Het ruist in de twee bomen van Meindert Hobbema

Oog voor detail

Je gaat het pas zien als je het doorhebt.* Wieteke van Zeil over opmerkelijke en veelbetekenende bijzaken in de beeldende kunst. Deze week: boomtoppen.

*Johan Cruijff

Meindert Hobbema Een watermolen 1664; Olieverf op paneel; 62 x 85,5 cm Beeld Rijksmuseum Amsterdam

Sommige dingen kun je alleen zien door iets anders. Neem een karakter: een schilder kan nog zo goed zijn in portretten, in gelijkende ogen en mond, maar daarin een karakter overbrengen is hogere wiskunde. Of een stemming. Een dichter danst met de taal, losgerukt van de regels, om een stemming over te gooien naar de lezer in de hoop dat die haar vangt. Juist die dingen als een gevoel, een stemming of een karakter geven een kunstwerk leven.

'De woordenstruik krijgt geen ruimte/waar de dichter leest en de wind/in dit land waar geen wind waait/maakt de zaal licht ontvlambaar', schrijft Maria Barnas in Waar de dichter leest uit haar bundel Jaja de oerknal, waarmee zij afgelopen week de Anna Bijns Prijs won. In haar gedichten zit altijd een stemming die eruit wil, en die de woorden in beweging zet. Soms vang ik die, soms lukt het niet en blijf ik met een vertwijfeld gevoel achter.

Meindert Hobbema Een watermolen 1664; Olieverf op paneel; 62 x 85,5 cm Beeld Rijksmuseum Amsterdam

Het is niet raar, denk ik, dat veel dichters de wind gebruiken, want die is precies als het onzegbare dat ze willen uitdrukken. M. Vasalis liet de wind spreken als de lading tussen nieuwe geliefden ('er is iets groots, iets wilds en rustigs gaande'), Adriaan Roland Holst maakte van ons kwetsbare bladeren en hoe zouden wij weten wat alleen de wind weet, en Shelley dichtte de wind een regelrechte macht als beschermer én vernietiger toe in Ode to the West Wind: 'Thou, from whose unseen presence the leaves dead/Are driven, like ghosts from an enchanter fleeing'.

Het ruist in de twee bomen van Meindert Hobbema. Zachtjes, van links naar rechts. Er hoort geritsel bij, niet erg opdringerig, fijn geritsel zonder veel beloften, in prachtige veegjes geel, groen en donkerbruin. Hobbema's aandacht ligt bij de watermolen, een molen die hij vaker schilderde en het is me een mysterie waarom die juist vrijwel kleurloos is in dit schilderij, in tegenstelling tot de natuur rondom. Maar hoe dan ook, de voorstelling is rustig. Een landschap waar je zin in moet hebben, niet veeleisend als een zeeslag of dreigend als een donker bos onder een zwaar wolkendek. Gewoon een molen, een paar mensen en bomen.

Ik moest er moeite voor doen om er voor te blijven staan tussen de spectaculaire schilderijentamtam in de eregalerij. Maar toen ik het deed, begon het te bewegen. En dat kwam door de wind in die bomen: alsof er adem in de voorstelling geblazen wordt. Het is misschien zelfs een rukwindje, want links zwiepen de bomen precies de andere kant op en lopen vader en zoon nou tegen de wind in?

De zon en haar stralen kun je schilderen. De regen ook - het komt geregeld met bakken uit de hemel in de kunst. De sneeuw is een makkie. Maar voor de wind, dat ene element dat de Hollanders voerde tot de andere kant van de wereld en dat hun graan vermaalde tot meel, heb je andere dingen nodig.

Die toont zich in de bomen, de zee en de wieken, in opbollende plooien van een jurk, wegvliegende pagina's van een krant of in wapperende haren. Het is geruststellend en vernietigend, het is alles en het is niks, het geeft de schilderkunst beweging; ga d'r maar aan staan als schilder.

Meindert Hobbema
Een watermolen
1664; Olieverf op paneel; 62 x 85,5 cm
Rijksmuseum Amsterdam

detailsofart.com

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.