Het vermoorde Jiddisch

Zes joodse schrijvers en dichters werden in augustus 1952 op last van Stalin geëxecuteerd. Zes anderen stierven in een werkkamp of gevangenis....

HET Jiddisch als spreektaal sterft langzaam maar zeker uit. 'Het wordt een cultuurtaal', zegt Willy Brill, vertaalster van Jiddische literatuur, 'en het is belangrijk dat die in stand blijft, alleen al omdat we in het Westen anders een hele brok prachtige literatuur moeten missen.' Zij doelt op het werk van Russisch-Jiddische schrijvers, waarvan ze een deel heeft vertaald. In de negentiende eeuw waren Mendele Sholem Alejchem en Sjolem Alejchem de eerste belangrijke literatoren die in het Jiddisch begonnen te schrijven. 'Daarvóór was de taal van de joodse literatuur het Hebreeuws, een sacrale taal die vooral in de synagoge werd gesproken. Toen Mendele en Alejchem in het Jiddisch gingen schrijven, vond het volk dat geweldig. Het vrat hun boeken.'

Wat bijna niemand weet, zegt Brill, is dat de Russisch-Jiddische literatuur na de revolutie van 1917 een grote bloei heeft doorgemaakt. Zij noemt schrijvers en dichters als Dovid Bergelsohn (1884-1952), Lejb Kwitko (1890-1952) en Der Nister (1884-1950), die volgens haar 'prachtige' romans en poëzie hebben geschreven. 'Zij voerden een complete taalvernieuwing door. De verhalen van Mendele en Alejchem waren vooral beschrijvend. Bij de nieuwe generatie gingen surrealisme, psychologie en symbolisme een belangrijke rol spelen.'

Veel van de nieuwe Jiddische schrijvers en dichters kwamen tijdens het regime van Joseph Stalin om het leven. Zij werden het slachtoffer van Stalins offensief tegen de joodse culturele elite, die hij na de oprichting van de 'imperialistische' staat Israël in 1948 was gaan beschouwen als vertegenwoordigers van het verderfelijke 'nationalistisch bourgeois-zionisme'. Joodse schrijvers, toneelspelers, schilders en andere kunstenaars werden naar strafkampen gestuurd of ter dood veroordeeld. Hoeveel schrijvers en dichters tijdens het Stalin-regime zijn omgekomen, is nog steeds niet bekend. Na uitgebreid onderzoek zijn voorlopig slechts twaalf namen van Jiddische schrijvers naar boven gekomen. Zes van hen werden vijftig jaar geleden, op 12 augustus 1952, na een schijnproces geëxecuteerd. Zes anderen waren daarvóór al in een werkkamp of gevangenis gestorven.

Het betekende volgens Brill de doodsklap voor de Jiddische literatuur in Sovjet-Rusland. Het abrupte en met veel mysterie omgeven einde van de postrevolutionaire generatie Jiddische schrijvers en dichters had bovendien tot gevolg dat ze onbekend bleven in het Westen. Veel van hun werk werd vernietigd; wat ervan overbleef sijpelde via Israël en de Verenigde Staten mondjesmaat door naar Europa.

Brill ('Mijn leeftijd is niet belangrijk, zeg maar: zi iz a bobe, zij is een grootmoeder') pikte het Jiddisch op bij haar grootouders. Ze komt uit een vrijzinnig joods gezin, waar Nederlands werd gesproken. 'Maar ik vond de woorden die mijn grootmoeder gebruikte zo bijzonder, dat ik het ook wilde leren. Het Jiddisch smoest zo lekker. Een mooi meisje bijvoorbeeld is a mejdl mitn zibetn tam, een meisje met een zevende smaak. Prachtig toch?' Na de toneelacademie besloot ze Jiddische teksten te gaan bewerken voor het toneel. Inmiddels heeft zij voor de Jiddische Bibliotheek van Vassallucci het boek De familie Masjber vertaald van Der Nister (letterlijk: 'De Verborgene', een pseudoniem van Pinchas Kahanowitsj), dat in 1939 verscheen. Het is de eerste Nederlandse vertaling uit het werk van de eerdergenoemde twaalf Jiddische schrijvers en dichters, die in oktober moet uitkomen. Eerder vertaalde Brill voor dezelfde reeks onder meer Manke Fisjke van Mendele Mojcher Alejchem ('Mendele de Boekverkoper', pseudoniem van Sholem Jankev Abramowitsj, 1835-1917) en Het leven een roman van Sjolem Alejchem (1859-1916).

Als bestuurslid van de Stichting Jiddisch probeert Brill in Nederland meer aandacht te krijgen voor het werk en het lot van Jiddische schrijvers en dichters voor en tijdens het Stalin-regime. 'De moorden op joodse literatoren in die tijd zijn eigenlijk altijd sterk onderbelicht gebleven, vooral doordat lange tijd niet duidelijk was wat er precies is gebeurd.'

In het Rusland van begin twintigste eeuw toonde de joodse culturele elite zich een groot voorstander van de revolutie. Brill: 'De omwenteling maakte een einde aan de ontberingen die de joden onder de tsaren hadden geleden. Het was een tijd van grote hoop, zeker toen Lenin kort na de revolutie een proclamatie uitvaardigde waarin stond dat elk volk in de toekomst gelijk zou zijn.'

In de grote steden kwamen in hoog tempo nieuwe joodse uitgeverijen en tijdschriften van de grond. In Kiev, voorheen een zeer antisemitische stad, werd het tijdschrift Ejgns opgericht (Ejgns betekent eigene, oftewel: we gaan eigen literatuur maken). Moskou volgde al snel met Emes, de waarheid. De Jiddische literatuur ging een nieuwe fase in. 'De romans van Mendele en Alejchem waren doordrenkt van de joodse gein en humor die het harde leven in het sjtetl (een joods getto, red.) draaglijk maakten. Nu ging men ineens schrijven over de natuurpracht in poëtische en symbolische termen.'

Het was precies dit gebrek aan realisme in hun geschriften waardoor de schrijvers en dichters van na de revolutie al snel in botsing kwamen met het nieuwe regime van Stalin. 'Het was geen literatuur voor het volk, zoals Stalin wilde. Bovendien waren de joden veel te kosmopolitisch naar zijn zin. In het begin van de jaren twintig begon hij al de duimschroeven aan te draaien. Hij creëerde comités die erop moesten toezien dat niets werd gepubliceerd dat niet voldeed aan het socialistisch realisme. En dat was veel.'

Lange tijd probeerden de joodse schrijvers en dichters zich aan te passen aan de wensen van het regime, zegt Brill. 'Ze werden betaald door de staat, en dat was nog altijd beter dan te moeten sappelen. Vergeet ook niet dat velen overtuigd marxist waren, en bovendien zeer patriottistisch. De literatoren Perets Markisj, Dovid Bergelsohn en Itsik Fefer zaten in het Joods Antifascistisch Comité, dat naar de Verenigde Staten en Europa ging om steun te verwerven voor de Sovjet-Unie in de oorlog tegen Hitler. En tijdens de Tweede Wereldoorlog schopten sommigen van hen het ver in het leger.'

Om de censors niet tegen de haren in te strijken, kozen de joodse literatoren vaak voor andere verschijningsvormen dan romans en gedichten. 'Ze legden zich toe op kinderrijmpjes, journalistiek werk en essays. Vaak zat er dan wel verborgen kritiek in.' Brill verwijst ten voorbeeld naar het gedicht de stinkvogel Moili van Lejb Kwitko, dat onlangs is afgedrukt in Grine Medine, een tijdschrift over het Jiddisch, waarin de laatste maanden extra aandacht wordt besteed aan het lot van Jiddische schrijvers en dichters tijdens Stalin. Een van de censors heette Moisje Litwakov. Een fragment uit het gedicht, dat wél door de censuur kwam: 'Het is net, het is net/ of hij zijn snavel steekt in ons nest/ er verspreidt zich een stank, een stank als de pest.'

Aan haar vertaling van het duizend pagina's tellende boek van Der Nister heeft Brill anderhalf jaar gewerkt. In die tijd heeft ze zich ook verdiept in zijn persoon.

'Voordat hij aan dit drieluik begon, was Der Nister wanhopig. Jarenlang had hij verhalen geschreven die vol zaten met demonen, geesten, pratende geiten en andere fantasieën. Zijn verhalen waren als dromen, waarbij zich binnen een verhaal een ander verhaal afspeelde en daarbinnen weer een ander verhaal. Maar dat soort surrealisme was natuurlijk uit den boze voor de censors.

'Vanaf 1929 hield hij zich noodgedwongen bezig met journalistiek werk, maar hij voelde zich diep ongelukkig, zoals blijkt uit de brieven die hij schreef aan zijn vriend, de schrijver Dovid Hofstejn. ''Wat moet ik nog doen als ik niet meer schrijven kan?'', vroeg hij zich af. De oplossing vond hij met dit boek, dat in 1939 uitkwam. Het is een familiekroniek die zich afspeelt in 1870. Door voor deze vorm te kiezen, kwam het boek door de censuur.

'Maar intussen kon hij wel zijn eigen ideëen en stijl erin kwijt. Doordat het in het verleden speelt, was het mogelijk sociale en economische tegenstellingen te kritiseren, zonder direct het regime aan te vallen. Ook kon hij het veilig over religie hebben. Zijn wonderlijke fantasieën laat hij terugkomen in de dromen van de hoofdrolspelers, de gebroeders Masjber. Als je het voorwoord ziet, denk je aanvankelijk dat het een knieval is naar het regime, maar als je het verhaal leest, blijkt dat geenszins het geval te zijn.'

Het derde deel van zijn beoogde drieluik heeft Der Nister niet meer kunnen voltooien. Hij werd in 1947 opgepakt en naar een strafkamp gestuurd, waar hij in 1950 overleed.

Brill reist voor haar werk nog geregeld naar Rusland. De joodse gemeenschap is er grotendeels verdwenen. Omstreeks de revolutie van 1917 leefden er nog vijf miljoen joden, nu nog maar een half miljoen. Velen zijn geemigreerd naar Israël en de Verenigde Staten. Van de joodse cultuur is weinig meer over. Brill: 'In de synagoges zijn nu autobedrijven of winkels gevestigd. En bijna niemand spreekt meer Jiddisch.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden