Het tergende zwijgen

Je sprak niet over de ramp. De kinderen van de tweede generatie hadden grote moeite met dat zwijgen. Het was iets waarin je geacht werd te berusten....

Het schip voer op een groepje daken af; van ieder dak wapperde een witte vlag. Tegen de schoorsteen op een ervan zat een donkere gedaante geleund. Toen zij nader kwamen, zagen zij dat het een vrouw was met een deken om de schouders. Voor haar lag een klein lichaam schrijlings over het dak met hangende armen.

(Uit: 'De kleine ark' van Jan de Hartog)

De herinneringen aan de dramatische taferelen die zich afspeelden tijdens de watersnoodramp van 1 februari 1953, worden vaak nog weggestopt, of komen hooguit ter sprake in een strikt feitelijk relaas over gebeurtenissen en namen. Op verjaardagen is het gevoel geen onderwerp van gesprek, vertelt Peter den Ouden uit Oude Tonge in het boek De Ramp (1993) van oud-journalist Kees Slager, een imposante, onlangs aangevulde oral history waarin het verloop van de watersnoodramp in gedetailleerde getuigenissen wordt verteld. 'Het gaat nooit over hoe de mensen zich toen voelden, over hun angsten of misschien wel het ontbreken ervan, over hoe ze hun leed hebben gedragen of verwerkt. Het komt nooit aan de wortel, het is nooit het échte verhaal van de ramp.'

De hulp uit binnen- en buitenland, de wederopbouw en de Deltawerken leken de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden definitief van hun betrekkelijke isolement te hebben verlost. Maar het gemoed van veel voormalige eilandbewoners is in een zware zwijgzaamheid blijven hangen. Voor velen was de ramp een straffe Gods waarin zij geacht werden te berusten en waarover niet mocht worden gepraat. Anderen waren eenvoudig niet in staat om het leed dat hun of hun lotgenoten had getroffen, te bespreken. Het was te moeilijk. Ze waren al te zeer getraumatiseerd. Een vrouw vertelt in De Ramp: 'Mijn zuster is nooit over het verlies van haar zoon heen gekomen. Ze heeft nooit meer gelachen.' Een vrouw die haar beide ouders en zusje verloor, durfde nooit meer te zwemmen. Er waren er die na de ramp jarenlang elke avond op de dijk gingen kijken hoe hoog het water stond. Of die elke dag vijf rondjes om hun boerderij liepen om te controleren of de situatie wel veilig was.

Het verdriet werd in stilte verwerkt, zo dat al mogelijk was.

Het was net als in de periode direct na de Tweeede Wereldoorlog - die op veel eilandbewoners minder indruk maakte dan hun eigen ramp. De naoorlogse samenleving werd gekenmerkt door een zwijgcultuur. Voor individueel leed was weinig ruimte. De mentaliteit was er een van: bouw aan de toekomst, vergeet het verleden. Zelfs slachtoffers van de holocaust was het nauwelijks vergund over hun kampervaringen te vertellen. Pas in de jaren zeventig mocht erover worden gesproken en werd de oorlog, zoals Jolande Withuis het noemde in haar vorig jaar verschenen boek Erkenning - Van oorlogstrauma naar klaagcultuur (De Bezige Bij), herontdekt. Geleidelijk ontstond er meer aandacht voor oorlogsneurose en kampsyndroom.

Na de eerste generatie oorlogsslachtoffers werd de tweede generatie ontdekt: kinderen van oud-verzetsstrijders en voormalig kampslachtoffers, die zwaar hadden geleden onder het leed van hun ouders. Carl Friedman wijdde er in 1991 haar prozadebuut Tralievader aan, een autobiografisch boek over haar ervaringen met haar vader die getraumatiseerd terugkeerde uit een concentratiekamp. Haar vader was geen zwijger, maar een verteller. Hij overlaadde zijn vrouw, dochter Carl en haar twee broers met verhalen over zijn kampverleden, tot in de gruwelijkste details. Zijn kinderen, alledrie na de oorlog geboren, reageerden verschillend. Carl meegaand, haar broers opstandig. In NRC Handelsblad vertelde Carl Friedman: 'Hij monopoliseerde al het leed. Als je pijn had, had hij toch altijd méér pijn gehad. Als je honger had, wist je volgens hem niet wat honger was. Je kon er nooit tegenop.' En: 'Ja, het was eenrichtingsverkeer tussen hem en ons. We hebben nooit écht gepraat. Hij vertelde, wij luisterden. Hij is zo moeilijk benaderbaar. Als je die oorlog een loer wilt draaien, kun je beter je kinderen zo dicht mogelijk tegen je aan drukken, maar dat heeft hij niet gedaan. Wij moesten voor zijn leed op de knieën vallen.'

Hoe verging het de zwijgers van de watersnoodramp? En hun kinderen?

In het informatieve herdenkingsboek Hoogwater - 50 jaar na de watersnoodramp dat Inez Flameling in opdracht van Verkeer en Waterstaat schreef, vertelt Leni Torenstra, arts in de ouderenzorg op Goeree-Overflakkee, hoe zij met verbazing constateerde dat vrijwel niemand van haar oudere patiënten psychische klachten had als gevolg van de watersnoodramp, ofschoon dat op grond van studies wel mocht worden verwacht. Geen nachtmerries, geen herbeleving, geen prikkelbaarheid, geen vermijdingsgedrag. Zij interviewde in 1992 een twintigtal ouderen uit Oude Tonge, een van de zwaarst getroffen dorpen uit het rampgebied, en ondervond veel weerstand om over de ramp te praten. Het adagium was: niet klagen, maar dragen. 'Maar als ze eenmaal gingen praten, kwam er vaak een stortvloed aan emoties vrij. De herinneringen waren bij de meesten heel levendig. Ze zien het nog steeds voor zich.'

Dit keer kwam de kok sneller terug. De machine was gestopt en het schip lag langzaam te slingeren toen hij opnieuw in de deuropening verscheen. Hij zette de lantaarn aan zijn voeten en schreeuwde tussen zijn handen: 'Zeventien! Allemaal dood! Wat doen we?'

Uit de gesprekken die Torenstra voerde, bleek haar dat orthodox-gelovigen de ramp makkelijk hadden geaccepteerd. De niet-gelovigen hadden het er moeilijker mee, waren angstig en gespannen, en liepen soms nog boos rond met hun herinnering aan gelovige dorpsgenoten die hun destijds voor de voeten hadden geworpen dat zíj, door hun zondige levenswandel, de ramp over de streek hadden afgeroepen.

De slachtoffers van de ramp zochten nauwelijks steun bij vrienden of familie. Ze durfden andere slachtoffers niet lastig te vallen, waren bang belachelijk te worden gemaakt en deinsden ervoor terug zich kwetsbaar op te stellen. Als ze hun verhaal aan Torenstra hadden gedaan, 'ging de doos weer dicht'.

Jaap van Mourik (1958) vertelt in Hoogwater hoe hij van huis uit de angst had meekregen dat de ramp zich zou herhalen. Zijn angst verdween door de Deltawerken. Zijn vader, die in Capelle woonde, tussen Nieuwerkerk en Zierikzee, verloor in de rampnacht zijn moeder, broer en twee zusjes. Hij sprak erover op een feitelijke manier. Zijn opa bleef zwijgen. Zijn vader heeft zijn belevenissen intussen op verzoek van zijn twee zoons op papier gezet. 'Ik wilde weten', vertelt Jaap van Mourik, 'hoe het mogelijk is dat iemand verder kan leven na wat hij heeft meegemaakt. Ingrijpende memoires zijn het. Maar als hij erover praat, gaat het nog steeds alleen maar om de feiten.'

Nazaten van slachtoffers, de tweede generatie die de ramp niet heeft meegemaakt, voelen vaak nog die spanning en angst voor nieuwe overstromingen. Ze zijn ermee opgevoed. En handelen ernaar. Bij storm zijn ze extra waakzaam. Ze zijn bang voor water. Of erger.

De journaliste Sandra van de Vijver (32) uit het Zeeuws-Vlaamse dorp Koewacht bij Hulst hoorde van familie van vaders kant in het dorpje Paal, Oost-Zeeuws-Vlaanderen, verhalen over zwijgende ouders wier kinderen ernstig getraumatiseerd waren geraakt omdat ze de spanning niet meer aankonden. 'Mijn familie op Paal wilde wel vertellen wat er allemaal was weggespoeld, maar niet dat er in hun straat acht mensen waren verdronken. Ook bij hen heerste die zwijgcultuur. Er waren er die zeiden: ''Ik had een vader voor en een vader na de ramp.'' De kinderen van de tweede generatie hadden grote moeite met dat zwijgen. Ik sprak een vrouw van wie de vader zijn hele gezin bij de ramp was kwijtgeraakt. Later is hij hertrouwd en uit dat huwelijk was zij geboren. Pas toen ze bijna volwassen was, hoorde ze dat haar vader al eerder een gezin had gehad.'

Emotionele verhalen kreeg ze te horen van tweede generatie-dorpelingen van Paal, maar ze kon ze nergens kwijt 'omdat die mensen er moeilijk over praten en ze ook niet met naam en toenaam willen worden genoemd'. Ze besloot er een novelle aan te wijden, Hoe ver het water kwam. Het werd geen meesterwerk, maar wel een duidelijke getuigenis van wat er bij de tweede generatie mogelijk aan emotionele schade is aangericht.

Toen Adinda weer schrijlings op het dak zat, trok de mist op. Een windvlaag blies de wolk weg die de toren omfloerst had, en plotseling zag zij de zee weer in de diepte, de daken van de huizen, de verdronken bomen. De angst verlamde haar.

Het drieluik waaruit de novelle bestaat begint met het verhaal van een jongeman die bij de watersnoodramp een zusje - hij denkt door zijn schuld -, zijn verloofde, een broer en zijn vader verliest. In het tweede deel is de hoofdpersoon zijn volwassen dochter die met hulp van een psychiater haar traumatische jeugd probeert te verwerken. Haar vader was een zwijger, hij deed een zelfmoordpoging die mislukte en een tweede die slaagde. Zijn dochter worstelt met haar gevoelens en haar identiteit, maar uiteindelijk weet ze het verleden een plek te geven, zodat ze in het derde deel als een gelukkige moeder onbekommerd in het leven kan staan. Tot de Maas na hevige regenval buiten zijn oevers treedt, huizen onder water komen te staan en er mensen verdrinken. Haar zwager, schoonzus en hun drie kinderen worden vermist. De vrouw beleeft dan alles opnieuw. 'Ik heb veel reacties op dat boek gehad van mensen die zich er volledig in herkenden', vertelt Sandra van de Vijver, 'maar er niet over konden praten. Ik heb daaruit opgemaakt dat de ramp nog volop leeft.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.