opkomst van Hitler.

Friedrich Ebert – daar kwam het op neer – had Duitsland zwaar laten boeten 'met het Derde Rijk, met een Tweede Wereldoorlog, met een tweede en veel ernstiger nederlaag en met het verlies van zijn nationale eenheid en soevereiniteit. Dit alles lag in de contra-revolutie die de sociaal-democratische leiders op gang brachten, reeds in de kiem besloten. Een overwinning van de Duitse revolutie had Duitsland voor dit alles kunnen behoeden.'

Haffner doorbrak het taboe dus eigenlijk dubbelop: hij arrangeerde het verleden niet alleen zodanig dat hij uitkwam bij een toekomst die we achteraf hebben leren kennen, maar hij schilderde zelfs een toekomst die ons, helaas, door de neus was geboord.

Maar ondanks zulk 'zondig' gedrag, en ondanks nog een paar andere bezwaren (die de auteur later trouwens ook zelf aanwees): wat is het nog altijd een schitterend boek, dat én in z'n meeslepende schriftuur, én in z'n glasheldere analyse van de feiten nog elke geschiedschrijver van nu tot voorbeeld zou moeten strekken. En dat dus terecht nog eens is herdrukt in de 'Haffner-reeks' van Mets & Schilt.

Aan nieuwe germanisten en historici met een uitgesproken interesse in de Duitse geschiedenis intussen geen gebrek – getuige de bundel Nederland en Duitsland in het interbellum: zestien opstellen over 'wisselwerkingen' op uiteenlopende terreinen.

Juist omdat de samenstellers en auteurs erop uit waren een aantal na 1933, respectievelijk 1945 ingesleten clichés te vermijden, en zich strikt te houden aan het 'determinismeverbod', wordt extra duidelijk hoe sterk het Nederland van die dagen in cultureel opzicht schatplichtig was aan het grote buurland: bij gebrek aan een overige wereld (Amerika moest nog goeddeels ontdekt worden, Afrika en Azië kenden we bovenal als 'onderworpen' continenten), zijn we misschien nooit zo Europees geweest als toen; met Duitsland als oriëntatiepunt.

Dat veranderde allengs (niet plompverloren) na 1933 – en voorzover ze de lastige jaren dertig bestrijken, verliezen de overwegend zeer leesbare en informatieve opstellen, ook allengs, de wet tegen het determinisme een beetje uit het oog: onder de reusachtige bewijslast tegen het onmenselijke nieuwe regime bezwijken de meeste 'objectieve criteria' van de tijdgenoot.

Even beknopt als scherpzinnig vatte de Engelse germanist Mark Roseman de geschiedenis samen van het beschamendste bewijsstuk uit de reusachtige last: het verhaal van het Wannsee-protocol – zeg maar: de 'notulen' van de hierboven al gememoreerde vergadering van een handjevol tweedeplans rijkskopstukken (voorzitter Reinhard Heydrich was de hoogste in de nazi-hiërarchie) in de gerieflijke Berlijnse villa.

Nieuws heeft Roseman niet te melden – hij noemt zijn boekje ook bescheiden 'a reconsideration'. Het raadsel over wat er precies is besproken op die 20ste januari 1942 en welke precieze betekenis moet worden toegekend aan de sinistere ambtenarentaal in de cryptische notulen, blijft onopgehelderd.

Het taboe op determinisme lijkt te verschrompelen bij de nuchtere feiten die Roseman nog eens opdient, zoals het later door Eichmann gememoreerde detail dat de heren het allemaal een geslaagde dag hadden gevonden, en ze ten slotte bij de open haard nog een glas cognac hebben gedronken op de goede afloop.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.