Het stille einde van een wielermonument

Sprinter Lijn Loeveseijn haalde dat jaar (1976) zijn negende titel binnen en achtervolgster Keetie van Oosten haar elfde. Een nationaal wielerkampioenschap dus zoals er in die tijd te veel waren: kreukvrij en dodelijk saai....

Totdat in het holst van de nacht van 12 augustus - om negen minuten voor twaalf - gangmaker Noppie Koch voor de hoofdtribune opeens zijn motor richting jurytafel stuurde. 'Mijn remmen deden het niet meer', verweerde hij zich later. De tafel ging ondersteboven, jurylid Bruijntjes liep een enkelblessure op en wedstrijdleider Bram Koopmans, het eigenlijke doelwit van de getergde Koch, kwam met de schrik vrij.

Bij een terugblik blijkt het nagenoeg de enige rimpeling te zijn geweest in het Olympisch Stadion in de jaren dat de baanwedstrijden daar een zachte dood stierven. Voor wie er niet bij was: Koopmans had Koch (en dus ook stayer Fred Rompelberg) uit de baan bevolen nadat deze eigen rechter had gespeeld ten opzichte van collega Stakenburg (met aan de rol de latere kampioen Martin Venix). 'Ik kan me de reactie van Koch wel voorstellen', sprak Koopmans vergoelijkend en liet een klacht achterwege.

De Volkskrant had het in die augustusmaand over een 'akelig leeg stadion'. Het zou er in de volgende jaren niet beter op worden. In 1967 kwamen nog tienduizenden op de WK-revanches af, maar dat was mede te danken aan de huldiging van de wereldkampioenen Harm Ottenbros en Jaap Oudkerk. Van dergelijke revanchewedstrijden is daarna niets meer vernomen, evenmin als van de Grote Prijs van Amsterdam, ooit de trots van het stadion.

Zelfs voor het wereldtoernooi van 1979 liepen de tribunes niet meer vol, hoewel de Nederlandse inbreng er een was om intens nostalgisch van te worden: vier gouden medailles (Van Oosten, Pronk, Venix en Oosterbosch), twee zilveren (Van der Plaat en Anne Möhlmann) en drie bronzen (Stam, Minneboo en Ponsteen). Daar konden zelfs de gouden dagen van de sprinters Arie van Vliet en Jan Derksen niet tegen op.

Een voor een vielen de stenen uit wat eens een wielermonument was geweest: het nationaal baantoernooi. In 1981 schrapte de KNWU de sprint voor professionals, een jaar later verdween de klassementswedstrijd van het programma. Net zo akelig leeg als de banken werden de kleedkamers onder de Marathontribune. In een poging te redden wat er nog te redden viel, week de wielerunie steeds vaker uit naar 'de provincie', naar Nijmegen, Arnhem, Alkmaar. Toen in Alkmaar een nieuwe wielerbaan verrees, kwam voor de Olympische piste van Amsterdam het einde heel snel.

Al eerder was een poging om met verlaagde toegangsprijzen het publiek weer te lokken, op niets uitgelopen. Het was in 1969 een actie van stadionmanager Jan Derksen en zakenman Dirk van den Broek, welke laatste zelfs zijn naam verbond aan de hoofdprijs van een afvalwedstrijd achter grote motoren. Maar de bejaarden en de jeugd die het tweetal vooral op het oog had, bleven weg.

Van 7 september 1928 dateerde het cement, dat natuurlijk nooit de vergelijking met hout kon doorstaan, maar op gezette tijden toch wereldtijden toestond. Zoals in 1964, toen een volstrekt onbekende Tiemen Groen 's middags zo maar ineens 'op een wrak van een baanfiets' de vier kilometer afraasde in 4.56. Het trok 's avonds twintigduizend mensen naar het stadion, die met eigen ogen het Wonder van Follega wilden aanschouwen.

Of in 1967, toen Gert Bongers eveneens op de achtervolging wereldkampioen werd in 4.55,37. Of in 1979 toen de Sovjet-renner Nikolai Makarov 4.51,31 liet afdrukken. Het was het jaar waarin de DDR-coureur Lothar Thoms de kilometer in 1.06,61 reed.

Stayers wijdden in 1928 de vijfhonderd meter lange baan in om het afscheid van collega Piet Dickentman (wereldkampioen in 1903. . .) te vieren. Grote namen vonden sindsdien de weg naar het Stadionplein, mede ook dank zij vijf wereldtoernooien, waarvan het eerste in 1938 regenboogtruien voor de sprinters Arie van Vliet en Jef van de Vijver opleverde. Van Vliet was opnieuw ongenaakbaar in 1948, maar dat werd vooral het jaar van Gerrit Schulte en zijn onderhand legendarische achtervolgingsfinale tegen Fausto Coppi. Onderweg ontdeed de Bosschenaar zich van de Luxemburger Kemp, de Deen Nielsen en de Zwitser Koblet, tegen wie hij en passant ook nog een baanrecord reed: 6.21,9.

Het WK van 1959 liet het Nederlandse publiek kennismaken met gevestigde grootheden als Maspes, Timoner en Rivière en vestigde de aandacht op de amateur Rudi Altig. Amateurstayer Arie van Houwelingen hield aan het evenement een regenboogtrui over, Martin Wierstra een zilveren, Noppie Koch een bronzen medaille.

Sercu en Morelon heetten de vedetten in 1967, maar ook Tiemen Groen, die in de eindstrijd van de achtervolging afrekende met Porter. Piet de Wit werd 's werelds beste amateurstayer (drie was Dries Helsloot) en Gert Bongers 's werelds beste amateurachtervolger. Waarna al die nationale successen nog eens dik werden overgedaan in 1979, maar toen was de baan van het Olympisch Stadion eigenlijk al ten dode opgeschreven.

Slotetappes van de Ronde van Nederland en Olympia's Tour hadden regelmatig het stadion als eindpunt. Die festiviteiten verbleekten echter bij 1954, toen Tour-directeur Jacques Goddet voor het eerst zijn wielerspektakel buiten Frankrijk liet starten: in Amsterdam. Het was zijn eerbetoon aan de Nederlandse equipe die een jaar eerder het ploegenklassement had gewonnen.

Oud-winnaars zoals Garin, Defraye, Thijs, Lambot, Buysse en Romain Maes vertoonden zich in het stadion terwijl op het gras dansers uit Zeeland, 'Böggebrieders' uit Losser en muzikanten uit Volendam renners en publiek vermaakten. Onder hen vedetten als Robic, Geminiani, Koblet, Darrigade, Bobet (een jaar eerder eindwinaar) en Ockers, maar ook Wim van Est, Wout Wagtmans (winnaar van de eerste etappe naar Brasschaet), Voorting, Nolten, Faanhof, Van Breenen, Maenen, Roks, Klaas van Est en Suijkerbuijk. En natuurlijk ploegleider Kees Pellenaars.

Tourintendant Eli Wermelinger (destijds in de Volkskrant hardnekkig Wemeldinger genoemd) had het over 'de schitterendste start van de hele Tourhistorie'. De hoofdstedelijke cafés bleven aan de vooravond van 8 juli onbeperkt open en rond drie uur 's nachts ontstond op de Dam zelfs een verkeersopstopping. En dat alles voor honderdduizend gulden. Toenmalig stadiondirecteur Dick Bessem later over dat bedrag: 'Ik moet zeggen, wij durfden wel hoor. . .'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden