Het vergeten tribunaal van Tokio

Vijftig jaar geleden werd vonnis gewezen tegen de Japanse hoofdrolspelers in de Tweede Wereldoorlog. Maar meteen na voltrekking van zeven doodvonnissen begon het grote zwijgen....

'DIT ZAL het grootste proces zijn in de geschiedenis van de mensheid', pochte de Amerikaanse aanklager Joseph Keenan bij het begin van het tribunaal van Tokio in mei 1946. En dat werd het inderdaad. Van de processen in Neurenberg en Tokio was het laatste niet alleen het moeilijkste, het was ook het omvangrijkste. 'Tokio' zou tevens gedurende decennia de laatste krachtsinspanning blijken te zijn van de internationale rechtspraak. Pas 45 jaar later riep de Veiligheidsraad van de VN een nieuw internationaal tribunaal bijeen, na de oorlog in voormalig Joegoslavië.

In de herinnering leefde en leeft het Tokio-tribunaal nog nauwelijks voort. Een 'populair' proces was het nooit geweest. Het leidde niet tot het verschijnen van spannende speelfilms of meeslepende boeken. 'Tokio' was een proces dat de betrokkenen schijnbaar zo snel mogelijk wilden vergeten. Bij vrijwel ieder van hen leefde, om uiteenlopende redenen, het gevoel dat het tribunaal niet helemaal 'klopte'. Dat het nooit had kunnen tippen aan het imponerende drama dat was opgevoerd in Neurenberg.

Tokio imponeerde vooral door zijn omvang. Toen het tribunaal begin november 1948 zijn laatste zitting hield, waren er 27 verdachten berecht en 419 getuigen gehoord. Het gedrukte vonnis telde ruim elfhonderd pagina's. Het complete proces-verbaal omvatte juist geen vijftigduizend bladzijden. De filmopnamen van het tribunaal bestonden uit dertigduizend rollen. Pas na tientallen jaren verschenen de processtukken in druk. En slaagde de Japanse regisseur Masaki Kobayashi erin uit het filmmateriaal een documentaire samen te stellen.

Dat de aanstichters van de Tweede Wereldoorlog terecht zouden staan, was aanvankelijk geen uitgemaakte zaak. Aan het einde van de oorlog wilden de Britten de verantwoordelijken in Duitsland en Japan liefst elimineren. 'De grootste misdadigers pakken, die op een ochtend zonder waarschuwing doodschieten en dan aan de wereld bekendmaken dat ze dood zijn.' Maar vooral de Amerikanen verzetten zich daartegen. Dus verklaarden de Grote Vier in Potsdam in juli 1945: 'Het is niet onze bedoeling dat de Japanners als ras tot slavernij zullen worden gebracht of als natie vernietigd worden, maar er zal streng recht worden gesproken over al hun oorlogsmisdaden, met inbegrip van wreedheden die jegens onze gevangenen zijn begaan.'

Op 3 mei 1946 verklaarde het 'Internationale Militaire Tribunaal voor het Verre Oosten' zich voor geopend. In een artikel dat Time eraan wijdde, maakte het Amerikaanse weekblad de voor de hand liggende vergelijking met het tribunaal van Neurenberg, dat zes maanden eerder was begonnen en zes maanden daarna zou eindigen. 'De impresario's van Neurenberg hebben een eenvoudige aankleding gekozen. Het is de verhevenheid van het idee dat de toon moet zetten. Maar de rechtszaal van Tokio met haar filmlampen suggereert nog het meest een première in Holywood. En de praktijk van het tribunaal doet vooralsnog denken aan een derderangs reisgezelschap dat een voorstelling van de Neurenberg-show mag geven.'

Op die dag in mei zaten 28 Japanners in de beklaagdenbank, allen hoge officieren en ministers uit de periode van bijna achttien jaar dat Japan in China, Korea, Indië en andere landen oorlog had gevoerd. De bekendste beklaagde was generaal Tojo, die in 1941 de aanval op Pearl Harbour had geleid, waardoor de Verenigde Staten bij de wereldoorlog betrokken raakten. Tegenover hen zaten elf rechters en elf aanklagers, uit evenzovele landen. Ieder van hen had het voorbeeld van het Tribunaal van Neurenberg duidelijk voor ogen.

Dat bleek gaandeweg een belangrijk obstakel voor een goede rechtsgang. De aanklagers probeerden, net als in Neurenberg, steeds maar een 'samenzwering tegen de vrede' aan te tonen. Maar zo had de Japanse politiek niet gewerkt. Verscheidene verdachten hadden elkaar voor het proces zelfs nooit ontmoet. Ze hadden hun eigen belangen nagestreefd, met militaire en diplomatieke middelen. En ze hadden zich bij elke beslissing verscholen achter de uiteindelijke goddelijke wens van de keizer.

Een van de weinige deelnemers die zich dat van meet af realiseerden, was de 39-jarige Bert Röling, het Nederlandse lid van het college van rechters. Hij liet al tijdens het proces zijn twijfels merken. Veel uitgesprokener deed hij dat zo'n dertig jaar later, toen Antonio Cassese, nu president van het Joegoslavië-tribunaal, hem een lang interview afnam.

'Er was geen sprake van overeenkomst tussen de processen van Neurenberg en Tokio', zei Röling tegen Cassese. 'De Japanse beklaagden hadden helemaal geen slecht geweten. Misschien kan ik het verschil het best uitleggen met Shakespeare's Macbeth. Nadat Macbeth zijn koning heeft gedood, is hij niet in staat de last van zijn geweten te dragen. In zo'n situatie kun je je schuld toegeven of je kunt je geweten doden. Dat laatste doet Macbeth, door meer misdaden te begaan, zinloze misdaden, zoals het vermoorden van kinderen en vrouwen, alleen om zichzelf te harden.

'Macbeth reageerde zoals de SS'ers het deden. Dat waren schoften die nutteloos moordden. Zo niet de Japanse leiders. Die hadden geen ontzag voor mogelijke slachtoffers, want als ze een doel hadden, dan deden ze alles om het te bereiken. Maar ze waren geen sadisten, ze waren er niet op uit te moorden om het moorden. Gedurende de oorlog werd elke ochtend aan de troepen voorgelezen hoe ze zich moesten gedragen: wees fatsoenlijk tegen de bevolking en als je de overwinnaar bent, wees mild voor je vijand.'

Röling had zich in Japan verdiept. Hij had als eerste deelnemer van het tribunaal de heilige berg Fuji beklommen. Hij speelde in Tokio viool in een strijkkwartet met Japanners. Maar met zijn visie op het Japanse apparaat stond Röling nogal geïsoleerd. De president van het tribunaal, de Australiër Sir William Webb, was al bij de opening van het proces vijandig. Hij beloofde weliswaar een rechtspraak 'zonder vrees, voorkeur of partijdigheid', maar liet duidelijk voelen dat hij de beklaagden als zware misdadigers tegemoet trad. Webbs optreden was vaak zo bruusk, dat Röling zich op een gegeven moment afvroeg 'of Webb nu een stommeling of een schoft was'.

Mildheid was evenmin een karaktertrek van de Amerikaanse aanklager Joseph Keenan. Hij was een politieke benoeming: een doortastend maffiabestrijder in Chicago die president Truman liever ver weg wilde hebben. Keenan, die naar verluidt soms dronken in de rechtszaal verscheen, was verre van een eersterangs jurist en Röling meende dat hij niet was opgewassen tegen zijn taak. Alweer verloor Tokio het daarmee op punten van Neurenberg, waar de Amerikaanse aanklager, Robert Jackson, tevoorschijn was gekomen als een man met groot overwicht en charisma.

Toch leverde het koppel Webb-Keenan enig vuurwerk, door een cruciaal verschil van mening. Webb was van oordeel dat de Japanse keizer Hirohito persoonlijk moest worden aangeklaagd. Keenan was daar mordicus tegen, op uitdrukkelijke instructie van de Amerikaanse overheid. In de documentaire van Kobayashi is te zien hoe Keenan in de rechtszaal, weinig subtiel maar effectief, generaal Tojo stap voor stap tot de getuigenis brengt dat de keizer van alle verantwoordelijkheid moet worden vrijgepleit. Het dilemma bleef echter over het hele proces een schaduw werpen. Pas in januari 1948 gaf een bevel van generaal MacArthur de doorslag: de keizer mocht niet worden aangeklaagd.

Het Nederlandse aandeel in de aanklachten kwam in een laat stadium aan de orde. Het was geheel gebaseerd op de wreedheden die door de Japanners waren begaan in Indië. De Nederlandse aanklager, W. Borgerhoff Mulder, maakte daarbij geen grote indruk. Zijn gebrekkige kennis van het Engels was een handicap. Borgerhoff Mulder wilde allereerst aantonen dat de Japanners het Indische streven naar onafhankelijkheid hadden aangewakkerd om 'na de oorlog vaste voet in Indië te kunnen behouden'. Daarvoor kon hij niet veel bewijs leveren.

Meer succes had hij met betrekking tot de Japanse misdaden tegen de menselijkheid. Hij memoreerde de terechtstelling van krijgsgevangenen, het voedselgebrek in de kampen, de scheiding van gezinnen, de gedwongen prostitutie van de 'troostmeisjes'. Het waren ernstige feiten, met veel documentatie onderbouwd. Maar toen de aanklacht eenmaal was ingebracht, speelden de Nederlanders en hun zaak verder geen rol van betekenis meer in het tribunaal. De verdediging ging er nauwelijks op in.

Na ruim anderhalf jaar trokken de rechters zich zeven maanden terug voor beraad. President Webb had ten slotte nog een week nodig om het vonnis toe te lichten. Niemand werd vrijgesproken. Zeven beklaagden, onder wie generaal Tojo, werden veroordeeld tot de dood door ophanging. Ter vergelijking: in Neurenberg hadden van de 24 beklaagden er 12 de doodstraf gekregen. Zestien verdachten kregen levenslange gevangenisstraf, twee andere kregen kortere gevangenisstraffen. Twee verdachten waren gedurende het proces overleden.

De laatste verdachte in Tokio, de ultra-rechtse propagandist Okawa Shumei, had zich aan de rechtspraak kunnen onttrekken. Op de eerste dag van het proces al had hij de man vóór hem in de beklaagdenbank, generaal Tojo, op het hoofd geslagen - alweer een prachtig beeld uit Kobayashi's documentaire. Hij was afgevoerd en onder psychiatrische behandeling gesteld. Röling bleef twijfelen of Shumei niet krankzinnigheid had voorgewend om aan zijn straf te ontkomen.

Bij het vonnis kreeg iedere rechter de gelegenheid het eigen standpunt toe te lichten. De verschillen van mening bleken er niet om te liegen. De verklaring van president Webb was nog het meest verbazingwekkend: hij was tegen doodstraffen geweest, want als de keizer verantwoordelijk was en niet werd aangeklaagd, dan konden de anderen niet worden opgehangen. De Franse rechter wilde helemaal geen verantwoordelijkheid dragen: 'Een vonnis dat door een tribunaal wordt geveld na een gebrekkige procedure kan geen geldig vonnis zijn'. De Filipijnse rechter, zelf overlevende van een Japanse 'dodenmars', vond gevangenisstraffen te mild voor alle beklaagden. Recht daartegenover stond de Indiase rechter: hij wilde algehele vrijspraak. Volgens hem was de aanklacht van de 'aanvalsoorlog' een pure fictie: oorlog komt altijd van twee kanten.

Rölings genuanceerde 'dissidente mening' werd in juridische kringen het meest gewaardeerd. Hij vond dat er geen sprake was van een 'van hoger hand georganiseerde gemeenheid zoals die in Neurenberg was gebleken'. Misdaden tegen de vrede, zei hij, waren vóór de oorlog geen misdrijven en daarom kon niemand ervoor worden berecht. Oorlogsmisdaden telden wel. Röling vond een van de doodstraffen (die voor de enige burger) onterecht. Drie beklaagden hadden volgens hem voor hun oorlogsmisdaden de doodstraf moeten krijgen in plaats van gevangenisstraf.

De zeven executies werden meteen na middernacht op 23 december voltrokken. Direct daarna begon het grote zwijgen over het tribunaal van Tokio. Onenigheid onder de rechters, twijfel of de juiste personen waren berecht, een opdracht die een slecht passend keurslijf bleek: het waren geen ingrediënten voor een succesverhaal. Pas in 1977 lieten twee Nederlanders, Röling en de strafrechtsdeskundige Frits Rüter, de processtukken integraal in druk verschijnen. In 1984 voltooide Kobayashi zijn documentaire, een project waarvoor hij vijf jaar nodig had gehad.

In 1989 ging de historicus Van Poelgeest na wat Nederland aan het tribunaal nu eigenlijk had bijgedragen. Niet veel, was zijn conclusie. De Nederlandse regering had er zich nauwelijks mee bemoeid. En van een later effect van het tribunaal op de Nederlandse beeldvorming over de Japanse oorlog was al helemaal niets te bespeuren.

Bert Röling ging na het tribunaal in de diplomatie, maar kreeg weldra ruzie met Buitenlandse Zaken. Hij zette vervolgens in Groningen een instituut voor vredesvraagstukken op. In 1973 werd hem de post van staatssecretaris van Buitenlandse Zaken aangeboden. Maar hij weigerde en citeerde Goethe: 'Alleen wie aan de kant staat, kan zijn geweten zuiver houden.'

Nog één zaak leidde tot een korte opleving in de publieke belangstelling. In de jaren zeventig kwam aan het licht dat de Japanse leiding wel degelijk opdracht had verstrekt tot een regelrechte oorlogsmisdaad. Ze had biologische wapens uitgeprobeerd op Chinese gevangenen; tweeduizend van hen zouden bij die experimenten zijn gestorven. De verantwoordelijken hadden van de Amerikanen immuniteit gekregen op voorwaarde dat ze al hun informatie zouden overdragen.

Röling meende dat dat gegeven het tribunaal zeker had kunnen beïnvloeden. 'Het was informatie die de Amerikanen opzettelijk aan het tribunaal onthielden. Slechts eenmaal dook het op in het proces. Toen zei de president: ''Wat is dat voor een verhaal? Het komt helemaal niet in de aanklacht voor.'' Blijkbaar was het een foutje van de aanklager.'

Antonio Cassese noemde Röling na diens dood 'het meest gevoelige geweten' van het tribunaal. Aan Cassese is nu de opdracht dat geweten in ere te houden. Als president van het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag leidt hij de eerste 'opvolger' van Neurenberg en Tokio.

Er zijn overeenkomsten tussen toen en nu. Opnieuw staan misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven terecht, volgens bijna precies dezelfde definities als indertijd. Verschillen zijn er ook. Waar de processen van Neurenberg en Tokio nog als 'overwinnaarsjustitie' konden worden gebrandmerkt, is het nu echt de internationale gemeenschap die het vonnis velt. Het Joegoslavië- en het Rwanda-tribunaal zullen geen doodstraffen uitspreken.

En nog een verschil: 'agressie' is geen punt van berechting. Over dat besluit heeft Röling zich mogelijk in zijn graf omgedraaid. Weliswaar was hij het die, in Tokio, technisch gesproken agressie nog geen rechtsgrond vond, maar sindsdien had hij er als geen ander voor gepleit dat er wél van te maken: 'Wie een oorlog begint, weet dat er duizenden of zelfs miljoenen mensen zullen sterven. Er is geen grotere misdaad denkbaar.'

De belangrijkste les van Tokio heeft Cassese ook ter harte genomen: een tribunaal heeft uiteindelijk pas echt betekenis als de publieke opinie de uitslag ervan ter harte neemt. 'De gerechtigheid moet niet alleen worden voltrokken, ze moet ook zichtbaar worden voltrokken', verklaarde Cassese bij zijn aantreden. Vandaar dat het Joegoslavië-tribunaal nu dagelijks door honderd belangstellenden te volgen is, achter een ruit zo groot als de hele zaal. Vandaar ook de ruime toegang voor de media en de bereidheid van Cassese en andere betrokkenen om ins en outs telkens weer toe te lichten. Het Joegoslavië-tribunaal is een internationale attractie. Dertigduizend filmrollen konden - vijftig jaar geleden en nadien - de zichtbaarheid van het Tokio-tribunaal niet garanderen.

Kobayashi's documentaire The Tokyo Trial wordt in Nederland vertoond tijdens het Amnesty Filmfestival, op 17 september, van 12.00-18.00 uur in Calypso, Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.