Interview Politieverzet WOII

Het verzet door politie tijdens WOII: liever gevangene ‘dan een lafaard en eerlooze te zijn’

NIOD-onderzoeker Hinke Piersma schreef een boek over verzetsmensen onder de ‘foute’ politie in Tweede Wereldoorlog. Verzet werd lang niet altijd gepleegd door ‘heldhaftig de vuist te ballen en principieel nee te zeggen’. 

Politieagent Frans Abrahams poseert in 1945 voor de achterdeur van het politiebureau in Vught waardoor hij verzetsman Frans Goedhart liet ontsnappen. Beeld WO2- NIOD

‘Vanmiddag of morgenochtend word ik door de Ordnungspolizei opgehaald en zal ik naar Vught worden getransporteerd. (…) Ze hebben mij voor de keus gesteld: of alle bevelen opvolgen en dus Joden (…) arresteeren, of Vught. Je begrijpt dat dit ontzettende oogenblikken voor mij geweest zijn, kiezen tusschen vrijheid en gevangenschap.’

Het is de ochtend van 30 maart 1943 en Theo Kok schrijft aan zijn geliefde. Kok, dan 24 jaar, weigert Joden in Oldenzaal op te pakken. Hij laat zijn vriendin weten dat hij ‘kiest’ voor de gevangenis, ‘liever dan een lafaard en eerlooze te zijn’.

Kok is een van de politiemensen die zich openlijk verzetten tegen het beleid van de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog. Iemand die dat heimelijk deed, was Frans Abrahams. Hij kreeg opdracht de ter dood veroordeelde verzetsstrijder Frans Goedhart uit kamp Vught te halen en naar het politiebureau te brengen, vanwaar Goedhart zijn fusillade tegemoet zou gaan. Abrahams zette de achterdeur van het bureau open, waardoor Goedhart kon ontsnappen.

‘Toen het alarm ging – er was een gevangene ontsnapt – sprong agent Abrahams op zijn dienstfiets, om vervolgens niet zo heel goed naar Goedhart te zoeken’, zegt Hinke Piersma. Zij publiceerde afgelopen week het boek Op eigen gezag, over politiemensen die tijdens de oorlog verzet pleegden, openlijk of heimelijk.

Nog steeds bestaat het pijnlijke beeld dat de politie ‘fout’ was in de oorlog. Moffenknechten waren het – agenten die, gezagsgetrouw, Joden ophaalden, illegalen aangaven en verzetsacties niet door de vingers zagen. Korpschef Erik Akerboom zei er tijdens de Nationale Dodenherdenking in mei nog over: ‘Tijdens de bezetting bood de politie niet de bescherming die ze had moeten bieden. Ik herdenk de collega’s die toen wél naar voren stapten.’

Waren dat er veel?

Piersma: ‘Meer dan je denkt. Ik doe niks af aan de collaborateurs die bij de politie zaten, maar er is ook een ander verhaal. Alleen al op de Erelijst der Gevallenen, van mensen die als militair of verzetsstrijder omkwamen, staan ruim driehonderd politiemensen. En in veel verslagen van verzetsmensen uit dorpen en gehuchten wordt het beeld geschetst van ‘goede’ agenten die het verzet welgezind waren.’

De auteur verrichtte haar onderzoek in dienst van het NIOD (Instituut voor oorlogs-, holocaust-, en genocidestudies) in opdracht van de politie. Ruim drie jaar dook Piersma in politierapporten, stadsarchieven, literatuur en ‘snippers’ informatie die ze kreeg van betrokkenen in de vorm van brieven, foto’s, dagboeken en andere geschriften. Ze destilleerde daaruit de mannen en vrouwen bij de politie die zich wél tegen het beleid van de nazi’s hebben verzet.

‘Dat gebeurde lang niet altijd door heldhaftig de vuist te ballen en principieel nee te zeggen’, benadrukt de onderzoeker, ‘maar vaak door onopvallende acties die levensreddend konden zijn, zoals het openzetten van die achterdeur, een afgewende blik, een uitgeleend uniform of een waarschuwing voor naderende razzia’s.’

Heimelijk verzet

‘Het gebeurde zowel openlijk als heimelijk. Degenen die openlijk nee zeiden tegen opdrachten om Joden te arresteren werden opgesloten, zoals Theo Kok, of doken onder. Agent Jan Vernooij was een agent die onderdook omdat hij weigerde Joden op te pakken. Als een politieman onderdook, liep zijn familie gevaar te worden opgepakt als represaille, in de hoop dat vader zich zou melden. Dus Jans dertien kinderen werden bij familie ondergebracht. Zijn vrouw fietste zich de rest van de oorlog het schompes om ze zo veel mogelijk te kunnen zien.’

Hinke Piersma. Beeld Lionne Hietberg

We moeten voorzichtig zijn met te makkelijk oordelen over deze zwarte bladzijde in de politiegeschiedenis, zegt Piersma. ‘Iedereen denkt te weten hoe het zit, maar het dominante verhaal – de politie collaboreerde collectief – is niet altijd het juiste verhaal.’ Dat beeld is moeilijk bij te stellen omdat de politie ook nog eens symbool stond voor de ontrechting van de Joodse bevolking. ‘Als je fiets was gestolen, kon je als Joods burger tot in 1941 nog bij de politie terecht, maar daarna kon je door diezelfde politie worden opgehaald om te worden afgevoerd.’

Dat laat onverlet dat veel politiemensen tijdens de oorlog worstelden met het dilemma van gezagsgetrouwheid en hun eigen morele kompas – een ingewikkelde spagaat. ‘Vergeet niet dat de Nederlandse samenleving destijds een stuk gezagsgetrouwer was dan nu’, stelt de auteur. ‘Politiemannen en -vrouwen werden opgeleid om dienstopdrachten op te volgen.’

Uw boek draait feitelijk om de vraag: waar trek je je morele grens.

‘Ik zeg altijd: wat zou je zelf doen? Vaak aarzelen mensen dan even. Die aarzeling, al is-ie nog zo kort, zegt genoeg. Het betekent dat je misschien niet de moed kunt opbrengen om het verschil te maken, want dat kost ook altijd iets.’

In haar boek beschrijft Piersma het schrijnend contrast tussen twee uitersten, de broers Jan en Ad Smorenburg. Jan was ‘de Schrik van Utrecht’: hij gaf leiding aan de eenheid die Joden opspoorde. Jan verrijkte zich schaamteloos aan hun bezittingen.

Jans broer Ad, inspecteur bij de zedenpolitie op het Utrechtse bureau Paardenveld, verleende met zijn vrouw Mien juist heimelijk onderdak aan de Joodse baby Loes Susan. In een brief aan Loes’ ouders schrijft hij:

‘’s Morgens om half acht wordt ze wakker, eet dan vier beschuiten met boter en suiker en een kroes melk (…) Het is een schat van een meid en iedereen is gek op haar. (…) Verder weten wij geen nieuws als het oude recept: moed en vertrouwen.’

De zorgzame Ad zou zijn hele verdere politieloopbaan last hebben van zijn achternaam, besmet door het ‘abjecte’ gedrag van broer Jan.

We zijn bijna 75 jaar verder. Waarom verschijnt nu pas dit onderzoek?

‘Er kwam een concreet verzoek van een oud-politiechef die de geschiedschrijving een warm hart toedraagt en zich afvroeg waarom er zo weinig is geschreven over politieverzet. Dat is in beginsel een gevolg van het schaarse bronnenmateriaal.

‘Maar het komt ook doordat politiemensen hun rol in de oorlog altijd verzwegen. Als je openlijk verzet pleegde, kreeg je het verwijt dat je je collega’s de kastanjes uit het vuur liet halen. En wie zich heimelijk verzette, worstelde met die dubbelrol van collaboratie en verzet. Het merendeel van de verzetsmensen klopte zich na de oorlog niet op borst, je ziet juist hun machteloosheid. Zij vinden: ik heb te weinig gedaan.’

Op eigen gezag - Politieverzet in Oorlogstijd

Hinke Piersma

Uitgever: Querido

ISBN: 978 90 214 1683 0

Waar interessante en spraakmakende verhalen online en in de krant ophouden, gaat het Volkskrantgeluid verder. Wat is een zwart gat precies? En hoe gaat het eraan toe in tbs-klinieken? Onze verhalenmakers leggen het uit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden