Het verdriet van de ommetjesmaker

Stadswandelaars lopen stelselmatig vast op trottoirs, afgesloten achterommetjes of geparkeerde auto's.

De A1 is onverbiddelijk.

Het wandelingetje langs de Ugchelse beek bij Apeldoorn vindt een abrupt einde als talud en geluidsscherm dreigend boven ons uit torenen. De beek zelf welt te voorschijn uit een stevige betonnen onderdoorgang, maar voor de ommetjesmaker is hier de weg afgesneden. 'Een prima passage voor de otter', schampert Jan Erik Burger. 'Helaas te laag voor de wandelaar.'

De otter heeft hier aan de rand van de Veluwe bar weinig te zoeken, maar elders in Nederland wordt wel met man en macht gewerkt om het biotoop van het uitgestorven en inmiddels weer uitgezette roofdier te herstellen, inclusief verbindingszones tussen geschikte woonplaatsen.

De lopende mens daarentegen wordt aan zijn lot overgelaten, vindt Burger, hoofdredacteur van wandeltijdschrift Op lemen Voeten. Zeker, er zijn tal van voorzieningen voor de hard-core wandelaar, maar wie gewoon een ommetje wil maken, moet zich vaak in rare bochten wringen. Of zoals langs de Ugchelse beek, op zijn schreden terugkeren.

De ene ommetjesmaker loopt meermalen per dag, de ander alleen als de zondagmiddag zich eindeloos dreigt voort te slepen, maar zolang we niet bedlegerig zijn, geven we ons er allemaal wel eens aan over. Ook wel bekend als de frisse neus halen, de hond uitlaten of het blokje om.

Burger heeft zich het lot aangetrokken van deze omvangrijke doelgroep. 'Negentig procent van de bevolking is een ommetjesmaker.' Hijzelf ook, zeker sinds zijn nu 3-jarige zoon hem noopt vooral zijn eigen wandelomgeving te exploreren.

Maar soms is een doelgroep zo omvangrijk dat hij over het hoofd wordt gezien. Ondanks de grote aantallen gaat het de ommetjesmaker niet voor de wind, schrijven Burger en mede-auteur Theo de Bruin in het rapport Ruimte voor de wandelaar, dat eind oktober uitkwam. Zijn wandelhabitat zit in de verdrukking.

Vorige week organiseerde Burger een symposium om de noden van de eenvoudige wandelaar onder de aandacht te brengen. Dat werd besloten met een klinkend Manifest. Daarin roepen de ANWB en tal van organisaties op het gebied van de gezondheidszorg - wandelen en gezondheid gaan tegenwoordig hand in hand - bouwers, bestuurders en autoriteiten in Nederland op, lef, daadkracht en inventiviteit te tonen om het leed van de frisseneus-haler te verzachten.

Probleem is vooral dat de ommetjesmaker - in het rapport gedefinieerd als een wandelaar die een halfuur tot een uur op stap is en maximaal 3 à 4 kilometer aflegt - geen samenhangend wandelnetwerk meer vindt.

De ommetjesmaker loopt te midden van druk verkeer, over saaie trottoirs, die om de haverklap zijn onderbroken door kruisende wegen; hij moet spoorzoeken tussen de geparkeerde auto's; achterommetjes zijn afgesloten, paden sluiten niet op elkaar aan. Aan de rand van stad of dorp verhinderen sloten, sportparken, snelwegen en hekken dat de wandelaar het buitengebied in kan, als dat al ontsloten is. Meestal houdt bij de rondweg alles op en moet de wandelaar rechtsomkeert maken.

Volgens de auteur van Ruimte voor de wandelaar is de ommetjesmaker zeker niet aan een groene omgeving gebonden. Ook in de stad voelt hij zich prima thuis. Bijvoorbeeld in autovrije gebieden, langs kades, op oude stadswallen of bijvoorbeeld in het winkelhart van Apeldoorn, tussen McDonald's en C en A.

Daar is een oude beek over een lengte van zo'n 150 meter in ere hersteld. 'Hier laat Apeldoorn zien hoe je de voorzienigen voor de wandelaar kunt verbeteren.'

Weliswaar volgt het water een nogal stenige bedding en is de kaarsrechte beekloop omzoomd door schriele boompjes, toch is dit door de bruggetjes, de bankjes en de brede wandelstrook volgens Burger een plek waar een wandelaar even kan verpozen en kinderen rond het water kunnen klooien, zonder dat auto's en fietsers ze van de sokken rijden. Een plek waar de ommetjemaker even heer en meester is.

Dat laatste is belangrijk. In zijn rapport schetst Burger de ideale wandelomgeving. De ruggengraat daarvan bestaat uit 'wandelalleeën' - groen dan wel stenig - van bij voorkeur zo'n dertig meter breed om invloeden van buitenaf te ontlopen. Deze alleeën dooraderen stad of dorp en sluiten aan op wandelpaden buiten de bebouwde kom.

De maaswijdte moet ongeveer een kilometer bedragen zodat iedereen op een afstand van maximaal vijfhonderd meter woont. Anders pakken mensen in arren moede de auto of de fiets. In de wijk lopen vervolgens de 'haarvaten van de wandelruimte', de kleinere wandelpaden, achterommetjes en steegjes, die de wandelaar door de wijk en naar de grotere alleeën voeren.

Het plezier in wandelen wordt vergroot als er speciale doelen in het netwerk zijn opgenomen, een pluspakket met kinderboerderij, café, bankjes, bijzondere bomen of kunstwerken, maar het belangrijkste is de verbondenheid. 'De wandeling is zo sterk als de ontbrekende schakel. Een wandelaar is sterk visueel ingesteld. Uit onderzoek blijkt dat hij afhaakt als hij een paar honderd meter lelijke omgeving op zijn pad vindt.'

Volgens Burger is de wandelaar door Nederlandse stedebouwkundigen stelselmatig over het hoofd gezien. Voorbeelden in het buitenland leren dat het wel degelijk mogelijk is de ommetjesmaker meer eigen ruimte te geven die niet stelselmatig afkalft door nieuwe fietspaden, terrassen of parkeerplaatsen.

Genève boekte succes met het verbinden van wandelroutes tot een samenhangend netwerk, en in San Sebastián kwam de stad weer in handen van de voetganger door het autoverkeer te weren. Maar ook het tientallen kilometer lange wandelpad in Londen langs de zuidoever van de Theems kan volgens Burger als goed voorbeeld voor Nederland dienen.

Toch is het niet overal even beroerd gesteld. Apeldoorn is volgens Burger op de goede weg. Geprobeerd wordt de oude beeklopen te herstellen en de oevers weer toegankelijk te maken. Zo kan op termijn een netwerk van wandelpaden ontstaan dat de stad uit leidt en volkomen losstaat van de bestaande infrastructuur.

Bij nieuwbouw liggen de mogelijkheden voor het oprapen, denkt ook Carel de Reus van Johan Matser Projectontwikkeling, spreker op het symposium 'Ruimte voor de wandelaar'. 'Bij nieuwbouwprojecten en herstructurering in binnensteden staat er vaak een grote post infrastructuur op de begroting. Het is vooral de uitdaging om niet alleen een functioneel, maar ook een plezierig ontwerp te maken. Dat hoeft niets extra te kosten.'

De inpassing in de omgeving is van groot belang, aldus De Reus. Bijvoorbeeld door aansluiting te realiseren met groenstructuren rondom het project of om die door te laten lopen in het nieuwe ontwerp. 'Niet alleen de gebouwen zijn relevant, maar de omgeving ervan is zeker zo belangrijk voor het welzijn van de bewoners of gebruikers. Als de kwaliteit van de omgeving hoog is, dan is de verhuur-of verkoopbaarheid beter. Zo profiteren wij er ook van.'

En de wandelaar? Gaat die vaker een ommetje maken als de wandelpaden zich aaneenrijgen? Burger: 'De ervaringen in Genève en Portland wijzen in die richting, als de omgeving maar aantrekkelijk is om te wandelen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden