Het verdriet om Peerke

Duizenden Belgische vluchtelingen kwamen in de Eerste Wereldoorlog naar Nederland. Maar er bestaat maar één echt oorlogsboek over hun lot, constateert Arjan Peters.

Als het hier over de oorlog gaat, is het altijd de Tweede Wereldoorlog. Niet verwonderlijk, tijdens de Eerste waren we neutraal. En al kwamen er in 1914-1918 meer dan 100 duizend Belgische vluchtelingen de grens over, aan die vloedgolf hebben we weinig overgehouden. Geen oorlogsdichters, geen speciale films, geen literaire injectie.


Alsof ook onze schrijvers neutraal wilden blijven. Er bestaat misschien maar één echt oorlogsboek over het lot van de getergde zuiderburen, maar dat is wel onvergankelijk: Peerke en z'n kameraden van W.G. van de Hulst, de Utrechtse bovenmeester en schrijver van honderd kinderboeken, die een halve eeuw geleden stierf. De protestantse meesterverteller die de tranen en het verdriet nooit uit de weg ging, maar ons als een waar didacticus ook altijd een uitweg bood, wist waar hij over schreef. Als kind zelf ernstig ziek geweest, zijn vader stierf toen hij 9 jaar was, zijn eerste vrouw overleed in 1913.


Toen de Eerste Wereldoorlog voorbij was, publiceerde Van de Hulst het verhaal over Peerke Covents dat hij altijd zijn mooiste noemde. Het gaat over vier jonge Hollandse vrienden (Joost, Frans, Karel en Dieuwe) die in hun stadje op muurtjes klimmen, varen en elkaar verhalen vertellen. Op zekere middag zien ze achter het hoge venster van een verlaten pakhuis een blij zwart koppie, dat aan een 'joggie' toebehoort.


Dat is Peerke. Het joggie kan niet mee komen spelen, want Peerke ligt op bed. Zijn 'groo-va', die over hem waakt, vraagt de vier belhamels niet luidruchtig te zijn. Want Peerke is snel moe en heeft veel pijn. Wat had de dokter ook weer tegen groo-va gezegd? ''n Stakker is het, en z'n leven is net een vuurtje, dat langzaam uitdooft.'


Peerke is onze Eerste Wereldoorlog: malheur uit den vreemde, we begrijpen dat het pijnlijk moet zijn, maar het blijft op een afstandje. Grootvader speelt af en toe viool, en het joggie is opgetogen als zijn vier vrienden er weer zijn (een verwijzing naar het bijbelboek Marcus, waarin Jezus een verlamde liet opstaan die door vier vrienden was geholpen), maar de smart vlamt ook op als Dieuwe de jongen vraagt óp te springen, en Peerke het hem wel móet zeggen: 'Ik... ik heb geen beenen meer!...'


De kameraden blijven trouw komen. Groo-va intussen heeft grote gewetenswroeging, omdat hij de Duitsers niet kan vergeven die Peerkes ouders doodden en het joggie zo deerlijk verwondden. Hij kan nog veel leren van het tevreden kind, dat voelt hoe dicht het reeds bij de hemel is.


De middag dat Dieuwe met een lampion voor Peerke aan de deur komt, 'rood en geel en zwart met draken er op en een kaarsje er in', is het te laat. Peerke is niet meer. 'Waar jullie kameraadje nu is, zijn geen lampions meer noodig. Daar is het altijd licht. Begrijp je dat wel?'


En ja hoor, zo vloeiden er in 1919 toch nog bittere tranen in Holland.


W.G. van de Hulst: Peerke en z'n kameraden.

Uitgeverij Callenbach; 1919.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden