Het tempeest van Lockheed

Zelden is zo krachtig aan de Nederlandse burgermoraal geschud als tijdens de Lockheed-affaire, nu 25 jaar geleden. Het begrip corruptie associeerde men tot dan toe met bananenrepublieken op verre continenten....

PRINS BERNHARD was dat jaar onmiskenbaar de ster van Prinsjesdag. Wekenlang had hij zich niet in het openbaar vertoond. Nu verscheen hij voor de traditionele opening van de Staten Generaal voor het eerst in civiel, voor zover je een grijs jacquet onder de burgerkledij kunt rangschikken. Er was een forse anjerverkoop georganiseerd door een gravin Van Limburg Stirum. Zij liet ook pamfletten uitdelen met liefst drie coupletten van het Wilhelmus. De gravin had een incourante strofe gevonden die, zo vond ze, precies het tijdsgewricht op de kop trof:

Zo het de wille des Heeren

op die tijd was geweest,

Had ik graag willen keeren

van U, dit zwaar tempeest.

Dat zwaar tempeest (Van Dale zegt: 'stormweer', 'geweldig rumoer') had maanden gewoed, van begin februari tot eind augustus 1976. De naam van het geweldig rumoer luidde Lockheed-affaire.

De koningin begon haar troonrede met: 'Ongetwijfeld gaan de gedachten nu terug naar de moeilijke periode die achter ons ligt. Laten wij vandaag, in het besef van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, vooral zien naar het vele wat ons te doen staat.' Verder geen syllabe over de kwestie die Nederland in zijn fundamenten beroerd had. Oranje had de rijen weer eens weten te sluiten.

Het begin van de kwestie was vreemd geweest. In Washington boog een subcommissie uit het Amerikaanse Congres zich al maandenlang over omkopingskwesties rond grote Amerikaanse multinationals. Dat leverde internationaal nauwelijks nieuws op; we hadden net Watergate gehad en dat leek moeilijk te kloppen. Op 4 februari veranderde dat, althans voor Nederland, grondig. Op die datum werd vice-president Carl Kotchian van de Lockheed-vliegtuigfabrieken gehoord. Hij vertelde dat zijn bedrijf betalingen had verricht aan hooggeplaatste buitenlanders die in ruil voor dat geld wellicht konden helpen bij de afzet van toestellen. Zo was onder meer 1,1 miljoen dollar (toen rond 4 miljoen gulden naar 'een hoge Nederlandse regeringsfunctionaris' gegaan.

Slechts luttele dagen kreeg Den Haag de kans daar de schouders over op te halen. Kotchian had ook gezegd dat Lockheed placht te smeren in Japan, de Bondsrepubliek, Italië, Turkije en Saoedi-Arabië en nog wat kleinere landen. Het zou dus wel een vergissing wezen. Misschien bedoelde hij België of Denemarken, die fout maakten Amerikanen wel vaker.

Maar toch begon er iets te kriebelen: hadden we niet net de Gulf-affaire gehad? Twee politici, Schmelzer (KVP) en Roolvink (AR), en een hoofdredacteur, Hoogendijk (Elseviers Magazine), gaven toe 'adviezen' aan Gulf Oil te hebben verstrekt tegen tienduizend dollar de man per jaar. Er was 'niets onoorbaars' aan, oordeelde AR-fractieleider Aantjes, maar hij had het wel liever eerder geweten.

Op 8 februari moest de regering-Den Uyl toegeven: Kotchian bedoelde prins Bernhard. Er zou een onderzoek komen. De prins ontkende prompt. (In de woorden van Den Uyl: '...heeft zijnerzijds verklaard nooit enig geld van Lockheed te hebben verkregen of aanvaard en stelt ook van zijn kant prijs op een onderzoek naar de gang van zaken, waarbij zijn naam in het geding is gebracht.'). Een bijkomend ongelukkig toeval was dat prins Bernhard uitgerekend twee dagen eerder in Davos een rede had gehouden voor een internationaal congres van zakenlieden waarin hij het vigerende 'schadelijke klimaat voor ondernemers' hekelde. Premier Den Uyl was verre van amused, maar de Rijksvoorlichtingsdienst deelde mee dat de prinselijke tekst wel degelijk het constitutioneel vereiste fiat van de regering had.

Er kwam een Commissie van Drie, al snel naar een van de leden ook Commissie-Donner genoemd. Het hoofdredactioneel commentaar in de Volkskrant van 11 maart: 'De aangezochte onderzoekers zijn bepaald geen kleine jongens, en zij moeten in staat geacht worden menige zware ''deur'' open te krijgen.'

Binnen zes weken zouden ze de waarheid boven tafel hebben. Het werden zes maanden. En de waarheid? Daar kwam de heren Donner (Europees Hof), Holtrop (ex-Nederlandsche Bank) en Peschar (Algemene Rekenkamer) ook niet voor de volle honderd procent achter. De exacte gebeurtenissen bleven verborgen achter prins Bernhards 'slechte geheugen' en achter ontbrekend bewijs. Wie was de fictieve 'Victor Baarn'? Het gonsde van (uiteraard steeds dezelfde) vermoedens, maar alweer: geen bewijs. En de man die, wél bewezen, tot drie keer toe Lockheed-geld in Zwitserland had afgehaald, Bernhards oude paardrijleraar en later zelfs - aldus menen royalty-watchers pertinent - stiefvader, Alexei Pantchoulidzev, was sinds 1968 dood en kon dus geen uitsluitsel geven over zijn opdrachtgever, de definitieve ontvanger van de dollars.

Maar de conclusies van Donner c.s. klonken er niet minder hard om: '...dat Z.K.H., in de overtuiging dat zijn positie onaantastbaar was en zijn oordeel niet licht te beïnvloeden was, zich aanvankelijk veel te lichtvaardig heeft begeven in transacties, die de indruk moesten wekken dat hij gevoelig was voor gunsten. Vervolgens heeft hij zich toegankelijk getoond voor onoorbare verlangens en aanbiedingen. Tenslotte heeft hij zich laten verleiden tot het nemen van initiatieven die volstrekt onaanvaardbaar waren en die hem zelf en het Nederlandse aanschaffingsbeleid bij Lockheed - en, zo moet er thans aan worden toegevoegd, ook bij anderen - in een bedenkelijk daglicht moesten stellen.'

Premier Den Uyl, voor de gelegenheid in een begrafenispak in plaats van zijn traditionele morsige grijs, hield een doodstil - je zou het haast geslagen noemen - parlement voor: 'De regering aanvaardt het oordeel van de commissie als onontkoombaar en met spijt. Temeer betreurt de regering het dat prins Bernhard zich heeft begeven in verhoudingen en omstandigheden die niet aanvaardbaar zijn.' De prins, zo vonniste het kabinet, moest terugtreden uit 'al die posities die tot een verwarring van functies en belangen hebben geleid of zouden kunnen leiden'.

Vandaar die prins-in-burger op Prinsjesdag; al zijn militaire uniformen moesten voortaan in de kast blijven. Als inspecteur-generaal van de krijgsmacht was hem door de koningin ontslag verleend - eervol, want hij had er formeel zelf om verzocht.

Voor de media was het een zeldzaam jaar. Mao ging dood, de Britse premier Wilson trad af, de Amerikaan Carter werd president, maar dat leek in Nederland weinig indruk te maken. Het was Lockheed voor en Lockheed na. Alle kranten hadden speciale 'Lockheed-ploegen' die korter of langer waren vrijgesteld voor de affaire. Soms moesten die intern hun plek bevechten. Onderzoeksjournalistiek werd in die dagen in Nederland slechts mondjesmaat gepraktiseerd. Bij de Volkskrant vonden oudere journalisten deze 'Lockheed-vrijgestelden' maar onzin. Zij wilden van de prins geen kwaad weten (een zegswijze die al spoedig met eindredactionele kracht uit de krant moest worden geweerd).

De vaste royalty-redacteur roeide er ook nog eens eigenzinnig doorheen en raadde in een ferm getoonzet artikel de prins aan zélf tegen Lockheed te procederen om de waarheid, zijn onschuld dus, boven water te krijgen. Hoofdredacteur Van der Pluijm decreteerde derhalve vrij snel dat de geestdriftige Lockheed-equipe 'een sluimerend bestaan zou gaan leiden, maar uiteraard indien noodzakelijk handelend zou optreden'. Kortom, deze affaire moest 'erbij' worden gedaan.

Maar de journalistiek had sowieso geen kans. Niemand kwam ook maar in de buurt van een oplossing. Getuigen spraken uitsluitend met de commissieleden, want die konden een brief van de prins tonen waarin om 'volledige medewerking' werd verzocht. Journalisten stootten consequent de neus tegen de potdichte ons-kent-ons-en-trouw-totterdood mentaliteit van de prinselijke kennissenkring. Zo werd voor alle media het rapport-Donner opzienbarend nieuws. De journalisten stonden net zo perplex als de Nederlandse staatsburgers. Victor Baarn was nieuw, de naam Pantchoulidzev viel voor het eerst. Bernhard ging corruptie niet uit de weg. De commissie zei dat natuurlijk niet met zoveel woorden, maar toch liet de tekst geen ruimte voor een andere conclusie. Het 240 pagina's dikke rapport (met bijlagen) vloog de boekwinkels uit. De overheid haalde er aangename royalty's van binnen.

Wij journalisten hielden ons, tot het rapport ons op alle fronten versloeg, bij gebrek aan toegang tot de hoofdzaken, met tientallen zijlijntjes bezig. Waarom verkocht Bernhard het Diepenheimse kasteeltje van zijn overleden moeder via een Liechtensteinse connectie aan een 'Lockheed-kantoor' en waarom was de toenmalige KLM-directeur Ritmeester van de Kamp daar als 'tekeningsbevoegde' bij betrokken?

Dan was er de speurtocht naar Bernhards beweerde maitresse, barones Lejeune-Grinda, bijgenaamd - al naar gelang de taal die men wilde hanteren - Poupette dan wel Pussy? En bestond er echt een dochter uit die liaison, genaamd Alexia? Dat was bepaald geen alledaagse naam voor een Frans meisje. Alexia - Alexei? Genoemd naar de beweerde stiefvader Pantchoulidzev misschien? Het geld kon nodig zijn geweest voor dat tweede gezinnetje. Onnodig te zeggen dat de Grinda-connectie in het rapport niet voorkwam; met zulke zaken hielden de wijze mannen zich niet bezig.

Voor het 'gunstige klimaat' dat de fabriek in Nederland wilde scheppen voor de (later inderdaad geslaagde) introductie van de Starfighter dacht Lockheed niet om prins Bernhard heen te kunnen. Hij had gezag binnen de strijdkrachten, wist veel van vliegtuigen en het was ook niet geheel en al toevallig dat hij bevriend was met Lockheed-vertegenwoordigers als Fred Meuser (eerder KLM-vertegenwoordiger in New York) en Hans Teengs Gerritsen (voormalig verzetsman en een tijdje zowel voor Lockheed als het concurrerende Northrop commissies opstrijkend). Het werd een onontwarbaar web.

Dan was er de link naar de Duitse Lockheed-man Ernest Hauser, wiens kinderen een fameuze peetvader hadden: Franz-Josef Strauss, in de gewraakte periode begin jaren zestig ook al niet zo toevallig minister van Defensie in de Bondsrepubliek. Want ook dáár speelde een Lockheed-affaire. Betreffende documenten waren om onnaspeurlijke redenen verdwenen uit het Defensie-archief in Bonn. Het lag voor de hand dat Strauss ze hoogstpersoonlijk had laten verwijderen, maar bewijzen: alweer ho maar.

In feite waren de kwalijke zaken in 1976 al tamelijk lang geleden. Het geld was, zei Lockheed-chef Kotchian tegen de Commissie van Drie, in vrij gelijke delen de deur uitgegaan via een zwarte kas, beheerd door de Parijse advocatenfirma Coudert Frères. De Commissie vond bevestiging dat in de jaren 1960, 1961 en 1962 achtereenvolgens 300 duizend, 300 duizend en 400 duizend dollar door Lockheed was uitbetaald en in 1968 honderdduizend. Dat geld was betaald via Lockheed-agent Meuser en de Zwitserse advocaat Hubert Weisbrod. De bedragen uit 1960, '61 en '62 bleken van een Zwitserse bank afgehaald door de tot Bernhards allernaaste familiekring behorende Pantchoulidzev.

De definitieve bestemming van het geld kon de Commissie niet achterhalen. Maar wel heerste, zo stelde de Commissie vast, bij Lockheed de terechte indruk dat het geld voor prins Bernhard bestemd was. De honderdduizend dollar van 1968 waren in Zwitserland uitbetaald per cheque aan ene Victor Baarn. Deze Baarn zou de cheque zelf hebben afgehaald bij het Lockheedkantoor in Genève. De Commissie was niet in staat te achterhalen wie Baarn was. Dat Soestdijk onder de gemeente Baarn valt, werd door de Commissie uiteraard niet vermeld, maar het werd vanzelfsprekend in de media breed en met groot sarcasme uitgemeten.

En dan waren er de brieven. In 1974 schreef Bernhard twee brieven-op-poten naar de Lockheed-directie waarin hij rechtstreeks verzocht om een miljoen dollar commissie wanneer de Nederlandse marine de Lockheed Orion ter vervanging van de verouderde Neptunes zou aanschaffen. Die betaling ging niet door want het departement van Defensie koos uiteindelijk de Franse Bréguet Atlantique. Prins Bernhard vertelde de Commissie-Donner dat het miljoen voor zijn World Wildlife Fund bedoeld was geweest, maar de Commissie wees er in haar rapport fijntjes op dat dit fonds nergens in de twee brieven genoemd werd ('Wat zou meer voor de hand hebben gelegen dan dat', zegt het rapport letterlijk.)

De Commissie van Drie had nog een tweede opdracht: onderzoeken of 'de vliegtuigindustrie metterdaad laakbare invloed op het Nederlandse aanschaffingsbeleid heeft uitgeoefend'. Het antwoord: 'Op die vraag kan zonder voorbehoud een ontkennend antwoord worden gegeven.'

Het was duidelijk dat over de tekst van het rapport heftig met Soestdijk was onderhandeld. Koningin en prins hadden tot tweemaal toe hun zomervakantie in Porte Ercole onderbroken. De geruchten gingen dat de koningin zich tegen een strafrechtelijk onderzoek verzette en in dat geval zou aftreden. Omdat - alweer geruchten - Beatrix dan niet wenste op te volgen, stond Den Uyl voor een constitutionele crisis. Dat zou speciaal een PvdA-politicus niet in dank worden afgenomen. Die vervolging kwam er dus ook niet. De feiten waarom het ging, noemde men grotendeels 'verjaard'.

Opvallend karig was de reactie van Lockheed-president Robert W. Haack: 'Wij betreuren de gebeurtenissen, die in het rapport van de Nederlandse commissie zijn onthuld.' Want de Amerikaanse vliegtuigindustrie was nog lang niet klaar met haar eigen verleden. De Nederlandse kwestie was, wereldwijd gezien, peanuts. Northrop en Boeing bleken internationaal net zo corrupt te hebben gehandeld.

De Nederlandse krantencommentaren klonken voorzichtig, spijtig en toch nog eerbiedig tegenover het zo geplaagde koningshuis. Vooral was er lof, voor zover dat kon, voor de omzichtige aanpak van premier Den Uyl. De Volkskrant over de vermeden consitutionele implicaties: 'De woordkeuze maakt duidelijk dat algemene overwegingen van staatsbelang een grote rol hebben gespeeld. Vermoed kan worden dat doorzetting van een strafrechtelijk onderzoek tot aftreden van het staatshoofd zou hebben geleid. De gevolgen daarvan zouden in het licht van de huidige verhoudingen niet te overzien zijn. Waar de regering al huiverde om op juridische gronden tot strafvervolging over te gaan, heeft dit gegeven terecht de doorslag gegeven.'

Met andere woorden: de Volkskrant-commentator nam de aftreden-niet-opvolgen-geruchten hoogst serieus. Al blijft de precieze portee mogelijk voor eeuwig een Soestdijks geheim.

De naklank van de Lockheed-affaire is nooit echt verstomd. Vorig jaar raakten door een organisatorische misser van het Algemeen Rijksarchief de aantekeningen van de kabinetssecretaris uit 1976 in handen van een journalist. Deze benaderde ex-ministers om commentaar op hun toen voor Bernhard niet bepaalde vleiende uitlatingen. Premier Kok liet de betreffende oud-bewindslieden prompt waarschuwen dat zij onverantwoordelijk met staatsgeheimen speelden. En ook tegen de journalist werd 'onmiddellijk ambtelijke actie ondernomen'. Deed Kok dat op eigen gezag of was hij ertoe geprest uit koninklijke kring? De volle waarheid blijkt, zelfs na een kwarteeuw, het daglicht niet te kunnen velen.

Amerikaanse Lockheed-onderzoekers van toen zijn nog altijd verbijsterd over de milde, naar hun perceptie geit en kool sparende bewoordingen van het rapport van de Commissie van Drie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden