Het schuren van twee kaarten Pamuk belicht het Turkse probleem op het micro-niveau van een familie

MISSCHIEN IS DIT de kernachtigste uitdrukking van de verschillen tussen de wereldbeelden van iemand die in West-Europa woont en van iemand die in Turkije woont - ze spreekt in elk geval krachtig tot de verbeelding....

Parijs of Alexandrië, Genève of Antiochië: als dat in alle ernst gelijkwaardige alternatieven zijn voor iemand die een plaats zoekt om er zijn Exil-dagen te slijten, dan heeft zo iemand een ander beeld van de wereld dan wij. De kaart in zijn hoofd, en misschien zelfs wel die in zijn zakagenda, ziet er essentieel anders uit dan die van ons. Die kaart heeft een ander centrum en andere routes, ze biedt een ander perspectief op de wereld, waardoor je als vanzelf even gemakkelijk naar Frankrijk vertrekt als naar Egypte. Achter dat kaartje gaat een kosmos schuil, een ander systeem van ideeën, intuïties, noties, verwachtingen en voorkeuren.

Hij is een dokter, die grootvader, die in Istanbul gestudeerd heeft en zich het lot van zijn volk aantrekt. In de hoofdstad is in die jaren de discussie over de toekomst van Turkije volop losgebarsten, al heeft het heersende regime daar weinig boodschap aan. Het is de discussie over Oost of West. Dat Turkse volk bevindt zich letterlijk tussen die twee werelden, die van gisteren en morgen, die van de traditionalistische Oriënt aan de ene kant en die van het rap moderniserende Westen aan de andere. Het intrigerende is dat die twee werelden voor de bewoners van Istanbul op de meest tastbare manier die je je maar kunt indenken aanwezig zijn. Alle wegen in de stad leiden vroeger of later naar de oevers van de Bosporus. Of je het wilt of niet, de aanwezigheid van een andere kant, van een alternatief voor de manier waarop je je leven inricht, domineert telkens niet alleen je wereldbeeld, maar zelfs je straatbeeld.

De dokter uit Pamuk's boek is zich met het debat over die twee verschillende manieren van leven gaan bemoeien. Hij is, zoals dat met dokters gaat, getuige van de meest prangende vragen die de tegenstelling traditionalisme-modernisme oproept, vragen van hygiëne, ziekte en genezing, sociale verhoudingen, de positie van vrouwen en kinderen. In zijn persoonlijk leven probeert hij de consequentie te trekken van zijn rationalistische, op het Westen georiënteerde opleiding, maar dat is hem niet genoeg. De traditie zit bij hem in de spreekkamer en als hij iets aan de gezondheid en het welzijn van zijn patiënten wil doen, kan hij niet volstaan met het uitschrijven van recepten. Hij moet hun leefwijze onder handen nemen. De diagnose is niet louter medisch, maar ook politiek.

Die bemoeizucht wordt hem kwalijk genomen. Hij ziet maar hoe hij zich met zijn patiënten redt, met de inrichting van de samenleving heeft hij zich niet te bemoeien, ook al vindt hij dan dat veel problemen van geneeskundige aard teruggaan op maatschappelijke en daarmee politieke vraagstukken. De overheid maakt hem duidelijk dat hij beter vertrekken kan, in elk geval weg uit Istanbul, naar een plaats waar zijn opvattingen minder kwaad kunnen.

Dat wordt Genève noch Antiochië, maar de andere oever van de Bosporus, de Aziatische, zodat hij de kwestie niet ontloopt en haar niet van veilige afstand van scherpzinnig of vinnig commentaar kan voorzien. Hij begeeft zich met zijn geestelijke bagage in het hart van het probleem, al denken de machthebbers dan wel dat hij daar minder kwaad kan - waar ze trouwens gelijk in hebben.

De doktersfamilie komt terecht in een kustplaats, een kilometer of vijftig van de hoofdstad. Daar stort de dokter zich op zijn praktijk en op het schrijven van een encyclopedie, waarin hij de wijsheid van het Oosten en de kennis van het Westen hoopt samen te brengen. Die praktijk verloedert gaandeweg, de dokter raakt verbitterd en die encyclopedie komt nooit af, al razen de onafscheidelijke, maar strijdige ontwikkelingen van de moderniteit en een nationalistische gehechtheid aan de traditie om hem heen.

Het verhaal van die dokter wordt verteld vanuit het heden en het perspectief van zijn weduwe en van zijn kleinkinderen, in een keten van ogenschijnlijk autonome geschiedenissen. Pamuk heeft er een meesterlijke vorm voor gekozen: als een estafette gaat het verhaal van hoofdstuk naar hoofdstuk, van personage naar personage. Heel geleidelijk ontvouwt de geschiedenis van een familie zich, een geschiedenis die tegelijkertijd de geschiedenis van het twintigste-eeuwse Turkije weerspiegelt. De grote problemen van de Turkse samenleving komen aan het licht op het micro-niveau van een familie.

Als de dokter zelf het woord had gevoerd, was Pamuk's standpunt eenvoudig geweest en duidelijk, dan was de schrijver de dokter van zijn land geworden: leve de Verlichting, leve de rede, leve een ondubbelzinnige oriëntatie op de vooruitgang. Maar Pamuk laat zijn weduwe spreken, die weliswaar de vrouw was van een verlichte geest en daarom niet in de slavenstand werd gedrongen, maar die niettemin heeft gezien waar zoveel ijver voor de vooruitgang toe leidde. Tot frustratie en armoede, tot vervreemding en een breuk met haar eigen wortels, een breuk die zich pijnlijk manifesteert wanneer zij door haar man wordt gedwongen haar familiebezit aan juwelen te verkwanselen om haar gezin van de ondergang te redden.

Pamuk heeft onmiskenbaar sympathie voor deze in zichzelf gekeerde, zwijgzame vrouw. Als haar kleinkinderen haar komen opzoeken in haar mooie, oude huis aan de kust, is haar bijouterieëndoos leeg - het verleden is opgeofferd, maar de vraag waaraan dringt zich telkens op.

Aan een generatie van gestudeerde kleinkinderen, die net zo goed ongelukkig zijn en hun weg in het leven niet kunnen vinden. Aan de toevloed van toeristen die de kust hebben overgenomen en de oude huizen slopen om er grote betonnen blokken met vakantie-appartementen voor in de plaats te bouwen. Ook de kleinkinderen spelen met de gedachte oma's huis zo gauw mogelijk af te breken en een appartementencomplex neer te zetten op de vrijgekomen kavel - oma kan dan tot haar dood wel in zo'n flatje blijven wonen. Er dienen korte metten gemaakt te worden met het verleden.

Het is een wrang beeld, dat in Pamuk's koele en nuchtere beschrijving soms dicht bij Tsjechov's Kersentuin komt - 'Wat hebben deze kamers niet allemaal gezien, deze muren, vaarwel oud leven, welkom nieuw leven.' Maar of dat nieuwe leven beter is, staat nog te bezien. Het verleden moet onmiskenbaar plaats maken voor de toekomst, maar er zit iets verwijtends in dat zwijgzame verleden - in de grootmoeder die zichzelf monddood gemaakt weet, terwijl ze het probleem waarmee haar kleinkinderen aan de slag gaan al zoveel eerder onder ogen gezien heeft en weet dat je het niet oplost met eenduidige keuzen.

Zoals de Polen het voor de val van de Muur het vroeger in hun boeken steevast over het 'Poolse complex' hadden, zo bestaat er ook een 'Turks complex'. Waar horen we bij, bij het Westen of bij het Oosten - of hebben we, om aan dit duivelse dilemma te ontsnappen, zelf iets geheel eigens te bieden? De islam versus het christendom, met misschien een derde weg in het Turkse nationalisme. In feite ontkom je er nooit aan, op geen enkele bladzijde in Het huis van de stilte, en al evenmin in de al eerder van Pamuk in het Nederlands vertaalde roman De witte vesting.

De witte vesting, het boek waarmee hij een paar jaar geleden internationaal doorbrak, is een historische roman. Hij speelt in de zeventiende eeuw, toen het Osmaanse Rijk op zijn hoogtepunt was en een reële concurrent was voor de Europese cultuur. Een Italiaanse student valt in handen van de Turken, omdat het schip waarmee hij de Middellandse Zee bevoer, is gekaapt. Zijn verblijf aan het hof van de sultan wordt een uitgebreide ontdekkingstocht door de Osmaanse cultuur, en tegelijkertijd een intieme kennismaking van die cultuur zelf met de mogelijkheden en verleidingen van het Westen. Met zijn grote kennis van, alweer, de medicijnen, weet die jongen indruk te maken aan het hof, zoveel zelfs dat hem het leven gegund wordt en de tegenstelling tussen de onderscheiden godsdiensten en culturen, als in het drama Nathan der Weise van Lessing, na verloop van tijd op de spits wordt gedreven. Christendom of islam wordt een vraag van leven of dood, al weigert de Italiaan die te beantwoorden.

De witte vesting leest als een reisgids, maar dan een geschreven door iemand die zijn eigen ontdekkingen boekstaaft. Hij is geen buitenstaander en geen ingewijde, hij legt de Werdegang van buitenstaander naar ingewijde vast. Het Turkse complex maalt al door het hoofd van de sultan en hij wordt er deelgenoot van gemaakt: tussen het Osmaanse hof uit de zeventiende eeuw en een Turkse badplaats uit onze tijd zijn de verschillen maar klein.

Opnieuw gaat het om een wereldbeeld, dat op het scherp van de snede veroverd moet worden, terwijl het tegelijkertijd een onwennig wereldbeeld is omdat het concurreert met een ander. Het is alsof je de kaarten in twee uit verschillende culturen stammende agenda's over elkaar probeert te leggen. Voor wie het probleem alleen van buiten kent, is het verleidelijk de hele clichékast open te trekken, en te beginnen over de oriëntaalse sloppen van Istanbul, die er slechts een paar passen verwijderd zijn van de mondaine winkelpromenades. Pamuk zelf ziet dat probleem onder ogen, want in het derde grote boek van hem dat voor westerse lezers beschikbaar is, The Black Book, voert hij ons mee naar dat eigentijdse Istanbul.

The Black Book is te beschouwen als een contemporaine pendant van De witte vesting, want evenzeer is het een ontdekkingstocht door een vreemde stad en een vreemde cultuur, ditmaal vanuit het oogpunt van een Turkse columnist en een advocaat, voor wie die stad en cultuur eigenlijk zo vertrouwd zouden moeten zijn. Het schuren van die twee kaarten, die twee wereldbeelden over elkaar heen, maakt er opnieuw de dynamiek van uit.

En de schrijver biedt geen oplossing, hij kan hooguit het dilemma zo scherp mogelijk verbeelden.

Misschien is daarom dit het mooiste beeld van die schrijver: Orhan Pamuk brengt een groot deel van zijn tijd door op een eilandje in de Zee van Marmora, vlak voor de monding van de Bosporus. Op beide oevers Turkije, op beide oevers Istanbul - aan de ene kant het Europese deel, aan de andere het Aziatische. Een man met een pen kijkt of hij ze aan elkaar kan schrijven.

Orhan Pamuk: De witte vesting. Uit het Turks vertaald door Veronica Divendal. De Arbeiderspers, ¿ 34,90.

Orhan Pamuk: Het huis van de stilte. Uit het Turks vertaald door Margreet Dorleijn. De Arbeiderspers, ¿ 39,90.

Orhan Pamuk: The Black Book. Translated by Guneli Gun. Faber & Faber, import Nilsson & Lamm, ¿ 47,80.

Orhan Pamuk is op 23 september te gast in de Rotterdamse Schouwburg, ter gelegenheid van het Festival R'95 (13 uur), en op 24 september in De Balie in Amsterdam (16 uur).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden