Het verhaal van die jongen van 26 A.F.Th. van der Heijden ziet ook deel 3 van 'De tandeloze tijd' als heel fictief

Toen A.F.Th. van der Heijden zeventien was, nam hij zich voor ooit één boek te schrijven waar àlles in zou staan....

MIDDEN in het gesprek stopt A.F.Th. van der Heijden even, om extra aandacht te vragen voor wat volgen gaat. Hij buigt voorover, en zegt met lichte nadruk:

'Ik heb het nu dus over historie hè? Over mijn bron.'

De schrijver bedoelt te zeggen dat het nu even over de feiten gaat, en niet over de fictie. Hij hecht zeer aan dat onderscheid, dat in zijn werk vaak zo subtiel wil worden dat mensen het uit het oog verliezen. Waardoor ze gaan denken dat alles wat hij schrijft autobiografisch is, en ze zichzelf en anderen gaan herkennen in zijn personages. Daar heeft hij genoeg last mee gehad.

Nu gaat het dus over de feiten:

Van der Heijden was 25 toen hij - het was exact de nacht van 21 op 22 september 1977 - voor het eerst van zijn leven aan de cocaïne had geroken. Een wonderlijk middel waar je eindeloos bij bleek te kunnen drinken, en waarvan je ook eindeloos aan het kletsen sloeg. Zodat de jonge Van der Heijden de aandachtige toehoorder naast hem aan de bar niet alleen vertelde hoe prachtig die coke door zijn hersenen suisde, maar hem bovendien zijn naam en adres doorgaf.

Van der Heijden: 'Het was zo'n kleurloze nacht. Want dat is wat dat spul met je doet, het neemt alle kleuren weg. Ehm. . . Hoe staat het er in mijn boek?: ''Zoals een stad zich spiegelt in een vers gevallen pak sneeuw.''

'Toen ik die man mijn adres gaf, begonnen de verslaafden aan de bar te sissen dat ik stront in mijn ogen had.'

De man bleek namelijk een heroïnedealer. Vandaar zijn belangstellend oor voor de jonge drugsgenieter.

Tweede feit:

Niet lang daarna, in een Amsterdamse coffeeshop, trof de jonge schrijver een versleten nummer van de Haagse Post. Met daarin een lang interview met een junk - tegenwoordig niets bijzonders, maar destijds zeer uitzonderlijk. De junk vertelde vrijmoedig hoe hij zijn verslaving onderhield, en ook hoe hij auto's openbrak. Met een schaar van een speciaal, duur merk: een Fiskars Deluxe.

Van der Heijden, toch nog tijdig gewaarschuwd door het gesis van de verslaafden, heeft de dealer nooit thuis ontvangen. Maar de ontmoeting, gecombineerd met dat interview met een verslaafde in de Haagse Post vormde het vertrekpunt voor een onderneming die hem nu al achttieneneenhalf jaar in beslag neemt: de romancyclus De tandeloze tijd.

Van der Heijden: 'Die avond en dat interview waren mijn twee bronnen. Ik heb die twee dingen bij elkaar gevoegd en bedacht: zo zou ik kunnen beginnen. Vervolgens heb ik een manuscript geopend met de werktitel Scharen.'

Het manuscript begon al uit te dijen voordat het tot een boek had geleid. Eerst voorzag de schrijver twee delen, later dacht hij meer aan vijf kleinere boeken, en ten slotte besloot hij tot een trilogie. Die trilogie is inmiddels uitgegroeid tot de - alleen al door zijn omvang en door zijn vierde deel legendarisch geworden - cyclus De tandeloze tijd. Volgende week verschijnt, zes jaar na deel 4, dertien jaar na de proloog en ruim achttien jaar na het openen van het manuscript, het ontbrekende deel 3. Veertienhonderd pagina's verdeeld over twee boeken: Het Hof van Barmhartigheid (3,1) en Onder het plaveisel het moeras (3,2).

Waarin de hoofdpersoon Albert Egberts Brabant en Nijmegen achter zich heeft gelaten en in Amsterdam begint aan een 'studie in verwording en verloedering'. Egberts beleeft onder andere die cruciale 'sneeuwnacht in september', de cocaïnenacht die ermee eindigt dat hij zijn adres weggeeft aan een vreemdeling.

In tegenstelling tot Van der Heijden zelf ontvangt Albert Egberts de dealer wèl thuis. En wordt daardoor de Albert Egberts van De slag om de Blauwbrug, de verslaafde met de Fiskars Deluxe op zak, die op Koninginnedag 1980 bijna een steen naar een politiehelikopter gooit, en die bijna de neonazi Arend-Jan Baartscheer vermoordt.

AAN HET EIND van deel 3 reiken proloog en epiloog elkaar over de andere delen heen op 23 juli 1980 - de dag waarop De slag om de Blauwbrug eindigt - de hand. Hier had de cyclus kunnen eindigen.

Alleen: zes jaar geleden is deel 4 verschenen: Advocaat van de hanen, waarin Egberts maar een bijfiguur is, en de kwartaaldrinkende advocaat Ernst Quispel de hoofdpersoon. Van der Heijden: 'Dat deel had ik niet voorzien. En tja, dat deel heeft niet het karakter van een slotdeel. Dus zit ik toch weer te denken aan een ander slotakkoord. . .

'Het slotdeel - het definitieve slotdeel van De tandeloze tijd - moet een groot boek in proza-gedichten en aforismen worden. Dat heeft me altijd spannend geleken: een roman te schrijven in aforismen. Maar laat ik die Tandeloze tijd nu eerst eens een tijdje laten rusten. En dan zullen we wel zien of dat slotdeel er nog ooit komt. Ik heb het wel, vind ik, uitputtend genoeg behandeld.'

Het volgende boek wordt in deel 3 toch maar vast aangekondigd: 'In voorbereiding: Da Vinci op de Veluwe. De tandeloze tijd 5 (roman).'

In deel 3 komt alles samen. Alle 'strengen' van de verhalen uit de andere delen vinden hier hun plaats. Als in een echte soapserie keren oude bekenden, zoals Alberts jeugdvrienden Thjum Schwantje en Flix Boezaardt, terug, en worden nieuwe, zoals Ernst Quispel - hoofdpersonage van Advocaat van de hanen - geïntroduceerd.

Voor het eerst brengt Van der Heijden ook zijn beide eigen alter ego's samen: de schrijver Patrick Gossaert alias Patrizio Canaponi (onder welk pseudoniem hij in 1978 Een gondel in de Herengracht en in 1979 De draaideur publiceerde) en Albert Egberts (ooit bedoeld als het pseudoniem waaronder Scharen zou moeten verschijnen).

Van der Heijden: 'Ik wilde destijds niet alleen verschillende karakters scheppen, maar ik dacht zelfs dat ik zover moest gaan dat ik verschillende schrijversgestalten kon creëren. Deze schrijversgestalten zijn nu als karakters verenigd in een boek van mij. Het waren tóen al karakters. Ik heb ze eindelijk bij elkaar gebracht. Dat is een daad van rechtvaardigheid, zou je kunnen zeggen.'

Rondom de ervaringen en belevenissen van deze personages ontspint zich een aantal afzonderlijke verhalen, zoals dat van de vermeende oudermoordenares Hennie A. uit Lummel, of de Napolitaanse kinderrover Gesù Porporà, of de guerrillagroep van oude mannen die de strijd met de jeugd aanbindt.

'Ik kan in dit derde deel wel tien kleinere romans aanwijzen die door elkaar gesneden zijn. Niet dat ik het ooit zo heb opgezet. Maar terugdenkend ziet dat er zo voor mij uit. Romans die parallel lopen, door elkaar heenlopen, die elkaar qua handeling aanvullen. Zo'n verhaal van Hennie A. had bijvoorbeeld een boek apart kunnen zijn. Dat is ook ooit mijn bedoeling geweest. Maar ik vond het toch spannender om het door elkaar heen te vlechten. Ik wil stemmen door elkaar horen, verhalen door elkaar weven.'

Dat is wat je 'schrijven in de breedte' zou kunnen noemen, analoog aan Albert Egberts' levensideaal: 'leven in de breedte' - een leven waarin een moment zo rijk gevuld wordt met associaties en herinneringen, dat de uiterlijke tijd wordt stilgezet.

'Ik hoopte dat het hele boek, de hele cyclus, de beste illustratie zou zijn bij wat je onder ''leven in de breedte'' kunt verstaan. Ooit had ik de gedachte het verhaal te laten eindigen op een terras op het Leidseplein, waar Albert zijn leven overziet. Bij de lezer zou dat de indruk moeten wekken: alles wat ik hiervoor gelezen heb, van de proloog tot het slot, heeft zich eigenlijk in één schier ondeelbaar moment afgespeeld. Dan zou de trilogie zèlf het ''leven in de breedte'' zijn geworden.

'Maar die ambitie heb ik laten varen. Ik heb er niet meer bewust naartoe gewerkt. Misschien zit het er nog wel in, maar ik durf er niet op te rekenen dat een lezer er dat ook uit zal halen.'

U wekt de indruk dat u èalles wilt vertellen.

'Ja. Ik herken dat als een oud verlangen in mezelf. Als jongen van zeventien nam ik me voor om ooit één boek te schrijven waar àlles in stond. Dat zou ik het liefst schrijven als ik twintig was, dan was ik er meteen vanaf en zou ik de rest van mijn dagen in een wit pak langs terrassen flaneren. De mensen zouden me naroepen: ''Je kùnt 't! Schrijf nou nòg eens zo'n boek'' En ik zou afwerend zeggen: ''Nee. Alles staat er al in''

'Dat idee om één boek te schrijven waar alles in staat heeft me nooit verlaten. Eigenlijk ben ik nog steeds aan het werken aan dat ene boek. . .

'Niet dat ik nu ineens alles aan elkaar wil praten, maar: in Het leven uit een dag heb ik bijvoorbeeld geprobeerd een soort sprookjesachtige uitleg te geven van wat ik bedoel met ''leven in de breedte'', dus dat zou je een satellietboek van de cyclus kunnen noemen. Van De Sandwich hebben mensen hetzelfde beweerd. En over Canaponi heb ik het al gehad. . .

'Het is altijd één boek geweest.'

Kost het niet steeds meer moeite terug te keren naar de jaren zeventig? Die raken immers steeds verder weg?

'Dat had ik niet voorzien. Ik had ook dit derde deel ergens begin jaren tachtig willen publiceren, en dan was het nog het recente verleden geweest.

'Maar het is toch ook weer niet zo dat het nu een historische roman is geworden.

'Wat ik desondanks per se wilde is, dat het het boek zou blijven van die jongen van 26 die dat ooit begonnen was. In de zomer van 1977 heb ik de eerste pagina's geschreven. Toen was ik nog net 25. Dit jaar word ik 45. Ik wilde dat dat boek van toen, dat in die jongen van 25 is opgekomen, niet verloren ging. Ik wilde hem wel mijn verworvenheden uitlenen, maar het moest zíjn verhaal blijven. De ''sneeuwnacht'' is neergeschreven nadat die Van der Heijden van 25 van toen net zo'n nacht achter de rug had. Er is veel bijverzonnen natuurlijk, maar de aantekeningen van toen heb ik gehandhaafd.'

Het bijna autobiografische en kroniekachtige karakter van de cyclus nodigt er erg toe uit dat mensen zich gaan herkennen.

'Ze zijn zelfs in Eindhoven en Geldrop gaan speuren naar de mens achter het romanpersonage. Maar dan kom je verkeerd uit. Een voormalige vriend van mij liet zich zelfs interviewen als ''Flix''. Terwijl er maar een paar karaktertrekjes, een paar feitjes ontleend waren aan die man, feitjes die ik aan Flix heb uitgedeeld.'

Aan het begin van 'Asbestemming', het requiem voor uw overleden vader, beschrijft u heel herkenbaar, bijna met naam en toenaam, hoe iemand u op het terras van café De Zwart een klap geeft. Dat wekt de indruk van een afrekening op papier.

'Ik kon het goed gebruiken, compositorisch.'

Had u er plezier in om op die manier terug te slaan? Was het een vorm van terugslaan?

'Ja, waarom ook niet? En dan terugslaan niet in een privé-kwestie. In die ene klap heb ik laten doorklinken wat het vervelende is voor een schrijver die vaak op het realiteitsgehalte van zijn romans wordt aangesproken. Mensen denken maar alles tegen je te kunnen zeggen. Toevallig was dit nou een klap, maar ik heb nogal wat agressie ontmoet in de loop van de jaren. Van mensen die zichzelf menen te herkennen, of de buurman. Elke schrijver krijgt vroeg of laat zoiemand achter zich aan die hem dat verwijt gaat maken.

'Als ik wraak heb genomen, is het wraak geweest op het totale gezeur dat je hebt. Dat je werk altijd maar weer met de werkelijke wereld geassocieerd wordt. Terwijl: waar ben je nou mee bezig? Je bent bezig een geschiedenis los te weken van de materiële werkelijkheid en er een boek van te maken, het te vertalen in letters, zinnen, een papieren wereld, een heel doorschijnende losgeweekte wereld. Maar ze blijven altijd zeuren over het werkelijkheidsgehalte daarachter.

'Ondanks kloppende plaatsen en tijden moet je die Tandeloze tijd als heel fictief beschouwen.'

MAAR ZO eenvoudig komen we er óók weer niet vanaf. Sommige fictie blijkt namelijk wel historisch bedoeld. Als bijvoorbeeld Patrizio Canaponi, staand aan het graf van een niet bij naam genoemde schrijver, een stille grafrede houdt, mogen we in plaats van Canaponi Van der Heijden lezen, en voor de dode schrijver Frans Kellendonk. Want dat is echt bedoeld als een kleine persoonlijke hommage.

Als schrijver hield ik, op een bijna naijverige manier, van de consequentheid en de ambachtelijkheid van je schrijverschap. (. . .) Als (die) competitie ons nu niet meer gegeven is, dan blijft. . . nee, niet het voornemen, maar de zekerheid, sterker nog: het onontkoombare gegeven dat na deze begrafenis door mij geen vrijblijvende schrijverij meer bedreven kan worden.

(Uit: Onder het plaveisel het moeras)

Van der Heijden: 'Ik had bij Frans Kellendonk heel sterk dat competitieve gevoel. Als ik bij hem een mooie alinea las, of een ware alinea, dan had ik zoiets van ''Hee'' Dat prikkelde. Dan zei een stemmetje: ''Hee, Van der Heijden, nou jij weer''

'Dat is geen afgunst. Afgunst is iets onvruchtbaars. Afgunst stinkt. Maar competitie is in orde, is iets wat de literatuur in stand houdt. Ik mis Kellendonk als een grote collega met wie ik de competitie kan aangaan.

'Ik moet ooit in naïeve jeugddromen de indruk hebben gehad dat de wereld van de literatuur mij de communicatie zou geven die ik in mijn gewone leven miste. Als de wereld van boeken en het schrijven, en van de schrijvers zich zou ontsluiten, dan zou ik wat te praten hebben. Dàt is nou wat zo tegenvalt.

'Dat zit me dwars. Maar meer in algemene zin. Literatuur is een grote vergaarbak geworden, waarin alles maar wordt toegelaten. Het is droevig dat noodlijdende uitgeverijen maar boeken van ongetalenteerde mensen op de markt pompen. Driekwart bestaat uit on-talenten, die uitsluitend gepubliceerd worden om de prospectussen van de uitgevers in te lossen.

'Het is alsof je als schrijver in hun vieze badwater stapt.'

A.F.Th. van der Heijden: Het Hof van Barmhartigheid en Onder het plaveisel het moeras (deel 3 van de cyclus De tandeloze tijd). Vanaf 22 juni in de winkel. Querido, per boek ¿ 57,50 (paperback) of ¿ 72,50 (gebonden).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden