Het vertrouwde vreemd zien

Van Amsterdam tot Athene, en van Parijs tot St.-Petersburg: de nationale musea voor oude cultuur in Europa bezinnen zich op hun toekomst in een snel veranderende samenleving. Waar komt die nieuwe ambitie vandaan, en wat willen ze gaan doen? Deel 1 van de serie ‘Geld, kunst, identiteit’: In Berlijn moet het grootste Universele Museum ter wereld ontstaan.

Iedereen had gezegd: er is veel gelukt, maar dát lukt nooit. Peter-Klaus Schuster, negen jaar lang de machtige man van de Berlijnse museumwereld, glimlacht fijntjes en zegt: ‘Het lukte wel, want het was onvermijdelijk.’

Het is een dinsdagmiddag, in een statig kantoorpand in Berlijn. De bondspresident is net langs geweest, onderhandelingen over samenwerkingen met Dubai en Peking zijn voorbij, en de vergezichten voor de toekomst worden op tafel gelegd. Deze week neemt Schuster afscheid als Generaldirektor van alle zeventien Berlijnse musea – maar zijn bewindsperiode zal de komende jaren mede het beeld van Berlijn als museummetropool bepalen.

Citaten
Schuster, een man die de zakelijke kanten van het moderne directeursschap graag begeleidt met citaten van Goethe, Humboldt en Nietzsche, kan er kernachtig over zijn. Als alles gaat zoals gepland, dan ‘zal nergens méér van de wereld en van haar kunst in een museum te ervaren zijn, dan in het midden van Berlijn’. Het doel in 2015: een areaal van Wereldkunst, waarin zesduizend jaar kunst en cultuur uit alle werelddelen worden samengebald op een oppervlakte van een kleine vierkante kilometer, het zogeheten Museumsinsel en het tegenover gelegen Schlossplatz.

Voor wie de culturele ambities van Berlijn op het wereldtoneel niet geheel paraat heeft: op het Museumsinsel worden al jaren de vijf grote museumgebouwen van de stad gerenoveerd. Het is ‘een stadsdeel op zichzelf’, gewijd aan de Egyptische, antieke en Europese cultuur tot 1900, een ‘tempelstad’, ontstaan tussen 1830 en 1930. Beroemd om zijn verzamelingen archeologische kunstschatten, maar na 1945 ‘door elkaar geschud’ en uit de internationale voorhoede weggedrukt door de oorlogsbombardementen en door de tweedeling van Berlijn.

Op zichzelf is het al een enorm project dat weer op te bouwen. Vanaf begin jaren negentig ontstonden de eerste plannen voor renovatie, en door Schuster is bedacht de musea ook nog eens samen te voegen met een gedeelde ingang en een promenade. In elk geval tot 2015 wordt hier voor maar liefst honderd miljoen euro per jaar verbouwd.

Maar er bleek nog meer bij te kunnen. Aan de overkant van het Museumsinsel, is in 2007 na heftige discussies besloten een Pruisisch slot opnieuw op te bouwen. Een compleet paleis, dat in de DDR opgeblazen is uit afkeer, aldus Schuster, van ‘het Pruisisch militarisme’. De inhoud stond nog niet vast, ‘maar men wilde geen hotel of congrescentrum’. Dus stelden de Berlijnse musea voor dat ze ook die wel konden gebruiken, voor hun ruime collecties kunstwerken uit niet-westerse culturen.

Verlangen
En dat is wat Schuster de ‘onvermijdelijke uitkomst’ noemt: de politieke wens ‘de wond te helen’ kwam samen met het verlangen van de musea een galerie voor wereldkunst te scheppen, een nieuwe artistieke en wetenschappelijke dialoog tussen culturen. Met als uiteindelijke resultaat, dat in een kleine tien jaar het grootste Universele Museum ter wereld te vinden moet zijn in de Duitse hoofdstad.

Op een doordeweekse herfstdag zou je het nog wel eens kunnen vergeten. De ambities tonen zich nu nog vooral in hijskranen, in bouwvakkers. De Alte Nationalgalerie, dat als een tempel voor Duitse 19de-eeuwse kunst uittorent boven de rest, staat in de steigers. Het Neues Museum, decennialang een door bombardementen aangetast oorlogslitteken, opent pas volgend jaar, en zal de imposante verzameling Egyptische kunst, inclusief de beroemde buste van Nefertiti, gaan herbergen.

Van het Pruisische slot aan de overkant is nog niets te zien, alleen een enorme bouwput. Wel is ernaast, op een steenworp van het Museumsinsel, sinds deze week een Tijdelijke Kunsthal verrezen, een wolken-blauw-met-witte tentoonstellingshal waarin onafhankelijk van de Berlijnse musea twee jaar lang hedendaagse kunst getoond gaat worden.

Schuster heeft Berlijn in tien jaar zien veranderen. De nieuwe Duitse hoofdstad, zegt hij, ‘opende zich voor de buitenwereld’, en ‘de Berlijnse musea zijn weer op de landkaart van internationale museumsteden gezet’. Toch was het bij zijn aantreden in 1999 niet te voorzien geweest, zegt hij, dat het ‘nieuwe’ Berlijn zijn kaarten zo sterk op cultuur zou gaan zetten.

Clubleven
Een aantal ontwikkelingen zijn bij elkaar gekomen, zegt Schuster: ‘Dat Berlijn opeens zo in trek zou raken bij hedendaagse kunstenaars, bij het clubleven, bij alles wat creatief is, daar had niemand op gerekend.’ Bij deze opleving van de hedendaagse kunst voegden zich de wederopstanding van de Berlijnse musea, én economisch pragmatisme. ‘Als industriestad bleek Berlijn te hebben afgedaan, grote bedrijven zijn naar andere steden vertrokken. Maar in de cultuur bleek de stad nog bij de grote traditie te kunnen aanknopen.’

En het Museumsinsel, zegt Schuster, is nu eenmaal een direct gevolg van deze ‘grote traditie’, een gevolg van de ‘gigantische mythe rond de kunstenaar’ in Duitsland. Ontstaan uit een combinatie van verlichte Romantiek, van mannen als Schinkel en Humboldt, en een laat-19de-eeuws Pruisisch verlangen zich te onderscheiden van de Fransen.

Schuster: ‘Het is een tempelstad, bedacht om, vrij van alle nut, kunst en wetenschap te bedrijven. Dat is zeer idealistisch, maar dat heeft nog steeds grote waarde. Intussen weten we dat de mogelijkheid ergens zonder dwang mee bezig te zijn, zeer creatief kan werken. Nu kan elk bedrijf dat voor zijn managers bedenken. Niet alles hoeft nuttig te zijn. Dat is een Duitse traditie, en die moeten we opnieuw uitvinden.’ Als Schuster spreekt, lijkt die 19de eeuw niet eens zo ver weg. Hij spreekt over de ‘verlichting van de bezoeker door het genot van kunst’, en over de ambitie om van het Museumseiland een ‘identificatiepunt’ voor de Duitsers te maken. Schuster presenteerde het Museumsinsel de laatste jaren zelfs als nieuw ‘geestelijk midden’ van het land, een symbool van hereniging.

Indirect
Of het ook daadwerkelijk als zodanig wordt ervaren, is nog maar de vraag, zegt Die Zeit-cultuurredacteur Hanno Rauterberg, die de Berlijnse musea al jaren volgt. Het eiland is immers geen Rijksmuseum in Amsterdam, ‘Duitsland heeft geen Rembrandt, niet één kunstenaar of stroming, die als nationaal naar voren wordt geschoven’. Hij ziet de betekenis van het Museumsinsel voor de Duitse identiteit eerder in ‘indirecte’ aspecten terug. Zoals in de felle discussies rond de architectonische plannen van de Britse architect David Chippenfield, de vraag of het nieuwe ingangsgebouw historisch of modern moest ogen, of dat de littekens van de oorlog te zien moesten blijven in de renovaties.

Uiteindelijk is het een politieke beslissing geweest die het Museumsinsel daadwerkelijk een nationale status heeft gegeven, vertelt Norbert Zimmermann, vice-president van de Stichting Pruisisch Cultuurbezit, het hoogste cultuurorgaan in Duitsland en opdrachtgever van de grote bouwprojecten op het Museumsinsel. Cultuur is in Duitsland altijd een zaak van de afzonderlijke bondslanden. Toen in 2002 bleek dat Berlijn zijn museale ambities niet meer kon betalen, besloot de Bond de volledige kosten over te nemen.

Het gevolg: een voor Duitsland hoogst ongebruikelijk staaltje van ‘national branding’, zegt Hanno Rauterberg. Want: ‘Het heeft natuurlijk ook te maken met de concurrentie met Londen en Parijs om de toeristen.’ Een ontwikkeling die ook gevaren met zich meebrengt. Het hart van Berlijn kan, waarschuwt Rauterberg, ‘een museagetto worden, alleen voor de toeristen. Een monocultuur waar het leven uit is’.

Snel
Het is snel gegaan. De laatste jaren staan meer en meer bussen geparkeerd op de strook asfalt tussen de Dom en de musea. Tien jaar geleden kregen de zeventien Berlijnse musea gezamenlijk 2,8 miljoen bezoekers, in 2007 zijn dat er al 5,3 miljoen geworden; het Museumsinsel alleen ontving er 3 miljoen.

De komende jaren wordt verwacht dat het aantal bezoekers van alleen het Museumsinsel zal stijgen tot minstens 4 miljoen. Waarmee het toenemende economische belang van cultuurtoerisme maar weer eens onderstreept wordt, die onstuitbare stroom Japanse toeristen, groepen Spanjaarden en Amerikaanse backpackers.

Wat ze er precies zoeken, daarover kan gefilosofeerd worden. De aantrekkingskracht van musea werd niet voor niets pas groot in het tijdperk van industrialisering, zegt Hanno Rauterberg. Juist op het moment dat alles sneller ging, voelde men het verlangen naar plekken waar dingen bewaard werden, ‘waar de tijd stil stond, waar getoond wordt welke waarden voor onze voorvaderen van belang waren’. Dat is een verlangen dat in het informatietijdperk alleen maar is blijven groeien.

Vanuit deze optiek bezien is het niet zo vreemd dat uitgerekend het Pergamonmuseum het meest populaire deel van het Museumsinsel is. Hier is de tijd haast letterlijk ‘stil gezet’. Het museum bevat het originele Pergamonaltaar, een beeldenreliëf uitgestrekt over een enorme zaal, en ook de metershoge, azuurblauwe Ischtar-poort van het legendarische Babylon is er opgenomen. Spectaculair, en altijd bomvol met toeristen.

Nieuwsgierig
Het is dit type ‘nieuwsgierige’ bezoeker, zoals Norbert Zimmermann de argeloze toerist noemt, die uiteindelijk behoorlijk bepalend zal blijken voor hoe de Berlijnse musea er in de toekomst uit zullen gaan zien. De moderne cultuurconsument op het Museuminsel is niet meer alleen die hoogopgeleide Bildungsbürger, zegt Zimmermann: ‘Veel bezoekers zijn niet meer vanzelf op de hoogte van dat wat ze voor zich zien. Dat merk je vooral bij tentoonstellingen van Oude Meesters. Kennis van de Bijbel en van de Antieken ontbreekt.’ Maar, benadrukt Zimmermann, dat is geen probleem: ‘De bezoekers mogen best geholpen worden. Een museum moet ze nieuwsgierig máken.’

De paradox: ook al zoekt men bij de kunstwerken ‘de stilstaande tijd’, om die ervaring te bieden moet een museum zich telkens vernieuwen. In de visie van Schuster: ‘Bezoekers krijgen steeds weer nieuwe ‘ziensgewoontes’.’ Een museum moet dat bijhouden, anders raakt het te zeer achter. ‘Een museum is net als een warenhuis, en er is ieder jaar weer een nieuwe zomer.’

Modernisering is dan ook nodig op het Berlijnse Museumsinsel, zegt Schuster. Een groot deel van de opstelling kan namelijk prima met ‘ouderwets’ omschreven worden. Schuster: ‘In vergelijking met het Louvre en het British Museum, die veel zelfbewuster zijn, zijn wij ons nu pas opnieuw aan het vinden. Wij zijn op veel gebieden absolute beginners, ook op het gebied van marketing en merchandising.’ Anders dan het Louvre ontbreekt het Berlijn ook nog eens aan voldoende iconen. Want het Museumsinsel is ‘ontstaan als een geleerdenmuseum, encyclopedisch opgebouwd’, niet als gevolg van de ambities van een vorst.

Hirst
Inmiddels wordt er ook op het Museumsinsel geëxperimenteerd met combinaties tussen oude en hedendaagse kunst, precies zoals het Rijksmuseum dat doet met Damien Hirst (Schuster: ‘Het vertrouwde vreemd zien, met nieuwe ogen bekijken; dat zal in de toekomst meer gaan gebeuren’). Maar de hoop is vooral op de veelbesproken vernieuwing van architect Chippenfield gezet. Diens architectonische ingreep moet twee dingen bewerkstelligen, legt Norbert Zimmermann uit. Allereerst: de cultuurtoerist moet zich ‘goed’ voelen. Want: ‘De meeste musea hebben de handicap dat het in hun gebouwen erg moeilijk is zich zo te bewegen dat men zich goed voelt.’ Deze vernieuwing van de infrastructuur heeft echter ook een cruciaal inhoudelijk doel; ze moet de mogelijkheid openen de kunst op een nieuwe manier te presenteren, een manier die past bij de toekomst.

Zimmermann ziet het als de fout van veel kunsthistorische opstellingen, waarin de kunst uit landen, periodes en scholen los van elkaar werden gepresenteerd. Het presenteert aan het publiek ‘een vals isolationisme’. ‘Niemand bestaat zonder de buren. De Europese cultuur is niet te begrijpen zonder niet-Europese culturen.’

Het nieuwe ingangsgebouw en de promenade zullen deze nieuwe visie ondersteunen. De promenade zal bijvoorbeeld langs thematische blokken voeren, die culturen en periodes overstijgen, zoals ‘Chaos en kosmos’, ‘Portret en mensbeeld’. Om nog maar te zwijgen van de plannen voor ‘culturele dialoog’ op het Humboldt-forum, het Pruisische slot waar de verzamelingen van de niet-westerse culturen in komen te staan.

Gelijkwaardig
Schuster ziet het al voor zich: ‘Een beeldhouwwerk uit India zal komen te staan in een omgeving gebouwd door de 19de-eeuwse Duitse architect Schinkel, beeldhouwwerken uit Afrika zullen er gelijkwaardig communiceren met antieke werken en Europese schilderkunst.’

Zimmermann: ‘We moeten weg van het idee van specialistische musea. We willen antwoord geven op de vraag: waar komen we vandaan? Welke invloeden zijn er aan te wijzen op wat nu de Europese cultuur heet?’ Hoe modern ook, dit resultaat zal volgens Schuster niet eens zo ver af staan van de oorspronkelijke opzet van de romantici: ‘Alle kunst is één, alles is gelijkwaardig, was het idee in het begin. Het is gebaseerd op een encyclopedische interesse: wij bestuderen alles.’

Het Museumsinsel kan dan wel een nationaal project zijn geworden, globalisering, multiculturalisme en Europees denken hebben onmiskenbaar hun weg gevonden naar de kunsthistorische toekomstplannen. Voor Schuster zijn het de tekenen die passen bij de nieuwe levendige museumcultuur, die zich internationaal begint te manifesteren. ‘Men opent nu de deur.’

Hij heeft voor de nieuwe tijd dan ook een nieuw motto paraat, dat hij samen heeft bedacht met de andere directeuren van de grote Universele Musea, zoals het Louvre en de Hermitage in St.-Petersburg. Het motto: ‘We verzamelen niet alleen óver de wereld, maar ook vóór de wereld’. En dat betekent concreet: expansie. Het Louvre was het eerste museum van de groep die het wereldnieuws haalde, omdat het de sprong naar de Arabische wereld maakte en een uiterst prijzig Louvre-filiaal in Abu Dhabi mocht bouwen. Schuster was op zijn beurt in juni in Dubai. Niet voor een eigen museum, maar om samen met de musea in Dresden en München contracten te tekenen voor ruimhartige bruiklenen.

Schuster: ‘Waarom wij dat doen? Wij voelen ons verantwoordelijk voor de kennis van cultuur in de wereld.’ Daarbij moet een modern museum pragmatisch zijn: ‘Als de toeristen naar de Emiraten gaan, dan gaan wij er natuurlijk ook heen. Het hele kunstbedrijf is internationaal geworden. We hebben net in China grote successen geboekt met tentoonstellingen over Caspar David Friedrich en met Gerhard Richter. We organiseren er binnenkort een over de Europese Verlichting. En in Brazilië hebben we tentoonstellingen gemaakt over Afrika en over de oude Grieken.’

Motto
Voor een museumgetto is Schuster dan ook niet bang. Hij vertrouwt erop dat de oude cultuur actueel gehouden kan worden. Ook daar heeft hij een motto voor bedacht. Om het geheel nog flitsender te laten klinken, zegt hij het in het Engels: het ideale Museumsinsel functioneert volgens de formule AT&T, ‘Archive, Tempel and Theatre’.

Schuster herinnert zich een recente avond in het Pergamonmuseum: ‘De minister van Buitenlandse Zaken, Frank-Walter Steinmeier, organiseerde er een avond voor zijn diplomaten en ambassadeurs. Daar, voor de beelden van het Pergamon-altaar, danste het gezelschap van Sasha Waltz. Er ontstond plotseling een dionysische dans, met de antieke voorstelling van strijd erboven.’

Het was precies wat hij bedoelt met de actualisering van de oude cultuur: ‘Op die avond kreeg je het gevoel dat het niet meer alleen archeologie was, wat je daar op het altaar zag afgebeeld. Het waren mensen, die lijden, leven, huilen. Het waren niet meer de Antieken van Winckelmann, maar het waren de Dionysische Antieken van Nietzsche.’ Het museum als tempel, maar ook als theater. ‘Ik geloof’, zegt Schuster, ‘dat een museum zulke grote, belangrijke beelden moet ensceneren.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden