Het Socialisme is een Eikeltje

Op 26 augustus 1894 werd in Zwolle de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) gesticht. Dus kan de komende week een eeuw Nederlandse sociaal-democratie worden herdacht....

1.

Je staat onder de douche, het warme water klettert op je rug en je droomt weg. Van de hemel droom je en hoe ze het daar vandaag hebben en of die oude man met zijn grijze baard, die opdoemt uit de nevel, inderdaad God de Vader is zou je ook wel eens willen weten. Hoe pak je dat aan? Rechtstreeks aan God vragen of hij God is? Nee, dat zou, als Hij het echt is, een krenkende uiting van ongeloof zijn en dus een slecht begin van een onderhoud met het opperwezen. Je herinnert je de scène uit de film Grazige Weiden, waar God aan komt kuieren en door een van zijn hemelingen staande wordt gehouden met de woorden die je jezelf nu hoort zeggen.

Have a cigar, Lord.

Nee, dank u, ik rook niet.

Dat komt dan goed uit, want ik heb geen sigaar.

Ah, zei Hij (die immers niet ontkend had dat hij God was), ik bevind mij dus in het gezelschap van een humorist.

Vergeef me mijn misplaatste grapje, zeg je.

Jongeman, deze hele situatie is misplaatst. Ik ben dominee geweest, ik heb dus veel nagedacht over hemel en hel, en in 1879 heb ik met de kerk gebroken omdat ik me daar niet langer in kon vinden. Wees dus zo goed. . .

Hij maakte de zin niet af omdat er op dat moment nog iemand uit de nevel opdook. Een iets jongere man, met een snor en een sikje. Gods Zoon misschien?

Nee maar, zei de tweede Hij (voorzichtigheid bleef geboden, we waren tenslotte in de hemel), Domela Nieuwenhuis!

Wat een verrassing, Troelstra.

Het was blijkbaar geen aangename verrassing. Er ontstond een ongemakkelijk zwijgen dat ten slotte verbroken werd door Domela Nieuwenhuis.

Eh, Troelstra, ik wilde de jongeman net uitleggen dat ik hier niet kan zijn omdat de hemel niet bestaat. U bent toch ook die mening toegedaan?

Absoluut. In mijn jonge jaren wilde ik dominee worden, ik heb dus veel nagedacht over hemel en hel en de uitkomst was dat ik geen theologie ben gaan studeren, maar rechten.

Dan zijn wij hier dus allebei niet op onze plaats.

Inderdaad. Misschien wil de jongeman zo vriendelijk zijn ons. . .

Weer bleef een zin onafgemaakt omdat er iemand uit de nevel opdoemde. Een jongere man, met een kaalgeschoren schedel en een kortgeknipte snor. De Heilige Geest?

Ach, zei Domela Nieuwenhuis, Gorter!

Ook goedemorgen, zei Troelstra.

Heren, zei Gorter, het is niet persoonlijk bedoeld, maar het lijkt me geen goede gedachte om hier nu te gaan vergaderen.

Ons ook niet, zei Domela Nieuwenhuis.

We probeerden de jongeman hier, zei Troelstra, net aan zijn verstand te brengen dat wij niet in de hemel geloven. Dat doet u toch ook niet?

Welnee. Ik heb in mijn jonge jaren nog wel eens overwogen om, zoals mijn vader, dominee te worden. Ik heb dus veel nagedacht over de hemel en het resultaat was dat ik geen theologie, maar klassieke talen ben gaan studeren. Als ik nu inderdaad in de hemel ben, geldt opnieuw wat ik eens zo heb geformuleerd -

O God! ik sta aan den verkeerden kant.

Ik ga te gronde.

Mijn liefde gaat verloren.

Alsof hij op de woorden van de dichter af kwam, voegde zich nu een oude, kale man bij het gezelschap.

Bedaar toch wat, Gorter, zei hij.

Welaan, zei Domela Nieuwenhuis, daar hebben we Vliegen.

Goedemorgen samen, zei Vliegen.

Ach, zei Troelstra, de evangelist van de arbeidersbeweging, de man die al onze wederwaardigheden op aarde in een stapel boeken heeft naverteld, komt nu dus ook eens een kijkje nemen in de hemel om te zien hoe het ons daar vergaat.

Nee, zei Vliegen, ik moet niets hebben van de hemel waar ze ons, arbeiders, zo lang mee hebben zoet gehouden.

De metafysica is een dwaling der bourgeoisie, zei Gorter.

Dat wou ik dus ook al zeggen, zei Domela Nieuwenhuis.

De hemel bestaat. . ., zei Troelstra.

Want het woordje niet veranderde in zijn mond tot een zucht, zo schrok hij van de verschijning die nu uit de nevel kwam: een vrouw van onbestemde leeftijd, gekleed in wat je zo aan vrouwenkleren te binnen schiet van oude foto's. Ze had een picknickmand bij zich.

Nynke van Hichtum, zei Gorter, wat aardig om u weer eens te ontmoeten!

U maakt mijn dag goed, zei Domela Nieuwenhuis.

Voor de schrijfster van Afke's tiental, zei Vliegen, heb ik altijd een zwak gehad.

Nynke, zei Troelstra, ik weet dat ik je veel verdriet heb gedaan met onze scheiding, maar misschien wil je me nu toch even helpen en niet alleen mij trouwens. Ook Nieuwenhuis, Gorter en Vliegen voelen zich hier, in de hemel, niet op hun plaats. Dat we hier zijn is een ontkenning van alles waar we in ons leven voor hebben gestaan, dat begrijp je toch?

Tja, zei Nynke, maar jullie bevinden je wel in het hoofd van die man onder de douche en dat is nu even jullie hiernamaals.

Een douchecel als hemel, mopperde Vliegen.

Dat is ook niks, zei Nynke, daar heb je gelijk in. Zullen we dan maar naar mijn zesde hoofdstuk gaan? Afke's geraniums en fuchsia's en maandroosjes, stonden in vollen bloei, en de wei, waarop ze uit 't raam van haar huisje uitzag, was heerlijk om te zien: geel van boterbloemen, roodbruin van wilde zuring, rose en wit van klaverbloesem, en dat alles overschaduwd door een overvloed van bloeiende graspluimen! En 't was juist deze sluier van fijnvertakte grasbloemen, die alles zo mooi maakte, die een toverachtig waas verspreidde over de hele wei. . .

Nynke spreidde een wit tafellaken uit op het gras en daarop stalde ze de heerlijkheden uit haar picknickmand uit: stokbrood, boter, kaas, ham, pâté, zalm, peren, wijn, bier en sigaren.

Ik rook niet, zei Domela.

Ik drink niet, zei Troelstra.

Pâté zet zo aan, zei Gorter.

Ik neem altijd boterhammen mee van huis, zei Vliegen.

Stel je niet aan, zei Nynke, we zijn in de hemel.

2.

Wat verschaft ons eigenlijk het genoegen?

Vliegen vroeg dat, terwijl hij de kruimels van zijn mond veegde. De anderen knikten. Ja, dat wilden ze ook wel eens weten.

Dat het nu honderd jaar geleden is, zei Nynke.

Ik voelde het al aankomen, zei Domela.

26 augustus 1894, zei Troelstra.

Ja, zei Gorter, toen werd de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij opgericht, hè. Laten we toosten op een eeuw sociaal-democratie in Nederland.

Je enthousiasme siert je, zei Vliegen, maar ik geloof dat Domela Nieuwenhuis nog iets wil zeggen.

De sociaal-democratie in Nederland, zei Domela, begon in 1878 met de oprichting van de SociaalDemocratische Vereeniging in Amsterdam, door een smid. In 1879 gaf ik zelf de stoot tot de oprichting van een Sociaal-Democratische Vereeniging in Den Haag. Daarna kwamen er verenigingen tot stand in Rotterdam en Haarlem en in 1882 bundelden die vier verenigingen zich tot de Sociaal-Democratische Bond, waarvan ik de leiding op me nam. Wat valt er dus te toosten op een eeuw sociaal-democratie?

Ik ben in 1883 bij de beweging gekomen, zei Vliegen.

Ja, als we zo beginnnen, zei Troelstra, kan ik ook wel gaan roepen dat ik in 1890 bij de beweging kwam.

De advocaat Troelstra wou toen voor meer dan duizend gulden per jaar redacteur worden van de partijkrant, zei Domela.

De krant van een beweging, zei Vliegen, die het moest hebben van onbetaalde arbeiderspropagandisten als ik, een eenvoudige letterzetter. Weet je dat ik nog eens half dood ben geslagen omdat ik met zo'n krantje ventte?

Ik moest, zei Troelstra, toch ook kunnen leven en de premie betalen van mijn levensverzekering. . .

Ik had een handeltje in revolvers, zei Vliegen, dat was mijn levensverzekering.

Ik heb voor de beweging in de gevangenis gezeten, zei Domela.

Ik ook, zei Troelstra.

Maar niet zo lang als ik, zei Domela.

Je wou, zei Nynke, eigenlijk schrijver worden, Pieter Jelles Troelstra. Je hebt nog een Fries literair blaadje opgericht, For hûs en hiem, waardoor je mij toen ook aan de schrijverij hebt gebracht.

Maar, zei Troelstra, we kregen alleen nog maar opzeggingen toen ik er socialistische poëzie in publiceerde - Daar is uw werk, daar loopt uw baan, daar vangt uw eigen leven aan.

Tja, zei Gorter, die poëzie van je, daar heb ik ook nooit wat aan gevonden.

Dank je, zei Troelstra.

Niemand, zei Domela Nieuwenhuis, verdiende toen iets aan het socialisme.

Ik ben er jarenlang woedend over geweest, zei Vliegen, dat je het in je hoofd durfde te halen om een salaris te eisen waar een arbeider nog niet van kon dromen.

Later, zei Troelstra, ben je als kamerlid van de SDAP ook heel netjes aan het socialisme gaan verdienen. Jij was het trouwens ook die destijds het manifest schreef voor de oprichtingsvergadering van de SDAP, die we met ons twaalven hebben belegd in Zwolle.

De twaalf apostelen, schamperde Domela Nieuwenhuis.

Jullie, zei Troelstra, wilden niet meer aan de verkiezingen meedoen en wij wel. Daarom worden wij nu herdacht en jullie niet, omdat wij er nog zijn, ja wij zelf niet natuurlijk. . .

Maar, zei Vliegen, ik heb het er wel heel moeilijk mee gehad, hoor. Alle arbeiders trouwens. Je was een bourgeois en met lui van jouw soort hadden we weinig op.

Was, vroeg Troelstra, Domela dan geen bourgeois?

Dat was wat anders, zei Vliegen.

Ja, zei Troelstra, Domela was in jullie ogen de Verlosser, de Heiland. . .

Ik heb zulke dingen nooit over mezelf gezegd, zei Domela.

Je liet het je, zei Troelstra, anders wel graag aanleunen dat ze zulke dingen over je zeiden.

Troelstra was, als ik even zo vrij mag zijn, zei Domela, ook niet afkerig van persoonsverheerlijking.

Hij was een groot man, zei Gorter, laten we daar nu niet op gaan afdingen. Hij bracht troost en hoop in de harten van de onderdrukten, de vertrapten, de rechtelozen. Door hem voelden ze zich begrepen, herkend en vertegenwoordigd.

Heb je het nu over Domela of Troelstra, vroeg Vliegen.

Over allebei natuurlijk, zei Nynke.

Gorter wilde daar, zo te zien, een antwoord op geven, maar Troelstra was hem net even te vlug af.

Al dat gepraat van ons over een betere wereld, zei hij, was natuurlijk goed en nodig. Maar je moest die dingen ook zeggen in het parlement.

Wat, zei Domela, een samentrekking is van parler en mentir of in goed Nederlands: praten en bedriegen.

Net als Vliegen, zei Troelstra, heb ik in het parlement altijd de waarheid gezegd.

Al hadden we wel eens verschillende waarheden, zei Vliegen.

Dat bedoel ik dus, zei Domela Nieuwenhuis.

Er is maar één waarheid, zei Gorter.

Jullie eten niet, zei Nynke. Wie wil er nog wijn? En proef nou toch eens van dat kaasje daar, dat zou jullie tongen wat zachter maken.

Mmm, zoemde de cello van Domela al gauw.

Ah, liet Troelstra zijn eerste viool zingen.

Hemels, stemde Gorters altviool in.

Heerlijk, voegde Vliegens tweede viool zich in het kwartet mannenstemmen.

Als ik me nu uitkleed zijn we een schilderij, zei Nynke, maar ik hou alles aan, hoor.

Stel je niet aan, zei Troelstra, we zijn in de hemel.

Die scheuring, zei Vliegen, was ontzettend pijnlijk. Mensen die tien jaar lang de beste vrienden waren zeiden elkaar niet meer gedag, zulke dingen kreeg je toen.

Het ging om de beweging, zei Nieuwenhuis.

Om de politieke macht, zei Troelstra.

Om lotsverbetering, zei Vliegen.

Om het principe, zei Gorter.

Jullie, zei Nynke, zien niet het mooie geheel van zo'n wei vol bloemen.

III

In de verte draafde een veulen achter haar moeder aan, hoger in de hemel zong een leeuwerik en de wei om hen heen bloeide en geurde. Maar het was alsof de vier mannen van al dat moois gescheiden waren door een onzichtbare stolp van oud verdriet.

De tranen van Vliegen, zei Troelstra.

Ik huil nooit, zei Vliegen.

Behalve toen we voor het eerst in Amsterdam kwamen spreken over onze nieuwe partij. Jij sprak die avond als eerste en je kon je niet verstaanbaar maken. Toen heb ik je zien huilen.

Het was moeilijk, zei Vliegen, dat geef ik toe. Maar denk je dat die schreeuwende meute jou wel heeft verstaan?

Herinner je je, zei Troelstra, dat er vlak voor het podium een man stond met zo'n toeter voor hardhorenden aan het oor?

En nu een andere kwestie, zei je.

Die man draaide zich om en riep: Stil! Een andere kwestie!

Toen kon je verder spreken, maar niet voor lang.

Domela Nieuwenhuis zat in de zaal en greep niet in.

Waarom zou ik, zei Domela Nieuwenhuis.

Omdat ze naar jou hadden geluisterd, zei Troelstra.

De volgende keer dat we kwamen spreken, zei Vliegen, werd er wel naar mij geluisterd.

En toen Domela Nieuwenhuis die avond dan ook zou spreken, zei Troelstra, kon hij zich niet verstaanbaar maken.

Dat, zei Domela, hadden jullie bereikt. De arbeiders keerden zich van mij af, maar niet omdat ze zoveel zagen in jullie partijtje.

Wat we eraan overhielden, zei Vliegen, was een gevoel van verlatenheid.

Daarom waren we ook zo blij, zei Troelstra, dat een man als Gorter zich bij ons aansloot.

Samen met Henriëtte Roland Holst en haar man, zei Nynke, op het Paascongres van 1897. Jammer dat ze hier nu niet kan zijn omdat ze ergens anders in de hemel een spreekbeurt heeft, maar ze heeft me gevraagd om, als het zo uitkwam, dat verhaal nog eens te vertellen en ik geloof dat het nu even zo uitkomt.

De mannen knikten.

Nynke pakte een boek uit haar picknickmand en las voor:

Pasen viel tamelijk laat dat jaar; in de plantsoenen en parken ontbotte het jonge hout; om de struiken hing een teergroen waas; de zachte lucht was vol beloften. Als we, tusschen de zittingen van het congres door, met ons drieën een eindje rondliepen, voelden we de stemming van hoop en verwachting, die de lente altijd pleegt te wekken, ons van 't hoofd tot de voeten doortintelen. Nooit nog, leek het ons, hadden we dat gevoel van ontwakend natuurleven zo intens gevoeld en genoten. We spraken het uit tegen elkaar, dat het ons eigen innerlijk leven was, dat ditmaal aan het lentefeest zulk een warme innigheid gaf. Voor het eerst in ons leven hadden we iets beseft van de grote opstanding der onterfden uit nood en druk, iets gevoeld van de grote kameraadschap der opgestanen. Dat maakte die lente anders-schoon, anders-rijk voor ons dan één vorige.

Het was even stil tot Gorter zijn keel schraapte.

Zo was het, zei hij.

We waren vereerd, zei Troelstra, dat de dichter van Mei zich bij ons aansloot.

Al heb ik later, zei Vliegen, wel eens gedacht dat het beter zou zijn geweest als je al je tijd had besteed om na Mei ook de andere maanden van het jaar te behandelen.

Maar ik was vastgelopen als dichter, zei Gorter, ik joeg op inspiratie en die vond ik in het socialisme.

Je kwam uit zelfbehoud bij ons, zei Troelstra.

En jij, zei Gorter, bekende je niet tot het socialisme om daar zelf beter van te worden. Wil je dat zeggen? Om via mij nog eens Domela te laten weten dat ook jij offers bracht?

Troelstra haalde zijn schouders op.

1897, zei hij, was in veel opzichten een jaar van kentering. Met de verkiezingen kregen we een paar zetels.

En ik, zei Domela Nieuwenhuis, noemde me voortaan anarchist.

Maar het is niet waar, zei Gorter, dat ik me niet bekommerde om de nood van de arbeiders.

Dat zeg ik ook niet, zei Troelstra.

Surhuisterveensterheide, zei Gorter, in het allerarmste deel van Friesland. Weet je nog, Troelstra, hoe ik samen met jou in een comité zat om daar een dorpshuis te stichten?

Natuurlijk, zei Troelstra. Ik wil ook niet zeggen dat je niet begaan was met alle ellende waar we wat aan wilden doen.

Ik hield van de arbeiders, zei Gorter, ik ging overal spreken en dan fietste ik 's nachts weer naar huis toe of anders bleef ik slapen bij een partijgenoot.

Of, zei Vliegen, een partijgenote.

Gorter kon prachtig spreken, zei Nynke. Arbeiders, ik kan het u snel duidelijk maken. . .

Ja, zei Troelstra, je zei eigenlijk altijd hetzelfde.

Jij niet, zei Gorter.

Ik hield rekening met de veranderende werkelijkheid.

Ik hield me aan de leer van Marx.

Jij sabbelde op het woord revolutie of het een toverbal was, zei Troelstra.

Jij vond jezelf ook een hele revolutionair, zei Gorter.

In 1903, zei Domela Nieuwenhuis, was er een revolutionair moment met de algemene staking en die is verloren gegaan door het verraad van Troelstra en de zijnen.

O, zei Vliegen, die vreselijke nachtvergadering die we toen hebben gehad over dat zogenaamde verraad. Dat gescheld. . .

Toen heb ik je ook zien huilen, zei Troelstra.

De band met de oude beweging, zei Vliegen, werd toen voorgoed doorgesneden. Wat denk je dat er dan door je heen gaat?

Pieter Jelles moest toen ook worden getroost, zei Nynke. Afke's tiental verscheen dat jaar.

Ze hebben me zo vuil behandeld, zei Troelstra.

Met Gorter kon ik het toen anders wel vinden, zei Domela.

Troelstra plukte een margriet en gaf die aan Nynke. Gorter schonk iedereen nog wat witte wijn in. Vliegen sneed voor allemaal weer wat brood af. Domela Nieuwenhuis wees omhoog.

Luister, zei hij.

Hoog boven de wei zong de leeuwerik zijn onsterfelijke lied.

En het heelal werd blauw van propaganda, zei Gorter.

Terwijl ze met hun ogen het vogeltje volgden was het net of die stolp van oud verdriet dunner werd.

IV

Wat het hem deed - het vogeltje, de zomerdag, het ophalen van die oude verhalen of de wijn - is de vraag, maar opeens zaten ze te zingen: Ontwaakt, verworpenen der aarde. . .

Gorter's stralende tenor, Nynke's warme alt, Troelstra's juichende bariton, Vliegen's door een wat onzeker vibrato omwoelde bas-bariton en Domela's donderende bas mengden zich tot samenklanken waaruit een onverwoestbaar gevoel sprak dat ze deelden.

De wereld steunt op nieuwe krachten, zongen ze, begeerte heeft ons aangeraakt!

Bij die zin knipoogde Nynke naar Troelstra, die daarvan zo moest blozen dat hij pas weer kon invallen bij de laatste zin: - en d'Internationale zal morgen heersen op aard!

Van mij, zei Vliegen, mocht het ook wel overmorgen zijn.

Jij kunt niet zingen, zei Gorter.

Het zou geen kwaad ding zijn, zei Vliegen, als wij moeilijke kwesties met zingen hadden kunnen oplossen.

Want, zei Troelstra, zo zangerig was het allemaal niet wat Gorter me allemaal naar het hoofd begon te slingeren.

De marxisten in de partij, zei Gorter, wilden strijd volgens het beginselprogram, maar jij en Vliegen waren revisionisten, opportunisten, reformisten. . .

Dat was dus niet aardig, zei Nynke.

Dan zaten we achter in de zaal met die paar marxisten, zei Gorter, naar Troelstra te luisteren en ik herinner mij hoe midden in de storm van bijval, midden in de schitterende reformistische uiteenzettingen, de arbeiders omkeken naar de 'idioten' en 'ezels' en 'kinderachtige dwazen' zoals hij ons dan noemde.

Hij was zo ongelukkig in die tijd, zei Nynke. En ik kon je ook niet gelukkig meer maken, mijn jongen, daar werd ik dan weer zo ongelukkig van. Volgens mij konden we beter scheiden, maar dat wou je ook niet, dan dreigde je met zelfmoord.

Ik wist me geen raad, zei Troelstra.

Tot je verliefd werd op Sjoukje, zei Nynke, en wij in 1907 eindelijk konden scheiden.

Die vervelende marxisten, zei Troelstra, heb ik toen ook de wacht aangezegd.

Wij, zei Gorter, hebben toen in 1909 de Sociaal-Democratische Partij gesticht.

Toen jullie me niet meer dwars zaten, zei Troelstra, begon voor de SDAP de opgang. Bij de verkiezingen van 1913 schoten we omhoog van zeven naar achttien zetels.

Je was, zei Vliegen, opeens een fractievoorzitter die ook met een advies naar de koningin moest.

Die ochtend, zei Troelstra, haalde ik mijn nette broek uit de kast en hij paste me niet meer. Sjoukje moest hem van achteren openknippen, anders kon hij van voren niet dicht. Nou ja, met de jas erover zag je er niks van, maar bij de koningin voelde ik die scheur groter worden en ik was zo blij dat het protocol eiste dat ik achteruitlopend naar de deur moest. . .

Je had toen minister kunnen worden, zei Vliegen.

Ja, zei Troelstra, we kregen drie portefeuilles aangeboden.

Aanpakken, zei ik.

Aanpappen, zei Troelstra, met de burgerlijke partijen.

We hebben je nog over de streep proberen te trekken via een buitengewoon partijcongres, zei Vliegen.

Razend was ik, zei Troelstra, dat ik daar opeens tegen heug en meug onze deelname aan het kabinet moest gaan verdedigen. Maar het congres zag er gelukkig niets in en ik kon mooi mijn draai nemen. Ik zei: Ik krijg nu last van uw proletarisch sentiment, maar dat sentiment bewonder ik.

Goed geblaft, zei Gorter, maar toen in 1914 de Wereldoorlog uitbrak zat je, als reformist, weer in zo'n parket. Want het parool van links was 'Geen man en geen cent' en wat deed jij?

Ik heb voor de mobilisatie-kredieten gestemd, jazeker.

En ik heb je van repliek gediend in Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaal-democratie.

Met die brochure heb ik nog gecolporteerd, zei Domela.

Jullie, zei Vliegen, stonden buiten de werkelijkheid.

Een werkelijkheid waarin arbeiders elkaar afslachtten, zei Domela.

Het trillen van mijn handen, zei Troelstra, is toen begonnen.

Iedereen keek onwillekeurig naar Troelstra's handen, maar die trilden niet meer. Dat was in de hemel blijkbaar weer goed gekomen. Hij beboterde wat brood, belegde het met kaas en spoelde zijn hap weg met een flinke slok wijn.

De Internationale zal heersen op aard, zei Troelstra, jawel, natuurlijk, daar wou ik ook graag in geloven en daarom heb ik in november 1918 die stommiteit uitgehaald.

We kwamen zo zoetjes aan weer bij Domela terug, zei Vliegen, want Troelstra werd een mengelmoes van revolutionarisme en parlementarisme. Terwijl we het algemeen kiesrecht kregen. . .

In Rusland, zei Gorter, was in 1917 de revolutie uitgebroken en de SDP was daar zo vol van dat we onze naam veranderden in Communistische Partij Holland.

Waarmee, zei Vliegen, jouw partij zich dus buiten de sociaal-democratie plaatste.

Wij, zei Troelstra, waren volgens jullie sociaal-patriotten en sociaalverraders.

Maar, zei Vliegen, toen sloeg in 1918 de revolutie over naar Duitsland.

En ik, zei Troelstra, dacht dat die niet bij Zevenaar zou stoppen. Toen heb ik hier ook de revolutie uitgeroepen.

Maar ik, zei Vliegen, had niet 25 jaar gevochten voor het algemeen kiesrecht om het een paar maanden na zijn invoering weer af te schaffen.

Het was een vergissing, zei Troelstra.

Die wij weer mochten rechtzetten, zei Vliegen, want jij was opeens ziek toen de revolutie niet doorging.

Ik ben nog naar zo'n van revolutie overkokende vergadering gegaan, zei Domela Nieuwenhuis, en het was me zoals het Mozes verging, die oud en bedaagd van de berg af het beloofde land aanschouwde en daarna in vrede kon sterven.

We hebben allemaal gehuild, zei Vliegen, toen we je in 1919 naar je graf hebben gebracht. Het was of we afscheid namen van iets in onszelf.

In de verte kwamen wolken aan en de wind duwde een punt van het tafellaken omhoog.

Laten we naar huis gaan, zei Nynke.

V

Nynke deed wat er nog over was van het lekkers in haar mand. Troelstra klopte het tafellaken uit en hing dat om Domela's schouders.

Ja, zei Vliegen, zo is het.

Ze liepen over een plank die over een sloot lag, staken een bleekveldje over en gingen een huisje binnen dat achter de bleek stond. Wat scheef gezakt, met een dak van rode pannen en achter de ramen geraniums en andere roodbloeiende potplanten. Ze stommelden door een portaaltje en kwamen in een keukenkamer waar biezen stoelen rond een tafel stonden te wachten.

Ik ga koffie zetten, zei Nynke.

Ze hurkte voor de kachel, porde met een pook in het vuur en gooide er een nieuwe turf op. Terwijl ze daar aan het redderen was, zei Troelstra tot Gorter:

Met die revolutie van jou, daar in Rusland, is het ook niets geworden, hè?

Ik heb er, zei Gorter, nog een open brief over geschreven aan kameraad Lenin.

Hij heeft je nooit teruggeschreven, zei Vliegen.

Hij heeft er wel met me over gepraat, zei Gorter, maar het leek hem het beste dat we hier jouw politiek zouden volgen.

Tja, zei Troelstra, maar je had je geèoleerd van de sociaal-democratie en daarna ook van de bolsjewieken, wie hielden je toen nog gezelschap?

Lui die hun argumenten kracht bij zetten door met stoelen te gooien, zei Gorter.

Stoelewieken, zei Vliegen.

Daar hoorde je niet bij, zei Troelstra, jij hoorde eigenlijk alleen maar bij jezelf.

Het socialisme, zei Gorter, het is een eikeltje, het is een ster van uit de vert gevallen, het is een kindsdroom die tot waarheid werd, het gouden geluk, plotsling met een vaart op aard gekomen, en daar uitgebreid tot een zonnig en weeldrig gebouwd net. Het is de droom van het verleden.

Omdat je ons blij maakte met zulke woorden waren we allemaal bedroefd toen je in 1927 stierf, zei Vliegen.

Domela Nieuwenhuis haalde het witte laken van zijn schouders, maar toen hij dat om de schouders van Gorter wou draperen weerde die hem af.

Toe nou, zei Vliegen, je wou al niet dat ik een portret van je opnam in mijn geschiedenis van de sociaaldemocratie, maar je hoort er toch bij?

Vooruit dan maar, zei Gorter.

Hij liet Domela Nieuwenhuis begaan, terwijl Nynke koffie inschonk en bij elk kopje een glaasje neerzette met de woorden: cognac, calvados, armagnac of marc de bourgogne? Gorter wilde armagnac, de anderen gaven de voorkeur aan cognac.

Jouw rol, zei Vliegen tegen Troelstra, was na 1918 eigenlijk ook uitgespeeld.

Welnee, zei Troelstra, door mijn optreden hebben we de achturige werkdag gekregen en meer van die verbeteringen.

Die er anders ook heus wel waren gekomen, zei Vliegen.

De arbeiders hielden van me, zei Troelstra.

Daarom kon je zelf het moment van je afscheid bepalen, zei Vliegen.

In 1925, zei Troelstra, het Piterke ûtpoept.

Het begon donker te worden en Nynke deed de petroleumlamp aan, die boven de tafel hing.

En toen je in 1930 stierf, zei Vliegen, hebben we allemaal een deuntje staan janken.

Gorter trok het witte laken van zijn schouders en drapeerde dat om de schouders van Troelstra.

Toen, zei Vliegen, zijn we overgegaan tot de orde van de dag. De laaiende geestdrift was weg, het socialisme werd alledaags, de herinnering aan 1918 sleet weg en we werden een partij die in 1939 eindelijk mee mocht regeren. Ik geloof dat jij er in het begin van dat jaar al niet meer was, Nynke.

Troelstra legde het laken om de schouders van Nynke.

Dat staat me niet, zei ze verlegen.

Jawel, zei Vliegen, nu ben jij aan de beurt. Zal ik nog wat inschenken?

Ach ja, zei Nynke, we zijn nu toch in de hemel.

De hel, zei Vliegen, die kregen we toen. Want de oorlog kwam, de SDAP verdween ondergronds en in 1946 zijn we opgegaan in de Partij van de Arbeid. Ik ben de enige hier die de SDAP heeft overleefd.

Jij, zei Nynke, hebt ook een mooie begrafenis gehad in 1947.

Ja, zei Vliegen, in het Concertgebouw.

Nynke legde het laken om zijn schouders.

Het is een partij naar jouw snit geworden, zei Troelstra.

En die partij bestaat gelukkig nog steeds, zei Vliegen.

Maar er zijn gelukkig ook nog altijd mensen die die partij te rechts en te opportunistisch vinden, zei Gorter.

En er zijn nog altijd anarchisten, zei Domela Nieuwenhuis.

Die moeten ook er zijn, zei Nynke.

Vliegen trok het laken van zijn schouders en Nynke hielp hem het op te vouwen. Ze legde het op de lappenbank tussen de ramen, onder de spiegel, en schonk nog eens in.

Kom, zei ze, nog een slaapmutsje en dan is het bedtijd.

Je hebt het goed met ons voor, zei Troelstra.

Ik wil hier nooit meer weg, zei Domela.

Je bent zo lief, zei Gorter.

Voor jou, zei Vliegen, zou ik de barricaden wel op willen.

Ga de trap nou maar op, jongens, zei Nynke, en ga lekker slapen. Het is een mooie dag geweest.

De mannen stommelden de trap op naar de zolder.

Ze keek ze met een gelukkige glimlach na.

Het zijn beste jongens, zei ze.

Toen klom ze op een stoel en blies de petroleumlamp uit.

Pffft!

Toen kleedde ze zich uit - je kijkt even discreet de andere kant op - en ze kroop in de bedstee.

Welterusten!

Het warme water klettert nog steeds over je rug. Ja, je bent zo langzamerhand wel schoon. Je draait de kraan dicht, pakt de handdoek en droogt je af.

Je kunt er weer tegen, wat de dag ook brengen mag.

Het socialisme is een eikeltje.

Daar komen soms rare bomen van.

Een eikeltje.

Martin Schouten

Hieronder volgen de teksten van de FOTO-onderschriften bij dit artikel:

Willem Hubert Vliegen (18621947). Letterzetter. Werd in 1883 lid van de SDB en was in 1894 een van de mede-oprichters van de SDAP. Van 1906 tot 1925 was hij voorzitter van de partij en van 1909 tot 1937 vertegenwoordigde hij de partij in het parlement. Hij was lid van de gematigde vleugel die in 1909 een eind maakte aan de oppositie van Gorter c.s. en in 1918 na Troelstra's revolutiepoging de partij weer in goede banen leidde. Vliegen was ook de chroniqueur van de beweging. In De dageraad der volksbevrijding beschreef hij het Nederlandse socialisme tot 1894 en in Die onze kracht ontwaken deed boekstaafde hij de wederwaardigheden van 25 jaar SDAP.

Herman Gorter (1864-1927). Leraar klassieke talen, die zich sinds 1895 geheel aan de literatuur en de politiek wijdde. In 1889 verscheen zijn lange gedicht Mei. In 1897 werd hij lid van de SDAP. Hij werd actief in de partij als propagandist en als dogmatisch hoeder van de marxistische leer, waardoor hij tegenover de praktische politicus Troelstra kwam te staan. Dat leidde in 1909 tot een scheuring. Met wat geestverwanten stichtte hij e Sociaal-Democratische Partij, die zich in 1918 omdoopte tot Communistische Partij Holland. In 1921, na het schrijven van een Open brief aan kameraad Lenin, verliet hij de CPH. Gorter werd aanhanger van het radencommunisme.

Nynke van Hichtum (1860-1939) - pseudoniem van Sjoukje Maria Diederika Bokma de Boer. Schrijfster van kinderboeken. Verloofde zich in 1885 met Troelstra (hier op de foto) en trouwde in 1888 met hem. Haar bekendste werk is Afke's tiental (1903). In 1907 scheidde ze van Troelstra, die het het jaar daarop hertrouwde met zijn huishoudster, die ook Sjoukje heette. Sjoukje Bokma de Boer, die ziekelijk was, vond geen nieuwe partner. Zij voedde hun twee kinderen verder op. Onder het vele werk dat ze na Afke's tiental nog publiceerde werd vooral het in 1932 verschenen Jelle van Sipkje-Froukjes populair. In de socialistische beweging heeft ze geen rol gespeeld.

Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919). Luthers predikant van 1870 tot 1879, toen hij met de kerk brak en de stoot gaf tot de oprichting van de Sociaal-Democratische Vereeniging in Den Haag. Sinds 1882 was hij de voorman van de in 1881 ontstane Sociaal-Democratische Bond (SDB), een samenwerkingsverband van de SociaalDemocratische Verenigingen. Van 1888 tot 1891 was hij namens de SDB lid van de Tweede Kamer. In 1892 keerde hij zich met de SDB af van het parlementarisme, wat in 1894 leidde tot een scheuring in de Sociaal-Democratische Bond. In 1897 brak hij definitief met de sociaal-democratie en noemde zich voortaan anarchist.

Pieter Jelles Troelstra (1860-1930). Fries dichter en advocaat. Werd in 1890 lid van de SDB en brak met de SDB toen hij 1894 met elf gelijkgezinden - 'de twaalf apostelen' - de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) oprichtte. Van 1897 tot 1925 was hij, met

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden