HET TORENTJE Weefsters treden uit de historie

Fransje Killaars (1959) maakt een feest van de kunst, en niet alleen van de kunst, maar van het hele leven, uitgerekend waar het van fleur verstoken lijkt te zijn....

Toch doen, en dan spoorslags, want dichtbij het station, langs de snelweg naar het centrum, staat midden op de stoep Het Torentje - ongerijmd, in de provinciestad een lichtend droompaleis.

Het Torentje, voorheen een hoek van 'de vermaarde Ten Cate textielfabriek', is sinds een paar jaar een etalage voor de kunst. En nu Fransje Killaars zich er over heeft ontfermd, mogen de dagen kort en donker zijn, en mag de regen tegen de ramen slaan: daarachter druipen strengen bonte wol van het plafond tot op de vloer, lange slingers geel, oranje, rood en hemelsblauw garen, een vitrage die veel te zonnig is om nog aan winterslaap te denken.

De kleuren zinderen, onstoffelijk naar het schijnt, door de grote ramen, van binnen naar buiten, en dat moet ook, want we kunnen er niet in: Het Torentje is afgesloten, alleen toegankelijk voor het oog. Het is een monument, een herinnering aan de textielstad die Almelo vroeger was en aan de werklust van de arbeiders in de fabriek. Die schonken Het Torentje in de jaren dertig aan hun werkgevers. Het is het enige bouwwerk dat overbleef van de Koninklijke Ten Cate NV.

Sinds 1995 richt om de drie maanden telkens een andere kunstenaar 'de etalage' in. Fransje Killaars heeft er het verleden verlevendigd. Tussen de fluorescerende franje achter de vensters en op de felgekleurde tapijten waarmee ze Het Torentje stoffeerde, in de beste traditie van haar eigen, altijd aanstekelijke, drang de doorgaans kale kunstruimten te bekleden, staan drie paspoppen in historische werkkostuums: 'schimmen' van de vrouwen die Ten Cate groot maakten.

Zij dragen rokken van bombazijn, een mengweefsel, half linnen, half katoen. Bombazijn: het woord alleen al is luisterrijk, het echoot een samengaan van dans en wijn.

Maar de kleren zijn stevig, op het stugge af, en bovendien gestreept, wat helemaal niet deftig was. Zwart was deftig, daarin gingen de mensen uit, niet opgesmukt met rood, of in het blauw, groen en grijs. Die kleuren, hoe gedempt ook van toon, harmoniëren wonderwel met Killaars knallende palet.

Haar weefsels, op de vloer en aan de muur, zijn niet alleen maar hippe colourfields; de eenvoudige patronen hebben ook iets folkloristisch. Ze zijn uitbundig zoals onder de zon de kleren van vrouwen in India of Zuid-Amerika, én ze zijn strak als de oud-Hollandse streepsels van de Twentse weefsters, die in hun ondergoed werkten: rokken en de schorten in lagen, met de hand gemaakt, in hun eigen textielfabriek. Buiten ging er wat anders overheen.

De kleurige stoffen worden bewaard in het cultuurhistorische Van Deinse Instituut in Enschede, dat ze gewoonlijk afschermt van het licht, maar voor de gelegenheid zo goed was ze uit te lenen aan de kunstenares.

Op haar aanwijzingen komen de weefsters nu uit de geschiedenis naar voren, als drie grote geesten die de in Almelo verdwaalde bezoeker vanuit hun lantaarntje een warm welkom bereiden.

Wilma Sütö

Handgeweven van Fransje Killaars, tot en met 6 februari 1999 in Het Torentje, Egbert Gorterstraat, Almelo. Doorlopend te bezichtigen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden