Het selectieve geheugen van Bolkestein

Iraakse orders konden alleen maar bedoeld zijn voor de productie van gifgas

Woensdag 16 maart kreeg ik van Nouzad Alwandi het volgende sms’je: ‘12 u 16. De eerste aanval is begonnen.’ Met de aanval bedoelde hij de gifgasaanval op Halabja. Vorige week heb ik beschreven hoe het leven van Nouzad door de aanval is getekend. Andere jaren nam Nouzad slaapmiddelen om de drie dagen dat de aanval duurde, niet bewust te hoeven meemaken. Juist omdat het beter met hem gaat, wilde hij dit jaar wakker blijven. Donderdag vertelde hij me dat hij al meer dan 30 uur niet had geslapen en een monument wil maken ter nagedachtenis aan Halabja.

In mijn column bracht ik ook een uitnodiging van Nouzad over aan Frits Bolkestein. Niet omdat hij Bolkestein verantwoordelijk acht voor zijn ellende. De schuld ligt bij Saddam Hoessein. Als Nouzad al een Nederlander aansprakelijk stelt voor zijn ellende, dan is het Frans van Anraat. Van Anraat is vanwege zijn verboden handel in grondstoffen voor gifgassen voor oorlogsmisdaden veroordeeld. Maar omdat Bolkestein begin jaren tachtig staatssecretaris was voor buitenlandse handel, wilde Nouzad hem wel vragen hoeveel Nederlandse bedrijven hebben verdiend aan de legale levering van chemische grondstoffen voor gifgassen aan Irak. Bolkestein heeft deze uitnodiging afgeslagen. ‘Ik wil best een kop koffie drinken met een Iraakse vluchteling, maar niet op basis van een valse beschuldiging.’

Exportverbod
De valse beschuldiging betreft mijn opmerking dat het ministerie van Economische Zaken destijds tegenstander was van het instellen van een exportverbod voor chemicaliën die gebruikt konden worden voor chemische wapens. In zijn reactie verwijst Bolkestein naar een brief van Frank Heemskerk aan de Tweede Kamer, waarin deze schrijft dat er in de jaren tachtig geen enkele vergunning is verleend voor export van chemicaliën naar Irak. Dat is waar, maar misleidend. Nederland heeft namelijk wel chemicaliën geleverd waarvoor geen vergunning nodig was. In dezelfde brief bevestigt Heemskerk dat ook. Nederland heeft in de jaren negentig aan de VN zelfs een overzicht verstrekt van door Nederlandse bedrijven geleverde chemicaliën die gebruikt konden worden voor gifgassen. Met zijn reactie van vorige week herhaalt Bolkestein zijn eerdere standpunt dat hij nooit heeft meegewerkt aan illegale handel in verboden stoffen.

Maar de strijd ging nu juist om de vraag wat illegaal zou moeten worden. Het ministerie van Buitenlandse Zaken was de aanjager van een uitgebreid exportverbod. Het ministerie van Economische Zaken verzette zich. EZ vond het voorgestelde lijstje verboden stoffen willekeurig en schermde met de mogelijke civiele toepassingen van de omstreden stoffen. Op BZ was daarentegen geconstateerd dat de door Irak geplaatste orders van zo’n omvang waren dat die alleen maar bedoeld konden zijn voor de productie van gifgas. Toch vond EZ dat er sprake was van rechtsongelijkheid als de ene stof wel werd verboden en de andere niet. EZ wilde ook niks meer doen dan in Europees verband was afgesproken.

Gifgassen
Dit getouwtrek over het exportverbod van grondstoffen voor gifgassen vindt plaats in 1984. Het is op dat moment al bekend dat Irak gifgassen inzet in de oorlog met Iran. Uit een reconstructie van het radioprogramma Argos blijkt dat de Nederlandse regering daarover al in 1982 is geïnformeerd. Het getouwtrek was ook geen academische discussie. Zo wilde BZ ook natriumcyanide op de lijst zetten. Natriumcyanide is een grondstof voor blauwzuurgas. Omdat EZ met succes een exportverbod van natriumcyanide heeft tegengehouden, kon een Nederlands bedrijf dat spul ook na het exportverbod ongestraft leveren aan Irak.

Het streven van Economische Zaken om zo min mogelijk stoffen onder een exportverbod te laten vallen, was geen ambtelijke strategie waarvoor Bolkestein alleen formeel verantwoordelijk was. Op een ambtelijke notitie van 3 april 1984 schreef hij een dag later in de kantlijn: ‘In geval van rechtvaardige twijfel moet niet worden opgetreden.’ Deze handgeschreven opmerking inclusief paraaf is terug te vinden in het rapport Nederland en de chemische wapens van Irak van Mark Akkerman uit 2007.

Bolkestein vond het dus belangrijker om bij twijfel de Nederlandse export veilig te stellen dan zich ervan te verzekeren dat die export niet werd gebruikt voor chemische wapens. Over die morele keuze had Nouzad graag met Bolkestein gesproken onder het genot van een kopje koffie. Als Bolkestein zijn geheugen even opfrist, kan hij alsnog op die uitnodiging ingaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden