Het pragmatisme van de Gouden Eeuw

DE GOUDEN EEUW verkaveld in elf typen, voorafgegaan door een inleiding: zo ziet Gestalten van de Gouden Eeuw - Een Hollands groepsportret (de ondertitel) eruit, waarin de (cultuur)geschiedenis van de Republiek vanuit personen benaderd wordt....

Dit verleent het geheel de allure van een, weliswaar gefragmentariseerd, handboek. Daarvan mag men geen spectaculaire verrassingen verwachten, want elke specialist loopt nog eens met grote pas door een landschap dat al vaker verkend is. Maar dat staat een hoge kwaliteit van de overzichten zeker niet in de weg. Iedere auteur maakt als het ware de rekening op van wat er nu wel en niet gezegd kan worden over zijn deelgebied in deze fase van de vakbeoefening. En ongetwijfeld is hij tot nieuwe reflectie gedwongen door de opdracht van de personele invalshoek.

Nu mag men bij de keuze van een dergelijke opzet wel verwachten dat er zorgvuldig is nagedacht over de te selecteren typen. Daarover wordt nauwelijks iets meegedeeld. Blijkens de korte verantwoording is de redactie er niet in geslaagd om alle bedoelde stukken te verwerven. Om welke dat gaat, blijft duister, zoals ook elke motivering ontbreekt waarom juist deze elf figureren en bijvoorbeeld de (textiel)arbeider, middenstander, edelman, boef, musicus, rentenier, pastoor en vooral het kind moesten afvallen.

Maar de prikkelende inleiding van de Amsterdamse historicus Van Deursen vergoedt veel. Hij laat meteen weten dat we hier niet te maken hebben met een moderne variant op het geliefde genre van de 'volkskarakters'. Dat is verstandig, want zulke reeksen gaven vanaf de late middeleeuwen aanleiding tot taaie clichés, die met gemak de twintigste eeuw hebben gehaald en niet zelden werden gebundeld tot exponenten van een nationaal volkskarakter van alle tijden. Daar doet deze bundel niet aan mee.

Juist de historicus moet laten zien dat het verleden geen aanmaakplaats is van leerzaam geachte clichés. En als voorbeeld geeft hij: 'Nederlanders zijn vanouds calvinistische betuttelaars, bezield van een scherp op eigen voordeel bedachte handelsgeest, en buitengewoon verdraagzaam tegenover andersdenkenden.' Hierbij dient het echter allereerst te gaan om de vraag of, in hoeverre en wanneer deze veronderstelde eigenschappen met elkaar harmonieerden en vooral hoe zij zich in deze en andere samenhangen ontwikkelden. Anders blijft er slechts tijdeloze starheid over, op het niveau van een vooroordeel.

Nu is het gewraakte voorbeeld wat ongelukkig door Van Deursen gekozen. Juist dit cliché vaart op een bijna wetmatig gepresenteerde samenhang in de op winst beluste calvinistische koopman, die uit praktische overwegingen tolerant is. Daaraan hoeft de historicus dus geen harmonie toe te voegen, hij moet die alleen betwijfelen en in een historisch veranderingsproces plaatsen.

Vervolgens doet het ook nogal vreemd aan als Van Deursen een paar bladzijden later in kort bestek enkele clichés loslaat met een tamelijk star karakter, zonder relativeringen naar tijd of streek. De koopman nam weinig risico's, maar speelde het liefst op zekerheid. 'Die trek vinden we trouwens overal terug', zegt Van Deursen dan, niet alleen in handel en scheepvaart, maar ook bij de stedendwinger Maurits van Oranje. Die verkoos planmatige belegeringen van steden die maanden konden duren, boven wilde avonturen in risicovolle veldslagen op vijandelijk gebied.

'We herkennen het ook in de befaamde Hollandse tolerantie', gaat de auteur dan verder. A1 deugden de katholieken niet, men kon toch moeilijk een oorlog winnen als men de helft van de bevolking vogelvrij verklaarde. En daarom sloot men de ogen zolang de katholieken hun eredienst en andere rituelen maar buiten de openbaarheid hielden.

Die pragmatische houding valt volgens Van Deursen overal aan te wijzen, ook bij schilders en ingenieurs, zoals steeds mag blijken uit de bijdragen aan de bundel. Daar zit veel in. Maar het is de vraag of die nogal star gepresenteerde collectieve mentaliteit van ongeveer alle maatschappelijke groeperingen uit de zeventiende eeuw nu zo principieel verschilt van wat anderen het 'volkskarakter' noemden. Het lijkt eerder een terminologische aanpassing, waarbij gedachten aan erfelijke eigenschappen en andere gevaarlijke bloed-en-bodem-romantiek uitgebannen zijn. Maar de inhoud is gebleven: clichés zijn niet toevallig clichés geworden.

Juist daarom zijn misschien de stukken die afwijkende beelden geven van huidige opvattingen over de Gouden Eeuw, het aardigst. De Amsterdamse historicus Davids schrijft over de zeeman. Zo'n vijftigduizend mannen behoorden tot de zeevarende natie. Hun activiteiten waren door de razend populaire scheepsjournalen en reisbeschrijvingen goed bekend. Ook circuleerden er talrijke zeemansliederen op losse bladen of in liedboekjes. Daarnaast waren er de zeestukken vanaf het eind van de zestiende eeuw, een nieuw specialisme van de schilderkunst.

Uit al dit materiaal kon men vernemen aan welke gevaren de zeeman blootstond. Die konden lopen van barre weersomstandigheden, schipbreuk, honger, dorst, ziekte en sterfte tot aan kaperij en gevangenschap door zeerovers of een vijandelijke natie. In het laatste geval werd men verkocht als slaaf in Noord-Afrika, met als enige hoop om binnen enkele jaren vrijgekocht te worden met een losgeld dat de familie bijeen moest zien te brengen.

Leest en bekijkt men al deze documenten, dan kan men zich afvragen waarom toch zovelen bereid waren en bleven om dergelijke risico's te nemen. Maar de geraadpleegde bronnen vertekenen in hoge mate, men moet ook andere gebruiken. En dan blijkt al gauw dat het eigenlijk wel meeviel met al die risico's. Van de 121 voor de periode 1680-1720 onderzochte zeelieden uit Schellinkhout zijn er maar twaalf op zee overleden, waarbij van slechts vijf vaststaat dat er sprake was van een echt ongeval. Drie van deze 121 zijn ooit verkocht door zeerovers, van wie er twee weer heelhuids terugkeerden. Ook het percentage schipbreuken ligt in alle berekende gevallen (ver) onder de 5 procent.

In feite geldt ook hier wat Van Deursen al vaststelde. Een spectaculaire bedrijfstak met hoge en veelsoortige risico's werd door de Nederlanders van die tijd uiterst behoedzaam en pragmatisch beoefend, met onderdrukking van elk zinloos heldendom. Daar was de literatuur voor.

Minstens zo ontnuchterend is het om te lezen, dat de alom bewonderde schilder van de zeventiende eeuw zijn werk deed onder omstandigheden die voor ons het ontstaan van topkunst eigenlijk uitsluiten. Zo stelt de Amsterdamse kunsthistoricus Van de Wetering vast hoezeer deze ambachtsman altijd in gezelschap van gezellen en leerlingen bezig was, en vrijwel nooit in de eenzaamheid van atelier of landschap zoals nu.

Om het vak te leren moest men altijd in de leer bij een erkende meester, zeker voor vier tot zes jaar. Absolute volgzaamheid was daarbij vereist. Kon men eindelijk voor zichzelf beginnen, dan was er alleen kans van slagen bij volstrekte onderworpenheid aan de wensen van een mecenas of losse opdrachtgevers. En toch is uit die voor ons zo onmogelijke situatie de wereldwijd befaamde genreschilderkunst van de Gouden Eeuw geboren.

De literator beantwoordde evenmin aan het beeld van modern schrijverschap. Dichten deed men erbij, en zeker niet voor het geld zoals de Amsterdamse neerlandicus Grootes duidelijk maakt in het laatste stuk. Naast een echte betrekking of beroep schreef men voor de eer gedichten en toneelstukken. Alleen de drukker en de boekverkoper of marskramer verdienden daaraan. Dat hing samen met de opvattingen over het schrijverschap. De dichter werd een verheven taak toegedacht in de samenleving en dat hield een navenant aanzien in op grond van het verstrekte onderwijs in de zeden en het fungeren als geheugen en geweten van de gemeenschap. Ook Vondel en Huygens, die toch omvangrijke oeuvres bij elkaar schreven, waren literator in hun vrije tijd. Pas aan het eind van de zeventiende eeuw wordt de broodschrijver geboren.

Na zulke algemene opmerkingen heeft Grootes het gelukkige idee om aan de hand van de daarvoor behandelde maatschappelijke groeperingen de literaire produktie uit al die milieus aan de orde te stellen. Daardoor krijgt de bundel toch nog een soort afronding, zij het in de richting van de literatuur.

Geschiedenis aan de hand van typen is op zichzelf niet nieuw. Al in 1924 kwam de Britse mediëviste Eileen Power met haar vermaarde Medieval People, verdeeld over zes personages. Een soortgelijke opzet heeft De wereld van de middeleeuwen (Agon, 1991) onder redactie van de Franse mediëvist Jacques Le Goff, die zijn universum opdeelde in tien typen. Die formule werkt kennelijk. Ongetwijfeld biedt de vermenselijking van het verleden zoals in Gestalten van de Gouden Eeuw naast de statistieken en structuren een aantrekkelijker houvast voor een breder publiek om kennis te maken met de geboortegronden van hun beschaving.

Herman Pleij

H.M. Beliën, A.Th. van Deursen & G.J. van Setten (redactie): Gestalten van de Gouden Eeuw - Een Hollands groepsportret.

Bert Bakker; ¿ 69,50 (gebonden), ¿ 49,50 (paperback).

ISBN 90 351 1663 1;

ISBN 90 351 1662 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden