Het studiehuis is een luchtkasteel

In het voortgezet onderwijs is een revolutie gaande die een climax bereikt met de invoering van het studiehuis in de bovenbouw van havo en vwo....

HET STUDIEHUIS is door de politiek in het onderwijs geparachuteerd. Een breed publiek debat met ouders, docenten, leerlingen en experts is niet gevoerd.

In het studiehuis staan de algemene leer- en studievaardigheden centraal. Het onderwijs hierin, en de toepassing ervan, zal minstens de helft van het traditionele onderwijs vervangen. De leerling krijgt veel meer opdrachten en taken dan vroeger.

De traditionele kennisoverdracht door middel van een boek en de uitleg van de docent zullen voor het grootste deel vervallen. Die kennis kan de leerling best zelf opzoeken. Dat lukt als je hem de algemene vaardigheden bijbrengt die daarvoor nodig zijn en hem leert internetten. De docent treedt terug en wordt begeleider. Zo ontstaat een nieuwe leerling die veel actiever, gemotiveerder, vaardiger en zelfstandiger is dan zijn voorganger.

Wat zijn die belangrijke algemene vaardigheden eigenlijk waarmee, volgens de studiehuislobby, de nieuwe leerling aan de eisen van de 21ste eeuw zal voldoen? We zeggen dat een leerling over algemene leesvaardigheid beschikt wanneer hij een groot aantal gevarieerde leestaken met succes kan uitvoeren. Een algemene vaardigheid is een bundel van aan elkaar verwante schoolse vaardigheden, in dit geval onder meer: een bepaalde tekst zowel diepgaand, accuraat als op hoofdlijnen kunnen lezen.

Maar nu beginnen de problemen. Met een algemene vaardigheid is een vakinhoudelijk probleem niet op te lossen, dat lukt alleen met de gewone vaardigheden die juist daarvoor zijn ontwikkeld. Het is dus niet mogelijk de leerling uitsluitend een algemene vaardigheid aan te bieden, in de hoop dat hij daarvan in allerlei situaties zal profiteren. Dat werkt niet en dat komt omdat vaardigheid veel minder transfer oplevert dan kennis. Dit lichten we toe.

In schools leren dat zich over een aantal jaren uitstrekt, moet steeds weer nieuwe leerstof (kennis en vaardigheden) aan oude worden gekoppeld. Wanneer nu een leerling eerst een tekst over totalitaire systemen en daarna een tekst over dictaturen moet leren, dan kunnen deze twee taken, elk op zichzelf probleemloos, elkaar zodanig in de weg zitten dat het simpele onthouden van beide teksten ernstig wordt bemoeilijkt.

Dit in het onderwijs voortdurend aanwezige en hinderlijke verschijnsel heet negatieve transfer. Het treedt ook en vooral op wanneer de leerling te snel denkt dat hij de leerstof beheerst.

Wat we met het onderwijs natuurlijk nastreven is positieve transfer: profiteren van eerder leren. Dat vindt vooral plaats wanneer de leerling erin slaagt oude en nieuwe leerstof op betekenisvolle wijze samen te voegen. Daarbij is een zekere mate van gelijkenis nodig voor de koppeling en tegelijkertijd een zekere mate van verschil om niet in de war te raken.

Helaas is oude kennis onderhevig aan 'slijtage', en laat de kwaliteit ervan vaak al vanaf het begin te wensen over, afhankelijk als deze is van de inspanning die de leerling bereid was te leveren en van de manier waarop de leerstof is aangeboden. Positieve transfer komt dus vaak niet tot stand, en kan ook weer verloren gaan.

Wanneer de leerling moeite heeft de nieuwe en de oude leerstof tot een betekenisvol geheel samen te voegen, en het leren hapert, zal hij om houvast te vinden allerlei denkactiviteiten ondernemen: associëren, generaliseren, verbijzonderen, uit het hoofd leren, enzovoort.

Dan blijkt dat kennis zich veel beter voor al deze intellectuele manipulaties leent dan vaardigheid. Het verklaart waarom leerlingen die bij een opdracht vastlopen steevast met kennisvragen bij de docent aankloppen. Dit bedoelen we met de uitspraak dat kennis meer transfer oplevert dan vaardigheid. De vraag of het onderwijs kennis of vaardigheid moet aanbieden is hiermee in het voordeel van kennis beslist.

Is het mogelijk dat deze handicap van schoolse vaardigheden ten opzichte van kennis niet geldt voor de algemene vaardigheden en de leerstrategieën? De opmerking van een der voormannen van de studiehuislobby, Wijnen, dat er naar het effect van 'leren leren' weinig onderzoek is gedaan, is niet juist. Het is een van de oudste onderzoeksthema's in de psychologie.

Meer dan honderd jaar leerpsychologisch onderzoek laat er geen twijfel over bestaan dat onderwijs in algemene vaardigheden zoals probleemoplossen, kritisch denken en leerstrategieën, het traditionele onderwijs niet kan vervangen. Het kan er hooguit als nagerecht iets aan toevoegen. Maar meer onderwijs in algemene vaardigheden vergt altijd minstens evenveel, en nooit minder, traditioneel onderwijs in de inhoud van het vak.

De steen der wijzen bestaat niet. Het ogenschijnlijke gemak waarmee de expert problemen oplost, is het gevolg van een superieure kennis van zaken die met veel arbeid is verkregen. Hoe meer we weten, hoe meer we - misschien - kunnen, daar komt het op neer.

De leerling die zegt, 'ik weet het wel maar kan het niet', vergist zich. Hij weet het niet. Die kennis kan dus maar beter meteen zo worden aangeboden dat we positieve transfer bevorderen. Dat betekent dat de leerstof zo vaak als voor een grondig begrip nodig is, wordt herhaald en in veel verschillende situaties wordt toegepast. Daarbij kan de vakdocent absoluut niet worden gemist.

In het studiehuis treedt de docent echter terug en wordt het kennisaanbod gereduceerd. Voor een groot deel wordt dit kennisaanbod bovendien aan het niet efficiënte zoekgedrag van leerlingen overgelaten. Dit zal uiteindelijk leerlingen opleveren die weinig weten en nog minder kunnen.

Het is veelzeggend dat een bestseller Why Johnny can't read (R.F. Flesch, 1955) in de Verenigde Staten het einde markeerde van een lang tijdperk van studiehuisachtige onderwijsvernieuwingen.

De Amerikaanse onderwijsdeskundige L.A. Cremin noemt dit onderwijs - veel aandacht voor vaardigheid en voor de individuele leerling, veel begeleiding - een reactie van de middenklasse op massa-onderwijs. Voor het welslagen van dit type onderwijs is veel geld nodig of anders zeer gedreven docenten.

Voor het studiehuis betekent dat einde verhaal. Het mag immers niet méér kosten en de docenten zijn niet langer te motiveren. Deze langdurig door de overheid gemangelde beroepsgroep is inmiddels van haar idealen beroofd.

Willem Smit is als onderwijspsycholoog werkzaam aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Dit is de vierde aflevering van een serie van de Volkskrant en politiek-cultureel centrum De Balie in Amsterdam. Eerdere afleveringen verschenen in Forum van 4, 9 en 16 juli. De serie wordt op 7 september afgerond met een debat in De Balie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.