‘Het volk heeft een corrigerende werking’

Nederland kent geen doorlopende populistische traditie, maar werd vaak opgeschrikt door oproerige volksbewegingen, zegt Henk te Velde, hoogleraar vaderlandse geschiedenis in Leiden....

‘In den wedloop om populariteit moet ieder ernstig man het toch tenslotte tegen de schreeuwers afleggen’, noteerde de deftige liberale politicus Willem Hendrik de Beaufort in 1901 in zijn dagboek. De Beaufort maakte zich zorgen over de opmars van de antirevolutionairen en sociaaldemocraten, die hij als gevaarlijke volksmenners beschouwde.

De middenpartijen van nu, CDA en PvdA, begonnen hun politieke leven ooit als populistische buitenstaanders, constateert historicus Henk te Velde in zijn nieuwe bundel, Van regentenmentaliteit tot populisme – politieke tradities in Nederland.

De reactie van De Beaufort lijkt nu een beetje potsierlijk, het elitaire gesputter van een patriciër die beseft dat het klassieke liberalisme zijn beste tijd heeft gehad. Maar zijn de mensen die zich nu zorgen maken over de opmars van de PVV of de verruwing van het publieke debat op internet ook de vertegenwoordigers van de bestaande orde die luidruchtige vernieuwers buiten de deur willen houden?

‘Voor een deel wel’, zegt Te Velde. ‘De reactie van De Beaufort mag je best aan het denken zetten. Ik geloof ook dat we op een nuchtere manier naar het populisme moeten kijken. Het is een realiteit, waarvan je niet meteen in paniek moet raken. Maar dat betekent niet dat je het met het populisme eens hoeft te zijn. De Beaufort had ook niet helemaal ongelijk met zijn bezwaren tegen de politieke stijl van de nieuwe partijen’, zegt Te Velde.

Henk te Velde is sinds 2005 hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de universiteit van Leiden. Hij is een kenner van het Nederlands liberalisme en publiceerde ook veel over politiek leiderschap, politieke cultuur en retoriek. Zijn nieuwe boek bevat een reeks beschouwingen over de Nederlandse politiek en haar instituties, zoals de Tweede Kamer, de Grondwet en het minister-presidentschap. Het bevat niet alleen een nuchtere analyse van het populisme, maar ook een pleidooi om een beetje zuinig om te springen met het democratisch stelsel in Nederland.

‘Het is een stelsel waarvoor niemand ooit op de barricaden heeft gestaan. Het is niet opgelegd door de elite of bevochten door het volk. Het is een compromis, het resultaat van strijd, van duwen en trekken. Maar het is ook een stelsel dat in de 19de eeuw is ingevoerd, in een totaal andere samenleving, en nu nog steeds meegaat. Het is flexibel genoeg om veranderingen te doorstaan. Ook nu kan het best worden aangepast, bijvoorbeeld door een gekozen burgemeester in te voeren, of een correctief referendum’, zegt Te Velde.

Anders dan een land als Frankrijk kent Nederland geen heetgebakerde politieke traditie. Nederlandse leiders waren vaak wars van pathos. Zij prefereerden een nuchtere, technocratische stijl waarin politieke tegenstellingen werden afgevlakt om gemakkelijker zaken te kunnen doen. Tot in de jaren zestig had het woord ‘regent’ vaak een positieve betekenis. Een ‘echte regent’ was een gezaghebbend bestuurder die zo min mogelijk deining veroorzaakte.

Dit beeld van regenteske kalmte moet echter niet worden overdreven, stelt Te Velde. Nederland kent geen doorlopende populistische traditie, maar werd wel regelmatig opgeschrikt door oproerige volksbewegingen die vonden dat de bestuurders wel erg weinig rekening hielden met de belangen van de burgers: de patriotten aan het einde van de 18de eeuw, de antirevolutionairen en socialisten aan het einde van de 19de eeuw, de NSB en de communisten na de Eerste Wereldoorlog. Zulke bewegingen veroorzaakten steevast veel nervositeit, alvorens ze weer verdwenen of werden opgenomen in de gevestigde orde.

Het is nu nauwelijks meer voor te stellen dat het CDA, althans de antirevolutionaire ‘bloedgroep’ waartoe premier Balkenende behoort, is voortgekomen uit een partij met een populistische leider. Maar populisten komen op als de gevestigde orde een gat laat ontstaan. Aan het einde van de 19de eeuw hadden liberale politici geen antwoord op de opkomst van de democratie. Massabewegingen, zoals de antirevolutionairen en de socialisten, eisten meer invloed. Ze stelden ook nieuwe kwesties aan de orde. De antirevolutionairen vochten voor een sterkere positie van het christelijk geloof, de socialisten voor betere sociale omstandigheden.

In 1879 stichtte Abraham Kuyper de eerste moderne politieke partij van Nederland, de Anti-Revolutionaire Partij. Voor de liberalen, tot dan toe verenigd in losjes georganiseerde kiesverenigingen, was de politieke partij een schrikbeeld. Te Velde: ‘Een politieke partij werd heel gevaarlijk gevonden. De massa zou gemanipuleerd kunnen worden door een partijleider die aan de knoppen draaide. Daardoor zouden gekke dingen kunnen gebeuren’, zegt Te Velde.

Abraham Kuyper zou ook tegenwoordig hoog scoren op de populismemeter. ‘Zelfs partijgenoten zeiden: Kuyper is schoelje, een onmogelijke man, een opportunist. De Beaufort noemde hem een politicus naar Amerikaanse snit. Daarmee bedoelde hij: een populist die de massa bespeelt. Kuyper viel zijn tegenstanders hard aan en praatte ook over samenzweringen, bijvoorbeeld van de liberaal-Joodse elite.’

Ook het vroege socialisme was zeer populistisch. ‘Het verschil tussen een knokpartij en politieke actie was nogal gradueel. Ook iemand als Vliegen, later een zeer gerespecteerd SDAP-politicus, prees in zijn jeugd pistolen en dynamiet aan. Daar kwam verder niets van terecht, maar het vroege socialisme was nogal ruw. De dreiging met geweld had ook iets meeslepends, de gedachte dat revolutie zou uitbreken, de samenleving opnieuw zou beginnen en eindelijk naar het volk geluisterd zou worden’, zegt Te Velde. De in 1894 opgerichte SDAP probeerde die revolutionaire ijver overigens in te dammen. Partijleider Troelstra en zijn medestanders ontwikkelden zich tot gewaardeerde parlementariërs.

In de 20ste eeuw werden de ooit zo gevreesde politieke partijen de ruggengraat der natie. De partij maakte de massale participatie van de bevolking in de politiek mogelijk. Hoewel de meeste aanhangers een passieve rol vervulden, voelden zij zich vaak ten diepste verbonden met hun partij. Dat veranderde met de ontzuiling van de jaren zestig. ‘De politicologen Mair en Katz zeggen: de partijen zijn begonnen als sociale bewegingen in de maatschappij, maar ze zijn in de staat geëindigd. Dat klopt wel. Partijen zijn geen sociale bewegingen meer, ze zijn veel meer een verlengstuk van de staatsmacht geworden.’

Zo laten de politieke partijen op hun beurt een gat ontstaan, stelt hij. Populisten werpen zich op als de belangenbehartigers van kiezers die zich niet meer door de gevestigde partijen vertegenwoordigd voelen. Te Velde vindt het echter misleidend om te zeggen dat ‘het volk’ nu in opstand komt tegen ‘de elite’, zoals de PVV beweert. ‘Dat vind ik wel interessant: de PVV zegt een nationalistische partij te zijn. Maar als er nu één idee is dat niet in de Nederlandse traditie past, dan is het wel de gedachte van ‘het volk’ als een eenheid. Nederland heeft altijd bestaan uit verschillende groepen die naast elkaar leefden’, zegt Te Velde. ‘Het populisme wekt steeds de indruk heel concreet te zijn: niet praten, maar doen. Maar een term als ‘het volk’ is juist heel erg abstract.’

De opmars van het populisme leidt niet alleen tot andere politieke machtsverhoudingen, maar ook tot twijfel over het democratisch systeem zelf. Werkt de democratie nog wel, als zo veel mensen ontevreden zijn? ‘Democratie is enerzijds een bestuursvorm, een manier om het werk te doen dat nu eenmaal gedaan moet worden’, zegt Te Velde. ‘Anderzijds is het een droom: het volk moet het voor het zeggen hebben. Daar zit natuurlijk een kloof tussen. De spanning tussen die twee elementen is nooit helemaal oplosbaar. Dat geeft politiek ook iets menselijks. Het is geen machine die je zo kunt instellen dat je altijd de goede uitkomst krijgt.’

In de representatieve democratie zit een aristocratisch element. De beste mensen worden gekozen om het land te besturen. Bovendien is het volk nu eenmaal geen eenheid, maar een verzameling van mensen met heel uiteenlopende belangen. In de politieke arena worden die belangen tegen elkaar afgewogen. Daartoe hebben politici een zekere vrijheid ten opzichte van de burgers nodig, stellen de voorstanders van de representatieve democratie.

‘Maar de theoretici van de representatieve democratie hebben weinig oog voor de positie van de burgers die vertegenwoordigd worden. Die zijn niet passief. Die kunnen zeggen: de besluitvorming is nu wel erg top-down geworden, wij willen dat er meer naar ons geluisterd wordt. Op verschillende momenten in de Nederlandse geschiedenis heeft het volk een corrigerende werking gehad.’

Te Velde is zeer voorzichtig met termen als ‘crisis der democratie’, die in de media losjes en veelvuldig worden gebruikt. Anders dan in de jaren dertig wordt de democratie niet uitgedaagd door partijen die een compleet andere maatschappelijke ordening nastreven. ‘Destijds wilden de NSB en de Communistische Partij Holland de democratie echt afschaffen. Ook andere partijen stonden kritisch tegenover de democratie. De socialisten wilden een soort klassenloze maatschappij, de confessionelen dachten aan een vorm van corporatisme’, aldus Te Velde. Ook toen werd het gezag uitgedaagd door oproerige nieuwkomers, maar de reactie was heel anders. ‘Nu zeggen politici: we moeten meer naar de burgers luisteren. Toen zeiden ze: de burgers moeten meer naar ons luisteren. Premier Colijn werd heel populair door zichzelf als sterke man te profileren.’

Te Veldes boek gaat over schijnbaar vanzelfsprekende politieke tradities, zoals de positie van de premier of de beraadslagingen in de Tweede Kamer. Maar volgens Te Velde is de politiek de afgelopen decennia sterk van karakter veranderd, als reactie op de teloorgang van de massapartijen. Zo is de minister-president steeds belangrijker geworden, als punt van identificatie voor de bevolking. ‘Vroeger was de premier helemaal niet zo belangrijk. Iemand als Colijn was een uitzondering. In veel gevallen was de partij belangrijker dan de minister-president. De katholieke premiers uit de jaren zestig, zoals De Quay, Cals en De Jong, werden heel gemakkelijk weer aan de kant gezet. Drees zei dat hij liever minister van Sociale Zaken zou zijn. Dan had hij tenminste iets concreets omhanden, als premier zat hij vooral vergaderingen voor. Dat was natuurlijk een beetje koketteren, maar het is ondenkbaar dat een huidige premier zoiets zou zeggen. Vroeger wist ook niemand waar de premier werkte. Dat was ook nog niet in het Torentje, maar op Plein 1813, ver van het Binnenhof.’

Maar is het gezag van politici niet enorm uitgehold? ‘Het is minder deftig om Kamerlid zijn, zoals veel beroepen overigens in status zijn gedaald. Anderzijds is de identificatie met Kamerleden juist toegenomen. Ik vind het opmerkelijk hoeveel gewicht er wordt toegekend aan iemand als Pechtold, die maar drie Kamerzetels heeft. Alleen: het is allemaal voorwaardelijk en tijdelijk.’

De politiek zelf doet er wel verstandig aan die vluchtigheid te bestrijden, vindt Te Velde. Zij moet niet te veel meegaan in de constante roep om vernieuwing en verandering. ‘Ik zou in elk geval willen pleiten voor het aanhouden van politiek personeel. Politiek is een moeilijk vak, het duurt even voor je het in de vingers hebt. Femke Halsema wordt nu een heel goed Kamerlid gevonden. Maar in het begin werd van haar hetzelfde gezegd als van Agnes Kant: te snibbig en te drammerig. Politici als Balkenende en Bos hebben het ook moeilijk, omdat ze na 2002 zijn opgekomen, met betrekkelijk weinig ervaring. Mensen als Lubbers en Kok draaiden al heel lang mee in het politieke circuit, voordat ze minister-president werden’, aldus Te Velde.

Inmiddels heeft Bos plaatsgemaakt voor Cohen, een ‘vaderfiguur’ die omarmd wordt als een antwoord op de onzekerheid die het populisme teweeg heeft gebracht, stelt Te Velde.

Het politieke debat is opener dan vroeger, maar ook vluchtiger en wilder. Dat versterkt een beeld van crisis en instabiliteit. Maar als historicus gelooft Te Velde niet zo in doemscenario’s. Veeleer ontstaan er nieuwe verhoudingen waaraan de meeste mensen uiteindelijk zullen wennen, denkt hij.

‘Ik weet nog dat ik als 14-jarig jongetje met een vriendje ging zeilen. Ik kende dat niet en als we scheef hingen, was ik voortdurend bang dat de boot zou omslaan. Maar op een gegeven moment merk je: zo’n boot kan best scheef hangen, die slaat niet zo snel om.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden