Het spook van de ontlezing NIET DE LITERATUUR, MAAR HET TAALONDERWIJS MOET DE OVERHEID EEN ZORG ZIJN

LEZERTJES, dat waren we. Zelfs toen we nog niet konden lezen. De gele taxi, Konijntje Woelwater, en ach, het zoete Pinkeltje....

Die leeshonger, kom daar nog eens om, verzucht de veertiger nu, met een blik op zijn eigen kinderen. Die lamstralen grijpen zelden vrijwillig een boek. Thuisgekomen van gitaarles, aerobics of het kinderkookcafé, hangen ze op de bank te zappen, of drukken ze als bezetenen op de toetsen van hun gameboy. Action Man, The Spice Girls en Super Mario zijn hun helden, op een leeftijd dat hun ouders wegliepen met Rémy en Tom Sawyer.

Zulk gedrag duidt in de ogen van weldenkende opvoeders op niets anders dan razendsnel cultureel verval. Al was het maar omdat het zo afwijkt van hun eigen warme kleutertje-luister-jeugd, die hen toch maar tot goed opgeleide, breed geïnteresseerde volwassenen heeft gemaakt. Weinig lezen zal een verbaal zwakke en cultureel onontwikkelde generatie opleveren. Veel voorlezen, te beginnen in de peutertijd, en regelmatig mooie boeken aanprijzen - dat zijn de middelen om het tij te keren.

Althans, van zulke vooronderstellingen ging de overheid uit toen zij in 1994, uit bezorgdheid over de voortschrijdende 'leesuitval', de Stichting Lezen in het leven riep. Deze stichting moet 'het lezen in de vrije tijd' stimuleren. Zij adviseert staatssecretaris Nuis van Cultuur bij de besteding van de subsidie voor leesbevordering: aanvankelijk zes miljoen, voor de komende vier jaar 6,6 miljoen gulden.

De activiteiten die door de Stichting lezen worden geëntameerd zijn talrijk en gevarieerd. Landelijke Voorleesdagen, de Boekieboekiemobiel ('een zeecontainer vol leesplezier'), Halteproza, dat literaire teksten ophangt in abri's, de actie De Schilderswijk Leest!, het festival Literatuur en Sport en een Literaire Lunch met Carla Bogaards - een kleine greep. Twee miljoen gaat naar de omroepen, voor boekenprogramma's als Pyjamapret voor peuters, op de radio, en De Boekenbeer, op de televisie. Ook plugt de stichting 'leesmomenten' in soaps als Goede tijden, slechte tijden. Want als Arnie wel eens een boek leest. . ., dan kun jíj het ook doen.

In het beleidsplan van de stichting, Samenspel en ruggensteun, is van plat leesplezier geen sprake. Lezen heet daarin plechtig 'een cadeau waarvan de waarde nauwelijks is te bevatten', dat toegang geeft tot 'het bouwwerk van wetenschap, tot de ontdekkingsreizen over de wereld, in het zonnestelsel, in de kunsten, in de ziel. . .' Lezen, kortom, is 'een recht', vastgelegd in een handvest van de Unesco. Om dat recht zijn loop te laten, is volgens het beleidsplan een 'breed platform' noodzakelijk, dat 'ontwikkelingen initieert', 'aangrijpingspunten' vaststelt, opdat het 'van een bedreiging een kans maakt' - en meer van zulk machteloos proza dat gesubsidieerd vechten tegen de bierkaai kenmerkt.

Welke boze krachten bedreigen Het Geschreven Woord, dat zo'n grootscheepse reddingsactie wordt ingezet? Slechts ééntje: de lezer heeft er steeds minder zin in. Met een boek bij de kachel is niet langer een vanzelfsprekende tijdpassering. Zoals wel meer vormen van ontspanning stilletjes verdwenen: luisteren naar een hoorspel op de radio, een potje halma, of samenzang bij het huisorgeltje. Wat rechtvaardigt die miljoenen subsidie voor een vrijwillige activiteit in een land met een vrije pers en behoorlijk onderwijs? Wat richt 'het spook van de ontlezing' eigenlijk aan?

Zeker is dat er de laatste vijftig jaar steeds minder wordt gelezen. Recente cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau - door W. Knulst en G. Kraaykamp verstrekt in Leesgewoonten (1996) - tonen een gestaag dalend percentage van de vrije tijd besteed aan het lezen. In 1955 ging gemiddeld 22 procent van de vrije tijd op aan het lezen van boeken, kranten of andere gedrukte publicaties, in 1995 slechts 11 procent. De daling is het scherpst in de laatste twintig jaar, en vooral jongeren haakten af. In 1975 lazen twintigers nog gemiddeld 5,6 uur per week, in 1995 3,2 uur. Trouwe lezers zijn de zestig-plussers, met 8 uur per week.

Het is een opmerkelijke paradox: juist in de tijd dat de deelname aan het hoger onderwijs pijlsnel steeg, nam het lezen in de vrije tijd drastisch af: meer geletterden, minder lezers. De jongste lichtingen academici en hbo'ers lezen nu evenveel als mensen met alleen lager onderwijs, die geboren zijn vóór 1940. Andere feiten: vrouwen lezen twee keer zoveel als mannen. Mannen lezen meer kranten en non-fiction; vrouwen meer literatuur. Twee van de drie literaire lezers zijn vrouwen.

Oorzaken? Ten eerste: andere vormen van vrijetijdsbesteding zijn meer in trek. Televisie natuurlijk, al slurpt die niet eens zoveel tijd op: in de laatste twintig jaar toegenomen van 13,3 naar 15,4 uur. Uitgaan, sporten en de computer nemen veel meer tijd in beslag - uitgaan ('stappen') alleen al 12 procent van de vrije uren. De belangrijkste vijand van het lezen is de drukte in het moderne gezin.

De bevolkingsgroep waarvan de leescultuur het moet hebben en die verantwoordelijk is voor het doorgeven ervan - hoogopgeleiden tussen de 20 en 50 -, heeft andere zaken aan het hoofd. Het is de eerste echte generatie tweeverdieners, het merendeel met kinderen. Vooral voor 30- tot 45-jarigen is het spitsuur. Zij moeten in die jaren alles tegelijk: carrière maken, kinderen grootbrengen, huizen kopen, verbouwen en verkopen, aan hun afkalvende conditie werken en hun bejaarde ouders verzorgen.

Paradox nummer 2: terwijl het aantal vrije dagen toenam, nam de vrije tijd voor de 'middengeneratie' af. Ouders die beiden werken, nemen al hun vrije dagen op in de schoolvakanties. Dan gaat het gezin naar Walibi, er wordt geklust in huis, oma in het tehuis krijgt eindelijk bezoek, maar tijd om te lezen schiet niet over. Tijdens de werkweken wachten na zessen voor man en vrouw 'gezinstaken'. De traditionele kostwinner, met een vrouw die voor huishouden en kinderen zorgde, had veel meer vrije tijd dan de huidige tweeverdiener. Een moeder zonder baan ook. Niet-werkende vrouwen boven de vijftig vormen nog steeds het glanzende hart van de leescultuur.

Maar bij al deze cijfers over de 'ontlezing' past één belangrijke relativering: het aantal uren dat er wordt gelezen, nam helemaal niet af. Dat was ruim vijf uur in 1955, en dat is nu ook nog 5,1 uur per week. Dat er desondanks sprake is van 'halvering' van het lezen in de vrije tijd in veertig jaar komt simpelweg doordat werknemers meer 'vrije tijd' hebben.

Eigenlijk is het wonderlijk dat het aantal leesuren zo constant is gebleven. Vrouwen zijn zelfs méér boeken gaan lezen dan in 1985: zij besteden 1,9 uur per week aan het lezen van een boek, net zoveel als in 1975. Krap eenderde van de 'boekenlezers' (31 procent) leest literatuur, maar zij zijn meteen ook veellezers (2,3 uur per week). Hbo'ers en academici zijn meer boeken gaan lezen dan in 1975; academici ook opvallend meer literatuur. Lezers van kwaliteitskranten besteden per week meer tijd aan hun lijfblad dan twintig jaar terug: 2,5 uur toen, 2,7 uur nu.

VAN EEN MASSALE 'ontlezing' is dus geen sprake. Wel van een oprukkende vergrijzing van de lezer: de baby-boomers, binnenkort 50-plus, zullen de vorige generatie nooit meer inhalen, ook al krijgen ze straks meer vrije tijd. Hetzelfde geldt voor de generatie na hen, en zo verder. Maar is dat een ramp? Leidt minder lezen tot een massale culturele verschraling?

Waarschijnlijk niet. Het gaat erom te vergelijken wát mensen lazen en lezen en wat ze opsteken van andere ontspanning. Smaak en wansmaak, talent en onvermogen zoeken altijd hun weg via de bestaande media. Het boek vertegenwoordigt niet vanzelf een hogere waarde. Talent en goede ideeën verdwijnen niet doordat er minder wordt gelezen. Het is een flauwe retorische truc die altijd opduikt in discussies over het nut van lezen: hoogwaardige lectuur wordt afgezet tegen de hapklare brokken van de vermaaksindustrie.

Die tegenstelling vertroebelt de discussie. De vorige generatie veellezers greep ook niet van nature naar Kafka of Joyce. En bovendien de branche die leeft van het archaïsche medium 'boek' floreert vooralsnog. Het literaire aanbod is onverminderd groot. In 1996 werden 36,8 miljoen boeken verkocht (1990 31,8 miljoen). Daarvan was 23,4 procent literatuur (in 1990 21,9 procent) en 9,1 procent kinderboeken (van 6,8 in 1990 naar 9,1 procent nu). Honderd jaar geleden was voor Louis Couperus, een bekend schrijver, een oplage van duizend exemplaren van een roman al heel wat; nu zijn voor schrijvers als Connie Palmen of Adriaan van Dis oplagen van honderdduizend gebruikelijk. Van Frits van Oostroms Maerlants wereld, een biografie van een dertiende-eeuwse dichter, vlogen tienduizenden exemplaren over de toonbank. Nooit eerder heeft de Nederlandse literatuur zo'n succes gehad in het buitenland. Je kunt alleen maar concluderen dat literatuur terechtkomt bij de ware liefhebbers die niet lezen uit verveling of bij gebrek aan ander vermaak. Ontlezing kan - paradox 3 - heel goed zijn voor de literatuur.

Is het werkelijk desastreus als kinderen niet vrijwillig lezen, naast de verplichte schoolboekenkost? Het valt aan te nemen dat je van lezen veel opsteekt: kennis van de wereld, bijvoorbeeld, of begrip van emoties. Maar zulke winst is moeilijk te meten. Het is pijnlijk voor de leesbevorderaars, maar recent onderzoek duidt niet op fatale gevolgen van weinig lezen. Martha Otter, onderwijskundige aan SCO-Kohnstamm Instituut, concludeerde dit jaar - tot haar verbazing - dat kinderen in de hoogste klassen van de basisschool die thuis veel lezen, géén grotere taalvaardigheid bezitten dan hun van leesgenot verstoken leeftijdgenootjes, en evenmin een grotere kans hebben om op het vwo terecht te komen.

De ironie wil dat wél een grotere technische leesvaardigheid werd waargenomen bij kinderen die meer dan twee uur per dag voor de buis hangen. Het lezen van ondertitels, wees onderzoek van de vakgroep pedagogie van de Rijksuniversiteit Leiden naar de gevolgen van veel tv-kijken uit, vereist een behoorlijke leessnelheid. Ook ontwikkelden deze verstokte couch potatoes het vermogen snel de lijn van een verhaal te volgen, open plekken in te vullen en logische afleidingen te maken.

Natuurlijk, tv-slaven en nintendojunks missen wel degelijk iets. Ze missen een schat aan prachtige verhalen. Ze kennen niet het genoegen opgesloten te zijn in een wereld van de verbeelding, niet de eenzame ontroering, niet het plezier in een taal die beeldender en grappiger is dan die van thuis. Dat is een gemis, zeker, zoals het ook een gemis is nooit getekend te hebben, nooit een muziekinstrument te hebben bespeeld, of in een ander land te zijn geweest. Dat zijn allemaal dingen die goede ouders hun kind niet mogen onthouden. Maar het zijn geen mensenrechten waarvoor de overheid pal moet staan. De overheid dient zich niet te bemoeien met onze al dan niet heilzame vrijetijdsbesteding.

Zo'n bemoeienis is ook tot mislukken gedoemd. Aan alles wat door ouders, leraren en gezagsdragers jubelend wordt aangeprezen, zit een luchtje. Het riekt naar karnemelksepap en gezondheidssandalen. Kinderen hebben onmiddelllijk in de gaten wanneer 'leuk' de stroop is waarmee 'nuttig' naar binnen moeten worden gelepeld. Gratis en gulle verstrekking is geen aanbeveling. Zou het boeken begeerlijker maken als je in de bibliotheek een gulden - altijd nog een fractie van de huurprijs van een videoband - per boek moet betalen? Of als je het lezen van 'romannetjes' tijdens de les weer streng verbiedt?

De recente feiten over de 'ontlezing' laten twee tendensen zien. Allereerst dat een deel van alle mogelijke 'lectuur' bij andere media is terechtgekomen: de doktersroman is vervangen door de soap, de gewelddadige strip door de vechtvideo, Panorama door reality-tv, en de streekkrant door de regionale tv. En ten tweede dat de kloof tussen lezers en nooit-meer-lezers breder wordt. Waarschijnlijk is lezen in gezinnen waar vanouds al een geringe leescultuur bestond, nu vrijwel uitgebannen. Daar gingen ten slotte ook de laatste geschreven teksten, de leesmap en de tv-bode, de deur uit.

Het eerste verschijnsel is niet zorgwekkend, en bovendien onvermijdelijk. Maar het tweede is een ramp: mensen die nooit meer lezen, geen krant, geen folder, kúnnen het op den duur ook niet meer. Van de volwassen Nederlanders is 18 procent 'functioneel analfabeet': ze hebben lezen en schrijven geleerd, maar zijn die vaardigheden kwijtgeraakt bij gebrek aan oefening. Ze hebben moeite met het begrijpen van een krantenartikel, en vaak vormen bijsluiters en formulieren een onneembare horde.

Dat is een schrikbarend hoog percentage. Alarmerend is daarbij dat de afvallers vooral jongeren en lageropgeleiden zijn. Jongeren lezen minder dan ouderen, lageropgeleiden minder dan hogeropgeleiden, jongens minder dan meisjes. Het niet-bekende cijfer over de leestijd van, laten we zeggen, jongens op het vbo, moet dus wel griezelig laag zijn.

Dat is de echte 'ontlezing' die dreigt. En het is wel degelijk de taak van de overheid daar iets aan te doen. Vrolijke boekenprogramma's, literaire lunches en dichtregels van Jan Emmens op de bushalte zijn, hoe opbeurend ook, niet bij machte deze dreigende semi-analfabetisering te keren. Die vindt plaats in delen van de samenleving waar van oudsher toch al nooit literatuur werd gelezen.

Maar het merendeel van de als 'leesbevordering' gefinancierde projecten is merkwaardig genoeg literatuurpromotie. Niet alleen is promotie een zaak van de branche zelf, zij is vooral ook volslagen ineffectief. Literatuur richt niets uit tegen ernstige vormen van 'leesuitval', en daar is de literatuur ook niet voor. Wie lichaamsbeweging in de stadswijken wil bevorderen, geeft de subsidie daarvoor ook niet aan de plaatselijke topsportclubs.

DE ENIGE remedie tegen massale 'ontlezing' is kinderen op school goed te leren lezen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar het huidige onderwijs biedt daarvoor geen garantie. Minister Ritzen mag dan trots vaststellen dat ons onderwijs internationaal goed meekomt, voor het taalonderwijs geldt dat niet. Daarin doet Nederland het beschamend slecht. Twintig procent van de twaalfjarigen verlaat de basisschool zonder op een voor de onderwijsinspectie aanvaardbaar niveau te kunnen lezen.

Uit een groot internationaal onderzoek naar de leesprestaties van 9-jarigen, de IEA Reading Literacy Study in 1993, kwam Nederland bedroevend slecht te voorschijn. Alleen in Venezuela, Indonesië en Trinidad lezen kinderen slechter. De beste resultaten werden gehaald in Finland, de VS, Zweden en Frankrijk. In die landen zijn taal en lezen de belangrijkste schoolvakken. Wij, volk van cententellers, leren onze kinderen goed rekenen.

Taal is de basis voor elke intellectuele activiteit. Het vermogen om een alledaagse tekst te begrijpen is een voorwaarde om redelijk te functioneren: een handleiding volgen, de krant lezen - wie dat niet kan telt niet mee. Goed leren lezen is niet geinig of spannend. Het kost veel tijd en moeite, maar het is nuttig. Een kind dat moeiteloos leest, kan later zelf beslissen of hij in de natuurkunde duikt of in de poëzie, beleggingsadviezen schrijft of kunstkritieken. Alles is dan nog mogelijk.

Overheidsgeld voor 'leesbevordering' zou regelrecht moeten worden aangewend voor een grondige verbetering van het taalonderwijs. Laten we toch ophouden met die krampachtige pogingen om kinderen voor de lol aan het lezen te krijgen. Wat ze leuk vinden, zoeken ze zelf maar uit. Zo bezien zal ook het jongste initiatief van de stichting CPNB, de actie Shock Your Parents, Read a Book, tot mislukken gedoemd zijn. Opvoeders die smeken te worden gechoqueerd: bestaat er iets weerzinwekkenders voor een puber?

Aleid Truijens

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden