‘Het verdriet om wat weg, is zal altijd blijven'

De in Somalië geboren schrijfster Yasmine Allas (43) voelde zich na de moord op Theo van Gogh voor het eerst sinds haar komst naar Nederland ontheemd....

Het begon met drie hervonden cassettebandjes: heimwee naar Somalië. De groep Waaberi, populair in de jaren zestig en zeventig, op het hoogste volume; Yasmine Allas in haar eentje op de bank in Amsterdam, huilend, niet te stoppen.

Het is eind 2004, Theo van Gogh is net vermoord en Nederland is op drift, want 11 september is eraan voorafgegaan, en de moord op Pim Fortuyn. Het is wij en zij en zij en wij, althans: die woorden echoën voortdurend in haar hoofd. Voor het eerst sinds ze in Nederland woont, 1987, heeft Allas het gevoel antwoord te moeten geven op de vraag: wie ben ik, bij wie hoor ik thuis? Dat ze moet kiezen tussen haar geboorteland en Nederland.

Yasmine Allas nu: ‘Tot eind 2004 had het verleden geen betekenis voor me. Ik was niet met mijn geboorteland bezig, niet met mijn volk, niet met de taal. Nederland was mijn land, Amsterdam was mijn stad. Mijn toekomst lag hier.’

Welke herinneringen kwamen er boven toen je naar die bandjes luisterde? ‘Herinneringen van vreugde. Die had ik niet meer gehad sinds ik uit Somalië was vertrokken. Het was altijd: ellende, een volk dat elkaar uitmoordt. En opeens, terwijl ik naar de muziek uit mijn jeugd luisterde, zag ik mijn oma, zittend op de binnenplaats, mijn tante die een Engels kasteelromannetje voorlas, de theatervoorstellingen waar ik in mijn eentje naartoe ging. Zo begon het verlangen. Ik wilde niets meer met Nederland te maken hebben, ik zat alleen maar thuis, als een zombie voor het raam, of ik lag huilend op de bank. Ik wist dat Somalië door de burgeroorlogen totaal kapot was, maar in mijn hoofd kon ik bouwen en bouwen, tot het hele land weer compleet was, zoals ik het wilde zien. En naar dat land wilde ik terug.’

In die tijd was Paul Rosenmöller bezig met eens tv-serie over Afrika. Hij belde jou. ‘Maar niet met de vraag of ik met hem terug wilde gaan. Hij wilde een afspraak maken. Ik herinner me die dag nog precies. We zouden elkaar om zeven uur ’s avonds treffen in het Amstelhotel. Ik had de hele dag op bed gelegen, kwam, zoals altijd, te laat en nog voor ik ging zitten, zei ik: ‘Ik ga alleen met je in gesprek als je me meeneemt naar Somalië en me daar gaat filmen.’’ Ze lacht. ‘Ik was een ongeleid projectiel. Ik was eigenlijk ook helemaal niet bezig met het portret dat Rosenmöller van me zou maken. De camera’s, het interview, dat was allemaal bijzaak. Ik ging terug.’

Had je enig idee wat je in Somalië wilde gaan doen? Ze veert op: ‘Hoezo doen? Ik ging naar huis!’

Dan land je een paar maanden later op het vliegveld in Hargeisa, de stad waar je bent opgegroeid. ‘En zegt Paul vlak voor de wielen de grond raken: ‘Nu ben jij onze gids.’ Het was alsof het dak naar beneden viel. Ik dacht: wat heb je gedaan, Yasmine? Ik was emotioneel labiel, een patiënt die genezing zocht, ik was niet in staat een cameraploeg op sleeptouw te nemen.’

Toen ze uit het vliegtuig stapte, was het eerste dat ze hoorde: ‘Kijk, die blanken hebben een Aziatische hoer meegenomen.’ Allas, ontstemd: ‘Mijn eigen volk had me niet eens als landgenoot herkend. Terwijl je ergens toch de romantische hoop hebt dat je met open armen wordt ontvangen: onze verloren dochter is thuis.’

Een ochtend vlak na Kerst, op het kantoor van uitgeverij De Bezige Bij. Over een paar weken zal hier het eerste exemplaar van haar nieuwe roman worden gepresenteerd. In Een nagelaten verhaal keert een schrijfster na 23 jaar terug naar het geboorteland dat ze ontvluchtte, om te ontdekken dat niets meer is zoals het vroeger was.

Ja, beaamt Yasmine Allas, dat doet denken aan haar eigen geschiedenis. Maar: ‘Het boek is niet één op één autobiografisch.’ Dan: ‘Ik hoop niet dat je me gaat vragen hoe ik naar Nederland ben gekomen. Mijn God, ik woon al meer dan twintig jaar hier, dat ligt echt te ver achter me.’

Haar leven in grote stappen: geboren in een gezin van zeven kinderen. Haar vader, militair, sterft eind jaren zeventig als Yasmine bijna 12 is. Zij, de oudste dochter, wil actrice worden, maar dat is uitgesloten – een actrice is in Somalië van bedenkelijk allooi. Al jong beseft ze: als vrouw valt er in dit land niet veel te halen. Ze verlaat Somalië midden jaren tachtig en komt na een aantal omzwervingen naar Nederland. Daar ontmoet ze, vlak na haar komst al, de man met wie ze zal trouwen en nu nog samen is, een leraar Nederlands.

Ze neemt taallessen, vindt in Amsterdam aansluiting bij de toneelwereld, acteert onder meer bij het gezelschap De Trust. Als ze daar een toneeltekst schrijft, zegt iemand: ‘Je moet gaan schrijven.’

Haar eerste roman, Idil, een meisje, verschijnt in 1997. Haar vierde, Een nagelaten verhaal, is onlangs verschenen.

Torretje, zoals de hoofdpersoon in Een nagelaten verhaal wordt genoemd, gaat terug naar haar geboorteland en herkent niets meer uit haar jeugd. Haar ouders leven niet meer, het huis waar ze gewoond heeft is onvindbaar, er is geen spoor van andere familieleden of bekenden. Tot zover is dat jouw verhaal. ‘Ik had wat dat betreft inderdaad net zo goed met de ploeg naar Rusland kunnen gaan.’

Hoe reageerden de Somaliërs op jouw komst? ‘Vijandig. ik voelde me verschrikkelijk onveilig. De eerste dag kwam er een meute mensen op ons af, en de dingen die ze riepen, waren niet leuk. Ik deugde niet omdat ik als Somaliër een Europees paspoort had, ik had niets in hun land te zoeken.’

Heb je toen niet gedacht: had ik maar iemand meegenomen die ik beter ken dan Paul Rosenmöller en zijn cameraploeg? ‘Absoluut.’

Wie? ‘Dat weet ik niet. Iemand die begreep wat er in mijn hoofd omging, iemand aan wie ik me kon geven, op wiens handen ik mijn ziel kon leggen en me niet groot hoefde te houden.’

Je man, bijvoorbeeld. ‘Nee, zo denk ik nooit. Het hoeft niet per se mijn man te zijn. Het kan ook een vriend zijn, of mijn zus. Misschien wel een ding. Een robot die zijn armen om me heen slaat. Zoiets.’

Ze was een week in Hargeisa. Overdag vermande ze zich, deed ze haar best te bedenken waar ze de cameraploeg mee naartoe kon nemen. Naar het oude ziekenhuis, waar haar ouders verliefd op elkaar waren geworden. Naar het theater, waar ze als jong meisje voorstellingen bezocht, dromend van een leven als actrice. ‘Er stond alleen nog een ruïne.’

In haar hotelkamer was het niets dan verdriet om een verloren jeugd. ‘Ik had mij in Nederland de vraag gesteld: wie ben jij? Met die vraag ben ik, dat werd me pas in Somalië duidelijk, teruggegaan. Want om te weten wie je bent, moet je terug naar je jeugd. Naar je ouders, want die zijn bepalend voor hoe je verdere leven eruit ziet.’

Maar er was niks dat je aan hen deed herinneren. ‘Ja, wrijf het er maar lekker in. Dat was ook het ondraaglijke.’

De derde nacht had ze zo genoeg van het huilen dat ze zichzelf heeft opgeraapt. ‘Ik heb de balkondeuren geopend, en kijkend naar de Somalische sterrenhemel – de mooiste die er is – kwam ik tot rust. Ik dacht: stel je voor dat er nu een oude bekende mijn hotelkamer binnenloopt, liefst een oude man, die me de gelegenheid geeft om, zonder camera en terwijl de stad slaapt, alle plekken te bezoeken uit mijn jeugd. Oh! Dat was zo’n bevrijdende gedachte. Ik heb mijn notitieboekje gepakt en ben gaan schrijven. De rest van de week heb ik volgehouden door het verlangen naar die nachtelijke tochten hoog te houden. Je kunt zeggen: daar ligt de kiem van deze roman.’

Je hebt een paar ontmoetingen gehad die in het programma te zien waren. Een daarvan, in een ziekenhuis, was met een meisje van 13 dat net een kind heeft gekregen. ‘Dat is van alle ontmoetingen de indrukwekkendste geweest. Ik kwam meteen weer in een wereld die ik zo verafschuw. Een wereld waarin een vrouw niets waard is.’

De moeder van dat meisje staat naast haar bed en vertelt dat de neef van het meisje de vader van het kind is. Boos: ‘Dat was helemaal niet haar neef, dat was haar oom! Maar omdat het een minder grote schande is voor de familie als het een neef is, wordt de waarheid verdraaid.’ Dan: ‘Ik denk niet dat het meisje nog leeft. Het was in de uitzending niet te zien, maar ze had een keizersnede gehad. Ze had een wond van zij tot zij die niet was gehecht, omdat ze tijdens de operatie een infectie had opgelopen.’

Kon je iets voor haar doen? ‘Ik heb met de moeder van dat meisje gesproken, en met de andere vrouwen rond haar bed. Die vrouwen zeiden: ‘Het is maar beter om te zeggen dat ze gek is.’ En ik wist: op dit moment eindigt het leven van dat meisje. Als ik daar nu weer aan denk, aan die onnozelheid van die moeder. Die onwetendheid. Ik kan daar niet tegen.’

Ze loopt naar de stoel, pakt een zakdoek uit haar tas, dept haar ogen. ‘We hebben het hier over een kind. Een kind dat verkracht is door haar oom. Door schaamtegevoel besluiten de vrouwen in haar kraambed dat ze gek moet worden gemaakt. En ik wist: ze gaan haar aan de ketting leggen, ze gaan haar stenigen, tot ze vanzelf gek wordt. Ik zag dat beeld helemaal voor me.’

Toch ga je weg en laat dat meisje aan haar lot over. ‘Ja, ga jij mij nog een schuldgevoel aanpraten?’

Hoe leef je daarmee? ‘Ik word boos van zo veel onrecht. Dit meisje was niet het enige. In hetzelfde ziekenhuis, verderop in de gang op de kinderafdeling, zaten jonge meisjes van 4 tot 15: allemaal verkracht. Ik vroeg de arts: ‘Waarom zijn zij hier?’ Hij vertelde me dat steeds meer volwassen Somalische vrouwen niet meer wilden trouwen, en de mannen hun behoefte aan seks nu dus botvierden op jonge meisjes. Wat zeg ik, op kinderen. En vervolgens werden die kinderen door hun ouders op straat gezet.’

Aan het einde van de uitzending zegt Rosenmöller tegen jou: ‘Eigenlijk draag jij mede bij aan de aftakeling van je land, want alle mensen met potentie hebben Somalië verlaten.’ ‘Daar liggen ook de schaamte en de onmacht. Schaamte, omdat ik een goed leven heb hier. Onmacht omdat de problematiek in mijn land zo kolossaal is. Het land, het volk, de ziel, het is één grote ruïne. Waar kan ik beginnen?’

Met dit boek schrijven? En daarmee je land onder de aandacht brengen? ‘Dit boek heeft mij vooral geleerd mezelf te kennen.’

Hoe? ‘Door personages te creëren die me hebben teruggevoerd naar mijn jeugd, naar mijn ouders. Personages die levensecht werden, die me dwongen: ‘Nu moet jij ook met de billen bloot, je komt hier niet alleen maar om in ons leven te gluren. Wie ben jij?’

Ik ben er al schrijvend achter gekomen dat het verdriet om wat weg is altijd zal blijven en dat ik daarin niet uniek ben, dat het hoort bij mensen die in beweging zijn over de wereld. Ik kwam er ook achter’ Ze twijfelt, moet lachen. Dan: ‘Dat mijn angst om mijzelf te geven, in liefde of wat dan ook, heel erg groot is. Er wordt mij door mijn dierbaren verweten dat ik geen liefde toon. Ik voel het wel van binnen, maar het correspondeert niet met mijn houding. Ik kan heel koel doen, terwijl ik al miljoenen keren voor je ben gevallen.’

Heeft dat er iets mee te maken dat je alles en iedereen achter je gelaten hebt? ‘Nee, ik ken mezelf niet anders. Ik kan ontvangen als geen ander. Geven ook, maar dan in stilte. Als het maar niet zichtbaar is, als het maar niet gezien wordt, als het maar niet gehoord wordt. Ik heb een waslijst van dingen die niet kunnen in dit opzicht. Misschien ben ik wel te veel een egoïst. Misschien ben ik bang om teleurgesteld te worden. Nou ja, ik brabbel maar wat, hè.’

Zeyneb, de moeder in je boek, is een vrouw die zonder terughoudendheid liefheeft. De vader, door zijn vrouw Vreemdeling genoemd, is een stugge, afstandelijke man, onbereikbaar voor zijn dochter. ‘De Vreemdeling is een van mijn dierbaarste personages.’

Over je werk is geschreven: ‘Al haar boeken gaan over sterke vrouwen, maar de zoektocht naar haar vader werpt misschien wel de grootste schaduw.’ Weer een lach: ‘Ik weet wat je volgende vraag is.’

In je tweede roman, De generaal met de zes vingers, is de vader een militair, in dit boek ook. Je eigen vader was een hoge militair. ‘Een militair.’

Hij stierf in een politiek gezien explosief land. Zijn lichaam is nooit gevonden. Heb je jezelf ooit de vraag gesteld: wat heeft mijn vader gedaan? Stond hij aan de goede kant of aan de verkeerde? Kortaf: ‘Er was in die tijd geen goede of verkeerde kant. Toen het met Somalië mis ging, was mijn vader er al niet meer. Dus die vraag hoef ik mezelf niet te stellen. De vragen die ik wel heb, hebben niets te maken met zijn werk, maar met zijn rol als vader. Hoe keek hij naar mij? Wat vond hij van me? Hield hij van me?’

Heb je later met je moeder veel over je vader gesproken? ‘Nee, ik wilde haar de pijnlijke herinneringen besparen.’

Veranderde er veel in jullie gezin toen je vader er niet meer was? ‘Voor de kinderen niets, want mijn moeder heeft alles opgevangen. Door haar aanwezigheid, door haar zorg, hebben wij nooit gevoeld dat hij er niet meer was. Nu pas begrijp ik hoe ongelooflijk eenzaam en verdrietig ze moet zijn geweest.’

Hadden ze een goed huwelijk? ‘Mijn ouders waren, en dat was in die tijd in Somalië uitzonderlijk, in het openbaar heel lief tegen elkaar. Als kind vond ik dat buitengewoon storend en genant. Ze kusten elkaar waar mijn vriendinnen bij waren, mijn moeder knipte zijn teennagels waar anderen bij waren en dan zat hij lachend aan haar haren. Toen vond ik dat verschrikkelijk, maar ik zou er nu een miljoen voor over hebben om ze weer zo te zien.’

In 1991 ontvluchtte haar moeder met haar broers en zussen de burgeroorlog. Yasmine was vier jaar eerder al alleen vertrokken. ‘Ze ging weg met het idee: even de kinderen in veiligheid brengen. Je moet je voorstellen, je vult een weekendtas voor een paar dagen, maar die paar dagen worden een eeuwigheid. Dat heeft ze nooit kunnen verwerken.’

De familie vroeg asiel aan in Nederland en kwam terecht in Venray. En hoewel haar moeder in Somalië een vrijgevochten vrouw was, liberaal in haar geloof, raakte ze in Nederland steeds meer in de ban van streng islamitische mannen met baarden. Hele dagen luisterde ze naar cassettebandjes met opruiende teksten. De keuzen die haar dochter had gemaakt – trouwen met een ongelovige Nederlander – begreep ze niet langer. Allas, in een eerder interview: ‘Het leek wel of de afstand tussen Somalië en Venray kleiner was dan de afstand tussen Venray en Amsterdam, waar ik toen woonde.’

In 1996 stierf je moeder, na een val van de trap. ‘Twee dagen voor Kerst. Ik weet nog dat we met ons zessen uit het raam van mijn moeders huis keken, en aan de overkant de buren aan het kerstdiner zagen zitten, met z’n allen rond de tafel, kaarsjes aan, lichtjes in de kerstboom, en dat wij ons zó alleen op de wereld voelden. De mannen van de moskee hebben haar begrafenis van ons afgenomen, mijn zussen en ik mochten niet bij haar graf staan. Vrouwen waren ongewenst.’

Jullie zouden je daarna in haar huis hebben verschanst en niets meer met de buitenwereld te maken willen hebben. ‘Dat had niets met de buitenwereld te maken, maar met een verlangen naar een leven dat er niet meer was. Ik heb twee maanden in de jurken van mijn moeder rondgelopen. Ik wilde haar plek innemen, ik ging zelfs naar de moskee. Ik stond in de spiegel naar mezelf te kijken, en het was griezelig hoeveel ik op haar leek. Ik geloofde echt dat ik haar leven kon gaan leiden.’

Twee maanden later was ze weer terug in Amsterdam.

Hoewel je in 1996 al van dichtbij had gezien waar fanatisme toe kon leiden, heb je tot na de dood van Theo van Gogh gewacht met je te mengen in het publieke debat over integratie en immigratie. Waarom? ‘Omdat ik lang aan mezelf heb getwijfeld. Of ik het allemaal wel goed zag. Of mijn moeder niet gelijk had. Bovendien: de samenleving was in die tijd helemaal niet bezig met waar het geloof toe kon leiden. Het woord moslimextremisme kenden we tot 11 september 2001 niet eens.’

In Een nagelaten verhaal beschrijf je een ruzie tussen Torretje en haar man Feico. Ze vraagt hem: ‘Aan wiens kan sta jij als hier in Nederland de pleuris uitbreekt?’ Heb jij die vraag ook aan jouw man gesteld? ‘Dat hoefde niet. Ik weet dat hij aan mijn kant staat. We hebben, in die verwarrende tijd na de moord op Theo van Gogh, wel heftig gediscussieerd en ik heb veel van mijn woede op hem afgereageerd. Maar mijn man is intelligent. Hij wist dat hij me moest laten uitrazen, dat ik niet boos was op hem, maar op Nederland.’

Waarom was je boos op Nederland? ‘Je zoekt vaak een zondebok als het ongenoegen in jezelf zit. Terwijl: Nederland had me niet hiernaartoe gehaald. Nederland had me niet alles ontnomen wat ik op dat moment miste. Misschien, achteraf gezien, was ik wel boos dat ik mijn ziel en zaligheid aan dit land had gegeven. Maar dat moet, als je ergens een nieuw leven wilt opbouwen. Dan moet je je nieuwe land liefhebben en bereid zijn tot je laatste snik mee te werken aan het welzijn van je land.’

Drie jaar zijn er voorbij sinds haar reis naar Somalië. Vijf jaar sinds de moord op Theo van Gogh. Over het schrijven van Een nagelaten verhaal heeft ze twee jaar gedaan. ‘Daarvan had ik zeven maanden een burn-out, omdat het schrijven zo veel losmaakte.’

Nu het boek af is, voelt ze, zegt ze, de liefde voor Nederland weer terugstromen. Niet dat ze optimistisch is over hoe het land ervoor staat. ‘Ik vind niet dat we een stap verder zijn gekomen als het gaat om integratie. Ik zie de schijntolerantie, de verborgen onrust, ik zie de vergeefse pogingen om tot elkaar te komen, pogingen die ik zelf ook heb ondernomen, door essays te schrijven, naar discussieavonden te gaan. Ik heb er nu geen zin meer in. Ik wil niet meer dag en nacht bezig zijn met het geloof. Het heeft me jaren belemmerd fictie te schrijven.’

Wat betekent het dat je dat nu wel weer kan? ‘Ik heb, met het schrijven van dit boek, de zoektocht gemaakt naar wie ik ben. Ik heb mijn ouders dichtbij gevoeld, de kwetsbaarheid van mijn geboorteland gevoeld, mijn jeugd teruggehaald. Dat heeft me volwassen gemaakt en tot rust gebracht.’

Wil je nog een keer terug naar Somalië? ‘Ik wil heel graag terug, ja. Het verlangen is alleen maar groter geworden. Maar het kan nu niet. Het is te onveilig.’

Het kan alleen in je fantasie. ‘Maar soms heb je ook behoefte aan tastbaarheid.’

Ze vertelt over de Somalische muzikant die ze onlangs ontmoette. ‘Een vriendin van mij heeft mij ooit een keer horen zingen en toen als grap gezegd: ‘Als ik 50 word, wil ik graag dat je een Somalisch lied voor me zingt.’ Via via ben ik bij een man terechtgekomen die me op zijn gitaar kan begeleiden. In Amsterdam-Noord, in een kamer van een paar vierkante meter, om elf uur ’s avonds en te midden van twaalf mannen die in een lendendoekje qat zaten te kauwen, begon die man, graatmager, één tand in zijn mond, te spelen. Ik smolt. Hij gaf een stem aan mijn verloren land.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden