Het sjeik-effect

Het lijkt een typische nouveau riche-actie, de aankoop van een Cézanne door de koninklijke familie van Qatar voor 250 miljoen dollar. Maar dat ligt een stuk genuanceerder. Econoom Olav Velthuis legt uit.

Begin deze week werd bekend dat de koninklijke familie van Qatar De Kaartspelers (circa 1895) van de Franse post-impressionist Paul Cézanne heeft gekocht voor tenminste 250 miljoen dollar. Het schilderij is daarmee verreweg het duurste kunstwerk aller tijden. Dat roept vragen op: over de motieven van Qatar, de redelijkheid van de prijs en de impact op de kunstmarkt.


250-300 miljoen dollar voor dit ene schilderij; bijna een verdubbeling van het staande record (140 miljoen voor Jackson Pollocks No.5, 1948 in 2006). Is dit een typische aankoop van een statusbeluste miljardairsfamilie met veel te veel geld?

Er zijn inderdaad nogal wat nieuwe rijken die zich via kunst proberen in te kopen in de internationale jetset. Kunst is immers onderdeel geworden van de levensstijl van die jetset. Tot die levensstijl behoort ook een groot jacht in de Méditerranée, een luxe appartement op Manhattan en als het even kan een Britse voetbalclub. Maar de aankoop van deze Cézanne wijkt in een aantal opzichten van het cliché af. Om te beginnen is het werk bedoeld voor een museum, niet voor een privécollectie - al is het in het emiraat Qatar, waar de koninklijke familie ook de overheid domineert, onduidelijk waar de scheiding tussen openbaar en particulier kunstbezit ligt. Het kunstwerk zal te zien zijn in het Nationale Museum van Qatar, dat momenteel naar ontwerp van de Franse architect Jean Nouvel wordt gebouwd.


Ook de beweegredenen van deze aankoop zijn afwijkend. De nieuwe rijken uit bijvoorbeeld Rusland en China kopen grosso modo twee soorten kunst: hun eigen cultureel erfgoed, vaak om patriottistische redenen (denk aan de antieke porseleinen vazen die Chinezen voor miljoenenbedragen opkopen op veilingen in Europa en de Verenigde Staten) dan wel hedendaagse kunst van westerse makelij, waarmee de kopers een kosmopolitisch imago proberen op te bouwen. De hedendaagse kunstwereld is voor de nieuwe rijken bovendien aantrekkelijk omdat zij in het afgelopen decennium is getransformeerd in het feestcircuit voor de mondiale elite. Met name de grote kunstbeurzen zoals die van Basel en Miami draaien om de vipopeningen en afterparty's, waar die rijken mengen met sterren uit Hollywood, modellen uit de mode-industrie en de kunstenaars zelf natuurlijk.


Op het eerste gezicht passen de Al Thani's, de koninklijke familie van Qatar, uitstekend in dat profiel. Enkele jaren geleden lieten zij een groots museum voor oude islamitische kunst bouwen door I.M. Pei, onder meer bekend van de glazen piramide die de ingangspartij vormt van het Louvre. Een museum voor moderne Arabische kunst opende vorig jaar zijn deuren in Doha, de hoofdstad van het emiraat. Ziedaar het patriottisme van de koninklijke familie. Daarnaast kopen de Al Thani's, net als andere nouveaux riches, werk van hedendaagse kunstenaars waarvoor kunstcritici hun neus ophalen. In 2007 betaalden zij bijvoorbeeld bijna 20 miljoen dollar voor een groot pillenkabinet van de Britse celebrity-kunstenaar Damien Hirst. Hirsts overzichtstentoonstelling die dit voorjaar opent in het Londense Tate Modern wordt door Qatar gefinancierd. Een andere kunstenaar die bij de Al Thani's en bij vele andere nieuwe rijken in de smaak valt van de Japanse Takashi Murakami, die onder meer voor luxegoederenmerk Louis Vuitton ontwerpen maakt. Deze week opent in Doha een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk.


Van uiterlijk vertoon en sterrenstatus is de familie dus niet vies, toch heeft de aankoop van de Cézanne daar weinig mee te maken. Opvallend is dat de emir deze aankoop allerminst aan de grote klok heeft gehangen. Binnen de internationale kunstmarkt was al bijna een jaar bekend dat De Kaartspelers was verkocht, en ook het bedrag van 250 miljoen dollar zoemde al geruime tijd rond. Het enige puzzelstuk dat ontbrak was de naam van de koper. Als het de Al Thani's daadwerkelijk om de status te doen zou zijn, dan hadden zij deze aankoop publicitair wel wat beter uitgebuit.


Waarom kochten ze het werk dan wel?

De aankoop past in de ambitie van de familie om een museale collectie van moderne kunst aan te leggen. De familie staat bekend om zijn westerse oriëntatie. 'Het bevorderen van mondiale culturele uitwisseling', zo luidt de missie van de Qatar Museum Authority, waarvan de dochter van de emir, de 28-jarige sjeika Al Mayassa Bint Hamad Bin Khalifa Al Thani, de president is. De sjeika studeerde in de Verenigde Staten en in Parijs. De kunstcollectie die het emiraat onder haar verantwoordelijkheid aanlegt, past in een veel bredere moderniseringsstrategie: de aankoop geeft een signaal af dat het emiraat al lang geen traditionele, islamitische oliestaat meer is, maar een modern, ontwikkeld land. Doha kan zich daarbij meten met culturele hoofdsteden als Parijs en New York.


De aanleg van zo'n collectie moderne meesters is ongebruikelijk onder de nieuwe rijken, al was het maar omdat die aanleg zeer veel geduld en nog meer geld vraagt. De Britse The Art Newspaper constateerde vorig jaar dat de Al Thani's momenteel de grootste kunstaankopers zijn van de wereld. Onder meer topstukken van Andy Warhol en Roy Lichtenstein zijn in hun bezit. Naar verluidt kochten de Al Thani's de afgelopen jaren onder meer een dozijn doeken van de Amerikaanse abstract expressionist Mark Rothko. Een ervan (kostprijs: 72,8 miljoen dollar) is afkomstig uit de collectie van de Amerikaanse bankier David Rockefeller, de andere elf (aankoopbedrag: 310 miljoen dollar) kwamen van Ezra Merkin, een Amerikaanse investeerder die onder vuur kwam te liggen vanwege zijn samenwerking met de fraudeur Bernard Madoff. Ook kocht de familie voor zo'n 400 miljoen dollar werken uit de collectie van de illustere galeriehoudster en verzamelaar Ileana Sonnabend, die in 2007 overleed.


Daar moet bij gezegd worden dat de Al Thani's de meeste stukken waarschijnlijk niet zelf hebben uitgekozen: ze laten zich zorgvuldig adviseren door voormalige veilingmeesters, kunsthandelaren en museumdirecteuren. Maar volgens velen in de kunstwereld doen ze daar goed aan. Over de aankopen van andere miljardairs die uitsluitend op hun eigen smaak afgaan, wordt vaak smalend gesproken. Neem de Mexicaanse telefoontycoon Carlos Slim, momenteel de rijkste man van de wereld volgens het Amerikaanse zakenblad Forbes. Toen die zijn kunstcollectie vorig jaar aan de wereld presenteerde in een nieuwe privémuseum, noemden critici zijn keuzes wanstaltig of tweederangs.


Toegegeven, je zou het aankoopbeleid van de Al Thani's onsamenhangend kunnen noemen, een samenraapsel van oud en nieuw, occidentaal en oriëntaal. Maar daarmee is het niet onvergelijkbaar met de collectie van een groot museum als het Metropolitan Museum in New York: die is net zo eclectisch. Een focus op oude en moderne kunst uit Europa en de Verenigde Staten, aangevuld met 'exotische' kunst uit onder meer Egypte en het Midden-Oosten. In dat opzicht is Qatar dus allerminst afwijkend.


Is die Cézanne eigenlijk wel 250 miljoen dollar waard?

Natuurlijk is het een enorm bedrag, maar in de kunstwereld schrok vrijwel niemand er van. Zulke stukken komen namelijk zelden op de markt: ze bevinden zich vrijwel allemaal in de collecties van musea, en die verkopen niet, althans niet hun meesterwerken. In een lijst die het Amerikaanse kunsttijdschrift ARTnews enkele jaren geleden maakte van de belangrijkste kunstwerken in privéverzamelingen, stond De Kaartspelers hoog genoteerd. Als zo'n werk op de markt komt, is de vraag dan ook groot en kan de prijs dus onvoorspelbaar snel oplopen.


In dit geval waren er tenminste twee vooraanstaande kunsthandelaren geïnteresseerd, de Gagosian Gallery en Acquavella, beide uit New York. Naar verluidt hadden zij 230 miljoen dollar voor het doek over.


Ook in verhouding tot andere kunstwerken valt de prijs voor de Cézanne te billijken: schilderijen van respectievelijk Jackson Pollock, Willem de Kooning en Gustav Klimt die net onder De Kaartspelers staan op de ranglijst van duurste kunstwerken, komen niet in de buurt als het gaat om kunsthistorisch belang. Simpel gezegd: zonder Cézanne geen kubisme, zonder kubisme geen moderne kunst. Van De Kooning en Pollock komen bovendien nog wel eens werken op de markt. Het duurste werk dat ooit geveild is, Giacometti's sculptuur Lopende Man, dat twee jaar geleden 104 miljoen dollar opbracht, is zelfs in een oplage van 10 gemaakt.


Kunsthistorici zijn het er bovendien over eens dat het schilderij exemplarisch is voor het oeuvre van Cézanne. Dat blijkt ook wel uit de vier andere versies die van De Kaartspelers bestaan: die bevinden zich alle vier in vooraanstaande openbare collecties waaronder die van het Metropolitan Museum, Musée d'Orsay in Parijs en het Courtauld Institute in Londen. Eind 2010 waren deze versies bijeen op een tentoonstelling in Londen. Het vijfde doek, toen nog in bezit van de Griekse scheepsmagnaat George Embiricos, schitterde door afwezigheid. Embiricos, die kort daarop overleed, leende het doek nooit uit, waardoor het een nog groter aura kreeg. Ook dat speelt mee in de prijs.


Wat zijn de gevolgen van deze aankoop voor de markt?

De opmars van de Russische oligarchen, de oliesjeiks uit het Midden-Oosten, hedgefondsmanagers uit de Verenigde Staten en Chinese industriëlen heeft in het afgelopen decennium geleid tot een normalisering van miljoenenbedragen op de kunstmarkt. Inmiddels zijn er, behalve de Cézanne, al zeven andere kunstwerken voor meer dan 100 miljoen dollar verkocht. Een Duitse - nog levende - kunstenaar als Gerhard Richter, die sinds kort bij zowel Russen als Chinezen in de smaak valt, zag zijn prijsniveau de afgelopen jaren ruimschoots verdubbelen. Zelfs het werk van hedendaagse kunstenaars van wie allerminst duidelijk is of zij in de canon van de kunstgeschiedenis zullen worden opgenomen, zoals Damien Hirst of Richard Prince, wordt voor miljoenen verkocht. De nieuwe rijken hebben het prijsniveau dat op de kunstmarkt als acceptabel geldt met andere woorden naar een hoger niveau getild.


De reden voor deze normalisering is simpel: in onze ogen mogen het astronomische bedragen zijn, voor de miljardairs betekenen ze niet zo veel. Wie een vermogen heeft van 10 miljard dollar en een kunstwerk koopt voor 10 miljoen, raakt een even groot deel van dat vermogen kwijt als wanneer een doorsnee Nederlander (vermogen: 29 duizend euro) voor 29 euro uit eten gaat. Met een geschat vermogen van 2,5 miljard dollar staat de emir van Qatar niet eens zo hoog op de lijst van de rijksten ter wereld. Maar hij krijgt wel dagelijks miljoenen oliedollars op zijn bankrekening bijgeschreven. Met een productie van 1,2 miljoen vaten per dag en een olieprijs van 115 dollar, moet Qatar twee dagen pompen om de aankoopprijs van de Cézanne op te halen. De opbrengst van de olieverkoop komt natuurlijk niet volledig bij de Al Thani's terecht, maar duidelijk is dat zij snel en makkelijk geld verdienen.


Het gevolg van de opmars van nieuwe miljardairs is dat de musea vrijwel volledig uit de markt zijn gedrukt. Zelfs van vooraanstaande musea als het Museum of Modern Art in New York of Tate in Londen is het aankoopbudget in de verste verte niet toereikend om de miljoenenbedragen voor moderne meesters te financieren. Van de veertig duurste kunstwerken aller tijden, zijn dan ook maar drie (De Kaartspelers niet meegerekend) door een museum aangekocht. Critici klagen dat privéverzamelaars zo een steeds grotere invloed krijgen op de reputatie van kunstenaars en de vorming van de kunsthistorische canon. Waar vroeger instituties als het Museum of Modern Art bepaalden wat kwaliteit was en wat niet, krijgen miljardairs als de Franse luxegoederenproducent François Pinault of de voormalig Britse advertentiegoeroe Charles Saatchi een steeds belangrijkere stem.


Een ander gevolg van de opmars van de miljardairs is dat 'hun' meesterwerken niet in het openbaar te zien zijn. Voor het grote publiek zit er weinig anders op dan wachten totdat een particuliere verzamelaar zo'n werk aan een museum doneert. In het geval van De Kaartspelers wordt het geduld gelukkig niet al te lang op de proef gesteld: vanaf eind 2014, als het Nationale Museum van Qatar zijn deuren opent, volstaat een retourtje Doha om het doek te zien.


Olav Velthuis is als economisch socioloog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij onderzoek doet naar de mondialisering van de kunstmarkt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden