INTERVIEWgeograaf Floor Milikowski

Het succes van de grote stad kent volgens geograaf Floor Milikowski te veel verliezers

Geograaf Floor Milikowski ontdekte gaandeweg haar carrière dat de geografische ongelijkheid in Nederland een beleidskeuze is.Beeld Jiri Büller

Jarenlang is er vooral geïnvesteerd in regio’s die het toch al goed deden. Maar het succes sijpelt nauwelijks door. Hoog tijd voor een nieuwe visie, zegt geograaf en journalist Floor Milikowski.

Het is zó zonde. Floor Milikowski gebruikt de woorden gedurende het gesprek meermaals, telkens iets verhitter. Want het kan zoveel beter, zegt ze, bijna als een politicus. De kansen liggen er. Niet alleen in de grote steden, ook op het platteland, in de dorpen. Maar vooralsnog groeit de kloof tussen centrum en periferie, tussen stad en land. Zonde dus.

Vraag Milikowski (40), sociaal geograaf en journalist, waar die onbenutte kansen liggen en ze begint op te sommen. Ten eerste, infrastructuur. Waarom ligt er nog geen hogesnelheidslijn naar Groningen? Of naar Arnhem en verder Duitsland in? Waarom zijn er haast geen rijkswegen in Zeeuws-Vlaanderen en moeten mensen via een toltunnel naar hun werk?

Ten tweede, regionale samenwerking. Waarom zijn Arnhem en Nijmegen rivalen die niets met elkaar te maken willen hebben, terwijl ze een sterk blok kunnen vormen? Waarom is er niets gedaan met het plan de grensregio in Zuid-Limburg te stimuleren? Een regio die centraal in Europa ligt, ligt nu bovenal aan de rand van Nederland.

En zo kan ze doorgaan, als een atlas van gemiste kansen toont ze de potentie van de vergeten delen van Nederland. Zittend op een terras aan de Amstel, een van de meest geprivilegieerde plekken van het land. Zoals onevenredig veel journalisten, wonen ook deze twee in Amsterdam-Oost – een illustratie van het probleem dat zij aankaart.

Milikowski reisde de afgelopen jaren door de provincies om de ongelijke kansen in Nederland te onderzoeken. De resultaten waren te lezen in De Groene Amsterdammer en zijn nu gebundeld in het boek Een klein land met verre uithoeken. Ze zocht naar kloven, krimpdorpen, groeikernen, themawijken, gentrificatie en stedelijk verval.

Haar vorige boek Van wie is de stad (2018) ging over de explosieve groei van Amsterdam, dat ze omschrijft als een pretpark voor hogeropgeleiden. Het werd door boekhandel Scheltema in Amsterdam uitgeroepen tot boek van het jaar. In de jaren dat ze eraan werkte was ze ook al begonnen met haar tochten door het land, waar ze de keerzijden van het succes zag.

Toen Milikowski nog sociale geografie studeerde, rond 2004, was krimp alleen een idee. Wetenschappers en beleidsmakers wisten dat het fenomeen zich ook in Nederland zou voordoen, maar hoe het eruit zou zien? ‘Krijgen we dan van die Amerikaanse spookdorpjes? Of van die Franse en Italiaanse dorpjes waar alleen ouderen wonen? En wat betekent dat?’

In 2011 belde ze aan bij een huis dat te koop stond in het noordoosten van het land, een krimpregio. Meneer Bronsema deed open. Waarom wilde hij weg? ‘Vroeger was er een supermarkt, een gemeentehuis, een kroeg, een paar aannemers, noem maar op.’ Allemaal verdwenen. Ook de buslijn en de basisschool: weg. Dat was haar startpunt.

Milikowski ontdekte gaandeweg dat de geografische ongelijkheid in Nederland een beleidskeuze is. Nadat de overheid in de jaren zeventig had gekozen voor een sociaal beleid van spreiding en maakbaarheid, volgde daarna een tijd van neoliberalisering en marktwerking. Niet langer ging het geld naar plekken waar werkloosheid en armoede het grootst was, maar naar de toch al bloeiende steden.

Die kentering traceert ze terug tot één sleutelzin van Shell-bestuurder Gerrit Wagner, die in 1982 als voorzitter van een adviescommissie tegen het kabinet-Van Agt zei: ‘Don’t back the losers, pick the winners.’

Daarom begint en eindigt het boek met Emmen, de stad die symbool staat voor deze omslag en er slachtoffer van werd. ‘Een bescheiden dorp tot de jaren zeventig’, zegt Milikowski. ‘Door stimuleringsbeleid werd Emmen een middelgrote stad van 50 duizend inwoners. Later vertrokken de fabrieken naar lagelonenlanden, het industriële tijdperk was voorbij.’

Zonder de fabrieken bleek dat Emmen van zichzelf weinig fundament had. ‘Er waren veel arbeiders naartoe getrokken, maar er zat geen dragende laag in, geen elite, geen traditie. Met alle goede bedoelingen is het stadsbestuur toen gaan denken: we moeten vooruit, we mogen niet krimpen. Dan is het tij niet meer te keren.’

De weg vooruit werd gevonden in Emmen Wildlands, een groot, modern en peperduur wildpark dat Dierenpark Emmen moest vervangen en zo drommen toeristen naar de stad zou trekken. ‘De financiële risico’s waren dusdanig groot dat adviesbureaus zeiden: doe dit nou niet. Nu gebeurt wat velen al zagen aankomen: de bezoekersaantallen vallen tegen, de verliezen lopen op en de gemeente moet de schulden overnemen. Die combinatie van goede bedoelingen en megalomaan denken is kenmerkend voor het lokale bestuur.’

Wat zijn andere voorbeelden?

‘De eerste tien jaar van deze eeuw waren in de planologie geïnspireerd door het boek The Creative Class van de Amerikaanse socioloog Richard Florida. Dat je wijken kon opknappen door mooie bibliotheken, theaters, scholen, winkelcentra en kantoorcomplexen neer te zetten. Kijk naar het Maankwartier in Heerlen, dat als een soort moderne medina om het station is gebouwd. If you build it, they will come. Tot aan de kredietcrisis is dat de beleidscultuur geweest. Maar zo simpel is het niet.’

Florida is er ook van teruggekomen.

‘Ja, zijn analyse klopte destijds, de creatieve klasse was de motor van stedelijke vernieuwing en trok andere mensen aan, maar hij had geen oog voor de keerzijden van gentrificatie. Hij is als een soort adviseur-rockster de wereld overgetrokken en heeft op allemaal plekken waar hij niks wist van de lokale omstandigheden gezegd dat er theaters, ateliers en broedplaatsen moesten komen. Zijn ideeën zijn ook in Nederland leidend geweest voor megalomane en later mislukte projecten.’

Moet Den Haag weer sterk sturen of is dat idee van maakbaarheid en spreiding een gepasseerd station?

‘Zoals we dat in de jaren zeventig deden, dat zal niet terugkomen. Dat is ook niet helemaal een succes gebleken. De PTT naar Groningen, het CBS naar Heerlen en de topografische dienst naar Emmen. Dat beleid leverde wel werkgelegenheid op, maar het heeft niet voor verdere economische dynamiek gezorgd. Die diensten waren niet ingebed in de lokale economie.

‘Het beleid was wel een succes omdat de verschillen binnen Nederland minder groot waren. Ik denk dat Nederland toe is aan een nieuwe visie – iets waaraan Rutte een bloedhekel heeft, ja. Zo’n visie moet de vraag beantwoorden: hoe laat je het hele land profiteren van de welvaart die we hebben? De obsessie met Amsterdam, Schiphol en Rotterdam heeft daar welvaart gebracht, maar andere gebieden profiteren er te weinig van. Het zogenaamde trickledowneffect bestaat nauwelijks.’

Thierry Baudet heeft wel een verhaal dat mensen uit de periferie meetrekt.

‘Tja, terug naar het verleden. Maar je zult toch echt vooruit moeten. Baudet snapt inderdaad dat mensen een verhaal willen horen. Maar het is makkelijk om een onrealistische visie voor te schotelen: we doen de grenzen dicht, geen migranten meer, de islam moet weg, we houden Zwarte Piet. 

‘Baudet komt niet met serieuze sociaal-economische of ruimtelijke plannen. Waar de economie bloeit, krijgen mensen geloof in de toekomst en dan verdwijnt die hang naar het verleden. Nu zien veel mensen hoe de welvaart elders stijgt, maar niet in hun buurt. Waarom zijn ze boos? Omdat ze zien dat er op de Zuidas champagne wordt gedronken, terwijl zij relatief armer worden.’

Dan krijg je de ‘revenge of the places that don’t matter’, zoals econoom Andrés Rodríguez-Pose het omschreef: de opkomst van populistische partijen.

‘Ja. Of het nou in het midwesten van Amerika is, het noorden van Engeland of delen van Frankrijk, overal ter wereld zie je hetzelfde gebeuren: er zijn succesvolle enclaves die door de sterk stijgende prijzen steeds minder toegankelijk worden en zich als kosmopolieten vooral met elkaar verbonden voelen.

‘Het is echt pijnlijk als je daarbuiten valt en geen mogelijkheid ziet tot toetreding. Dan gaan ze in Amsterdam ook nog zeuren over de toeristen, terwijl: ze hébben tenminste toeristen. In andere delen van het land neemt de werkgelegenheid af en zijn er gezondheidsproblemen. Er is zeven jaar verschil in levensverwachting tussen laag- en hoogopgeleid; dat is gigantisch. Omdat hoogopgeleiden zich steeds meer clusteren in succesvolle steden en laagopgeleiden achterblijven in andere delen van het land, zorgt dat voor grote gezondheidsverschillen tussen regio’s. In zo’n klein land als Nederland zouden die verschillen niet zo extreem hoeven zijn.’

Is dat ook de bron van de cultuurstrijd en protesten die we de laatste jaren zien?

‘Ja, het hele beleid van het recht van de sterkste, waarmee we al dertig jaar bezig zijn, leidt ertoe dat er strijd is tussen groepen. Ze pakken me alles af, roepen mensen, er mag niks meer tegenwoordig. In Amsterdam lachen we om dat soort uitspraken, maar dat is te makkelijk. Er is een reden waarom mensen dat gevoel hebben. Ze denken: als ik niet mijn ellebogen gebruik, raak ik mijn positie kwijt.

‘Buitenlanders nemen mijn baan in, roepen ze ook. Dat is een nare uitspraak, maar het is feitelijk een gegeven dat er in Amsterdam en Eindhoven veel Aziatische kennismigranten werken en in andere delen van het land veel Oost-Europeanen. De Amsterdamse economie profiteert van de open grenzen, maar juist in grensregio’s is dat veel minder het geval. Daar ontstaan spanningen. Als je dat niet erkent of er iets aan doet, krijg je onvrede, haat en xenofobie. Niemand neemt de regie. Behalve Jan Terlouw met zijn touwtje uit de brievenbus.’ Ze zucht. ‘We zijn vijftig jaar verder!’

Wat zouden de niet-populistische partijen moeten doen om deze mensen aan te spreken?

‘Perspectief bieden en investeren in die gebieden. Welvaart gaat ook om de toegang tot mogelijkheden om vooruit te komen. Heb je fijne winkels in de buurt? Zijn er opleidingen? Is er goede zorg? Is er werk? Zijn er huizen? Heel simpel: de intentie om elke groep en elke plek perspectief te bieden. Dat zou het speerpunt van een campagne moeten zijn. Nu is die ambitie er niet.’

Zoals u net al omschrijft, gaat het om mondiale processen. Zijn die te beïnvloeden met lokaal beleid?

‘Ik denk het wel. Je kunt de welvaart uit Amsterdam gebruiken om andere delen te stimuleren, bijvoorbeeld door met die inkomsten betere treinverbindingen daarnaartoe aan te leggen. Of door met subsidie innovatie in de regio te stimuleren. Bovendien: overal ter wereld zie je nu keerzijden van de groei van de grote steden. Los Angeles, Chicago en New York krimpen. Dat komt deels doordat er meer eenpersoonshuishoudens zijn. Woningen worden dus minder optimaal benut. 

‘Maar de steden krimpen ook omdat steeds meer mensen het niet kunnen betalen om daar te wonen. De iets kleinere Amerikaanse steden, Philadelphia, St. Louis, Nashville, zijn opeens booming. Daar bruist het nu. Omdat huizen betaalbaarder zijn en er nog wel een creatieve klasse van kunstenaars initiatieven kan ontplooien.’

De coronacrisis roept vragen op over het samenleven in de stad, zo dicht op elkaar. Ook Amsterdam krimpt sinds het uitbreken van de pandemie. Is dit het eind van het tijdperk van de grote stad?

‘Dat is lastig te zeggen. Amsterdam krimpt nu omdat expats niet meer komen en naar huis zijn gegaan. Dat is waarschijnlijk een tijdelijk effect. Het effect van corona op de lange termijn is niet duidelijk. In het algemeen denk ik: de trek naar de stad heeft zijn hoogtepunt bereikt of is er al overheen. 

‘Architect Rem Koolhaas en Rijksbouwmeester Floris Alkemade spreken van een emancipatie van de periferie. Je ziet nu dat kleinere steden met charme en voorzieningen het goed doen, zoals Deventer, Zutphen, Arnhem, Amersfoort. En ook de dorpen daar in de buurt zijn in trek. Het zijn plaatsen die ook goed bereikbaar zijn vanuit Amsterdam en Utrecht.’

En de middelgrote steden met een historisch stadshart hebben dan de meeste kans om daarvan te profiteren?

‘Zeker. Mensen houden van die esthetiek, maar ook van de identiteit die een geschiedenis verschaft. Daartegenover staan steden als Helmond, waar ze de binnenstad zestien keer op de schop hebben genomen. Daar voel je niks bij. Je hebt geen houvast in het centrum. Het heeft geen richting, geen identiteit. Of neem Delfzijl, daar is het gewoon lelijk. Vooral die middelgrote steden waar door de jaren heen alleen maar gesloopt is, en waar lelijke wijken zonder samenhang voor in de plaats zijn gekomen, hebben weinig toekomst. Van die steden waar je niet meer voelt wat het geweest is, waar het verleden is uitgewist. Het is zonde, maar het is heel lastig om daar nog iets van te maken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden