Het reactionaire credo van Aleksandr Lebed; PLEIDOOI VOOR DE WEDERGEBOORTE VAN EEN MACHTIG RUSLAND

ELK JAAR op 2 augustus kan de Moskouse burger beter binnen blijven. Groepen mannen in wit-blauw gestreepte hemden, camouflagepakken en lichtblauwe baretten zijn in de stad geland....

HELLA ROTTENBERG

Op 3 augustus haalt de Russische hoofdstad opgelucht adem en ruimt de scherven op. De jaarlijkse feestdag van de parachutisten is voorbij. Generaal Aleksandr Lebed is een paratrooper. Het zijn zíjn mannen die Moskou op stelten zetten. Eigen schuld, meent Lebed in zijn autobiografie. De hoofdstad zou de para's feestelijk moeten ontvangen met orkestjes op straat en de elite van de militairen moeten eren en dankbaarheid tonen. Door massaal de politie op de been te brengen, krijgen de parachutisten het idee dat de staat ruzie zoekt. De para's nemen de uitdaging aan, want - zo beschrijft Lebed de mentaliteit - 'wie kan er tegen ons op, wie durft er ruzie met ons te maken?'

Lebed is soldaat in hart en nieren. Na zijn jeugd heeft zijn hele leven zich afgespeeld in het militaire milieu te midden van de paratroopers. Uit zijn autobiografie - hij voltooide het boek met de veelzeggende titel Pijn om het Imperium vorig jaar, vlak voordat hij zijn militaire carrière verwisselde voor een politieke - blijkt dat hij zich volkomen met het leger identificeert.

Het kazerneleven is hem op het lijf geschreven. Hij geniet van het ritme van oefeningen en parades, van de kameraadschap tussen de mannen en de drinkgelagen. De parachutisten voelen zich niet alleen verheven boven de civiele bevolking, maar beschouwen zichzelf ook als het beste krijgsmachtonderdeel. Een aantal malen citeert Lebed het leidende beginsel van de para's: 'Geen opdracht is onuitvoerbaar'. Het zal, als Lebed het zegt, hun instelling wel goed weergeven.

Lebed beziet de maatschappelijke ordening, Rusland en haar geschiedenis geheel en al door het prisma van het leger. Het leger en de staat - of de term waaraan hij de voorkeur geeft: het imperium - zijn in zijn optiek één. Als de een te gronde wordt gericht, gaat de ander ook teloor en andersom. 'Zolang het leger leeft, zal het Imperium leven. De formule kan ook andersom worden gelezen: om het Imperium te slopen, moet je het leger slopen', schrijft de politicus-generaal, waarna hij zich bladzijden lang overgeeft aan een bittere klacht over het verval van de eens zo roemruchte strijdkrachten.

Lebed redeneert consequent door. Als het leger en het imperium een eenheid vormen, dan leidt het herstel van het leger in zijn oude glorie tevens tot een wedergeboorte van het Russische rijk. Het is de heilige plicht van het Russische officierendom om te bewerkstelligen dat de grootmacht, middels het leger natuurlijk, een renaissance beleeft, concludeert Lebed.

Hij heeft nu zelf de kans de daad bij het woord te voegen en het is daarom niet van zuiver academisch belang te weten wat Ruslands nieuwe sterke man onder het Imperium (door hem steeds met een hoofdletter geschreven) verstaat. Bedoelt hij het Sovjet-rijk met al zijn satellietstaten? Heeft hij het over het tsarenrijk van vóór 1917, over de Sovjet-Unie van tussen de twee wereldoorlogen of over Rusland binnen z'n huidige grenzen? Hij spreekt zich er niet eenduidig over uit.

'We moeten altijd goed onthouden: wij zijn de erfgenamen van de duizend jaar (christelijk) orthodox Rusland, van de driehonderd jaar Romanov-dynastie en de bijna 75 jaar Sovjet-macht. Noch van het een, noch van het ander in onze geschiedenis hebben wij het recht ons af te wenden', schrijft Lebed aan het einde van zijn autobiografie. Het is een wat cryptische zin, maar betekent niet meer dan een reactionair credo dat in het postcommunistische Rusland wijd verbreid is.

Zeker is dat Lebed iedere terugtocht van het leger als een smadelijke nederlaag ervaart. Het meest schokkend geeft hij daarvan blijk in zijn tirade tegen Sjevardnadze en Jakovlev, die onder Gorbatsjov de architecten van het buitenlands beleid waren en een einde maakten aan de bezetting van Oost-Europa.

De snelle terugtrekking van de Sovjet-troepen uit Duitsland, Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije getuigde volgens Lebed van 'serviele kruiperigheid' voor het Westen. Met zijn besluit 'begroef Sjevardnadze de roem van het Russische wapen'. 'Hij bespuwde het Russische bloed dat door honderdenduizenden, miljoenen mensen op de slagvelden van Europa werd vergoten en hij trapte tegelijkertijd de nakomelingen van de mannen die dit bloed vergoten, op de ziel.'

Hiermee is niet gezegd dat Lebed streeft naar herovering van Oost-Europa - dat zou zelfs zijn krachten te boven gaan - maar het citaat geeft wel aan hoezeer hij het opgeven van eenmaal veroverd gebied als een onrecht ziet. Het Russische leger, een Russische militair verliest niet. Men dient te bedenken dat Lebed in zijn milieu echt geen extremist is, hij vertolkt het gevoel van de beroepsofficier.

Zijn autobiografie is doordrenkt van militair chauvinisme. Hij idealiseert de Russische officier en wijt de treurige realiteit aan een misdadig komplot van niet nader gedefinieerde krachten die erin slaagden de communistische partij, de strijdkrachten en de supermacht te zamen te gronde te richten.

In dat verband presenteert hij een originele - maar door niets gestaafde - versie van de mislukte staatsgreep tegen Gorbatsjov. Het was helemaal geen staatsgreep - want waarom zouden militairen die met macht bekleed waren, de macht grijpen? - maar een toneelstuk, geregisseerd door ongenoemde figuren. Hun doel, het verwoesten van de supermacht, hebben ze bereikt, aldus Lebed.

Aleksandr Lebed heeft ruimschoots de kans gehad om zijn officierskwaliteiten te tonen; in vredes- en in oorlogstijd. Hij vocht in Afghanistan, nam deel aan legeracties in Bakoe en Tbilisi, speelde een (ambivalente) rol tijdens de staatsgreep tegen Gorbatsjov en stond aan het hoofd van de buffermacht in Transdnestrië.

Zijn biografie kleurt hij, lijkt het, naar behoefte in. Sinds hij zich tot het Jeltsin-kamp bekeerd heeft, maakt hij een groot nummer van zijn anti-communisme. Het zou door twee gebeurtenissen zijn gevoed: de opsluiting van zijn vader in een werkkamp van Stalin, nadat deze een paar minuten te laat op zijn werk was verschenen, en het doodschieten van stakende arbeiders in zijn geboorteplaats Novotsjerkassk.

Over zijn vaders lotgevallen schrijft Lebed in Pijn om het Imperium heel beknopt. Vader Lebed kwam na twee jaar vrij en moest toen deelnemen aan de Sovjet-veldtocht tegen Finland en vervolgens aan de verdediging van het vaderland tegen de nazi's. De heldhaftige, militaire kant van zijn vaders leven lijkt meer indruk te hebben gemaakt op de jonge Sasja dan de stalinistische repressie. Aan het neerslaan van de staking in 1962 - hij was er, 12 jaar oud, naar zijn zeggen bij - wijdt hij in zijn boek geen woord.

Van jongs af aan hield Lebed van knokken. Met boksen brak hij zijn neus en hij werd daarom later niet geschikt bevonden voor de luchtmacht. Maar de opleiding voor parachutisten in Rjazan liet hem toe. Dolgelukkig was hij dat zijn droom - een militaire carrière - uitkwam. Hij werd officier, ging lesgeven in Rjazan, maar zijn loopbaan stagneerde.

Toen hem een plek als bataljonscommandant werd aangeboden, vroeg hij niet naar de standplaats, maar zei gretig 'ja'. Het was november 1981, de oorlog in Afghanistan was in volle gang en hij had kunnen vermoeden wat de prijs voor zijn bevordering zou zijn. Maar het kon hem niets schelen, schrijft hij, als hij maar wegkwam uit Rjazan.

Welke lessen hij uit zijn ervaringen in Afghanistan trekt, is niet zo duidelijk. Hij leert in elk geval dat hij respect afdwingt door af en toe een soldaat met een welgemikte kaakslag neer te slaan. En hij constateert dat - ook in zijn eenheden - de helft van de militairen sneuvelt in gevechten en de andere helft door stommiteiten om het leven komt. Hij ergert zich aan onzinnige opdrachten en de organisatorische chaos. De Afghaanse oorlog noemt hij een 'talentloos politiek avontuur', maar dat is wijsheid achteraf. Hij aarzelde geen seconde er zelf in te stappen.

Lebed is principieel tegenstander van het inzetten van de strijdkrachten bij binnenlandse conflicten. 'Het leger is geen gendarme', schrijft hij. Zelf heeft hij (in 1988 en 1990 in Bakoe, in 1989 in Tbilisi, en vanaf 1992 in Moldavië) leiding gegeven aan sterk betwiste operaties. Uit zijn relaas blijkt nergens dat hij zich op het moment zelve ethische vragen stelde. Hij voerde een opdracht uit. Basta! Zijn verwijten gelden vooral de onduidelijke bevelen en het ontbreken van helder geformuleerde politieke en militaire doelen.

De militairen treft geen enkele blaam. Als zijn para's in Bakoe ervan beticht worden honderden burgers te hebben gedood en de stad te hebben geplunderd, beschouwt Lebed dit als schandelijk politiek gekuip, bedoeld om het leger in diskrediet te brengen. De jongens wilden, legt hij uit, na gedane arbeid ontbijten en sommige 'liefhebbers van koffie en thee' vulden hun voorraadjes aan. Nou en?

Van een serieus politiek programma is in Lebeds autobiografie geen spoor te bekennen. Uit Pijn om het Imperium is wel af te leiden dat hij weinig op heeft met een democratisch bestel en nog veel minder met de 'zogenaamde' Russische democraten, dat het leger meer, veel meer nog dan in de Brezjnev-tijd, financiële middelen en armslag moet krijgen, en dat hij dol is op militaire parades. Over zijn ideologie kunnen we kort zijn: communisme is uit, de kerk is in en verder moet Rusland weer groot en machtig zijn.

Hella Rottenberg

Aleksandr Lebed: 'Za Derzjavoe obidno'.

Vjatskoje Slovo.

ISBN 5 87400 081 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden