'Het plezier is gelukkig onuitroeibaar'

Anneke Brassinga (1948) is de veelgeprezen vertaalster van onder anderen Samuel Beckett, Oscar Wilde en Jean-Jacques Rousseau. Ook haar eigen werk mag gezien worden, zoals het hooggewaardeerde Hapschaar uit 1998....

OP HET PODIUM, tijdens het lezen van haar gedichten, maakt Anneke Brassinga een schuwe en gespannen indruk. Het liefst verschuilt zij zich achter een enorme haarlok die strategisch over haar gezicht is gedrapeerd, maar in wat ze schrijft is ze allerminst verlegen. Onbevangen, sensitief, barok, hitsig en dwars zijn woorden die in de lovende recensies van de afgelopen jaren werden gebruikt.

Ze zijn ook van toepassing op haar nieuwe poëziebundel Verschiet, al is de toon soberder geworden. Er wordt veel gestorven en verlaten in deze gedichten, maar dat neemt niet weg dat je ook op onbezorgde gedichten stuit over zoenen op straathoeken, over de schoonheid van Venetië, of over het verlangen de holle kies van een snoepkous te zijn: 'en elke dag die natte tong erin, gezellig,/ of knerp knerp suikergoed, het liefst knaproze'.

- Is er met deze bundel iets veranderd?

'Het is ernstiger geworden. Bovendien heb ik meer mijn best gedaan, echt geschaafd aan de ritmiek en de klank van de gedichten: dit is de eerste bundel waar ik zelf tevreden over ben. Ik had veel meer tijd dan vroeger om achter elkaar door te schrijven, om in de vlaag van inspiratie te blijven, zodat je 's nachts wakker schiet en plotseling een beter woord weet dan wat je die dag hebt opgeschreven.

'De ernst komt ook doordat ik net daarvoor een boek van Beckett had vertaald, met een enorm getroubleerde lading en tegelijk zó vol woordgrappen dat ik nu behoefte had aan iets graploos.'

- Graploos, maar ook het verdriet mag niet in al te duidelijke bewoordingen ter sprake komen. Neem het gedicht 'Pathetique 1', waarin staat dat 'gedichten beter ongeschreven bleven/ soms in omstandigheden dat verdriet'. Er wil wel van alles uit maar het mag niet?

'Het mag niet of het kan niet: het vindt geen gehoor. ''Pathetique'' is een soort uitdrijvingsgedicht; hoe meer er is aan emotie, hoe strenger je in de vorm moet worden, anders wordt het onverteerbaar. Alleen als je streng kan zijn, wordt het gedicht een ding dat de troebele, moerassige obsessies kan transformeren.

'Dus heb ik geprobeerd de gedichten ''in te koken'', daarmee bedoel ik het snoeien van larmoyantie, zelfbeklag en sentiment of effectbejag. Een gedicht kan best uit zoiets voortkomen. Ik probeer daar niet al te persoonlijk over te spreken maar soms denk je: ik wil iets kwijt. Kom, ik maak er een gedicht van.'

- Helpt dat?

'Nee. Ja, misschien wanneer het eenmaal in een boek staat. Een verschrikkelijke ervaring is dan ineens een goed gedicht geworden. Het proces van het maken is erachter verdwenen, dat ligt nog ergens op de werkkamer, en het gedicht zelf staat daar nu los van. Maar het blijft natuurlijk buitengewoon somber als ik hier lees:

''Tranen zonder tal/ en waar een dal om te bedauwen-mist. //Alleen nog vleugels op te vouwen/ Leren vallen als een steen.'' Daar moet je het maar mee doen.'

- Toch lijkt er naar het einde toe een soort opklaring te bespeuren. Gaat het halverwege de de bundel nog over de 'koude klonterpap van modderdonker', in het laatste gedicht is dat dan toch de 'klaarheid van deze nacht' geworden.

'Ja, aan het eind zijn er in ieder geval sterren in de nacht. Dat was ook wel de bedoeling. Er zit consistentie en voortgang in. Aan het eind is er een soort plechtig afscheid genomen, van dierbaren. Maar er wordt ook afscheid genomen van het idee dat de toekomst nog iets te bieden heeft.

'Daarom speelt de natuur ook een minder grote rol in deze bundel. Natuur heeft te maken met groei en belofte, en dat is er niet meer. In plaats van het idee dat er nog van alles kan ontluiken heb je ineens het idee dat het leven op is, dat er alleen nog terugblik mogelijk is. Dat is niet iets waar je op voorbereid bent in de voorgaande levensjaren. Je kan niet meer aan jezelf ontsnappen door een droom achterna te jagen.'

- De titel van de bundel doet wel aan de toekomst denken. Iets ligt immers nog in het verschiet?

'Het is een beetje een paradoxale titel. Sterren kunnen verschieten, dan zie je ze een laatste lichtende baan afleggen. Er is een gedicht in de bundel, ''Verschiet te Rome'', over een zonsondergang, waarin ik die vergelijk met mijn eigen ondergang, die ''evenmin fataal'', maar wel ''keer op keer als voor het eerst'' zal zijn. Nou dat belooft niet veel goeds, maar het is wel elke keer een sensatie.'

- En uit het verdriet kan ook weer iets moois komen, lijkt het door u gekozen motto van Shelley te willen zeggen: 'My heart can drink the dregs of such despair, and live, and love.'

'Ja, god, we moeten niet ophouden het leven lief te hebben. Je kunt op z'n minst je dierbare doden liefhebben, en de poëzie, en die al dan niet zingende merel.

'Ach, het is allemaal ook niet zo erg. Het schrijven van gedichten is iets heel prettigs. Boven op zolder heb ik hoge stapels voorwerk liggen. Ik begin meestal met een hele hoop wartaal en allerlei idiote beelden en uiteindelijk krijgt het steeds meer cadans en structuur.

'Het plezier is gelukkig onuitroeibaar. Omdat het materiaal zo rijk is: soms sta je gewoon vrolijk te kijken hoe er iets onder je handen ontstaat, of het nu somber is of niet. De taal heeft zelf al een monter makende werking.'

- Toch lijkt de talige uitbundigheid van uw vorige bundels hier enigzins afgenomen.

'Ik vind de structuur van een gedicht nu belangrijker. Het moet spanning hebben van begin tot einde. Als een stuk muziek van Beethoven. Je moet het vast zien te houden tot het einde aan toe, dan kan de lezer echt je tekst ín komen.'

- In het gedicht 'Gevallen vrouw (een burleske)' lijkt er een verlangen naar bevrijding uit het harnas van streng gestructureerde poëzie. Er is sprake van verzet tegen het 'afgemeten schrijden' op het strakgespannen koord.

'Dat gedicht is een echte oefening in scanderen, in voetje voor voetje gaan. Er spreekt heimwee uit naar mijn oude manier van poëzie-schrijven: ''het pirouetteren// in bokkesprongen uit de maat en krolse gibbon/capriolen''. Het gaat over het verlies van de onbekommerde, argeloze gedichten die je schrijft om iemand je liefde te betuigen. En over de wens om dat weer te kunnen.

'Dichten is het leukste als je denkt dat je daar iemands hart mee wint of behoudt. Daarmee bedoel ik niet dat het gedicht een verkapte liefdesbrief is, maar dat het de mogelijkheid biedt om wat je maakt aan iemand te adresseren, om zo jezelf cadeau te kunnen doen. Ongeveer zoals een hond die een mooi bot heeft gevonden en het aan je voeten legt. Maar op die manier werkt het niet meer.'

- Het gedicht lijkt soms de vorm van een huis aan te nemen, zoals het gedicht 'Aanzoek'. Kan een gedicht onderdak bieden?

'Zolang je die regels om je heen optrekt, hoef je in ieder geval niet uit het raam te springen. Soms is dat al heel wat. Maar het is een beperkte geborgenheid. Zoals er in het gedicht staat: ''Ik ben al vaak door mijzelf op straat gezet,/ heengezonden/ onbewoonbaar verklaard.'' '

- In datzelfde gedicht is het ook het lichaam dat weinig beschutting biedt: 'Het lekt er en tocht.'

'Het lichaam is alles wat ik ben, maar het biedt te weinig ruimte, het heeft te veel oppervlaktespanning. Het is een soort overbewust gevoel van de kleinheid van een mens tegenover de belachelijke weidsheid van het bestaan. Ik heb altijd een enorm verlangen om iemand of iets anders te zijn dan mezelf, om niet gevangen te zitten in het eigen bewustzijn en in het eigen lichaam.'

- Die opstandigheid en vrijheidsdrang is ook te zien in de 'Bede van het karrepaard', die verzoekt om de 'ontheffing van oogkleppen'.

'Daar gaat het om onmaatschappelijkheid, en vrijheid, hachelijk en wel. Ik wil me niet neerleggen bij het fossiliserende van oordelen en definities en inperkingen. Mijn eigen geweten alleen mag mijn oordelende instantie zijn.

'Als vertaler werkt je geweten ook extra sterk. Vertalers zijn onnoemlijk streng voor zichzelf, die zoeken het meest domme woordje zes keer op. Dat komt doordat je ervan doordrongen bent dat er al iets is, iets wat opnieuw uit jouw handen moet komen. Wat je als vertaler opschrijft is al ergens aanwezig. Je moet dus ergens aan voldoen, zonder precies te weten waaraan. De vertaler is verplicht om de concentratie op te brengen en zich steeds af te vragen: Deugt het wel? Deugt het wel?

'Hoewel ik onwetend en onzeker te werk ga, vind ik toch dat wat ik opschrijf op een vérstrekkende manier waar moet zijn. Als kind wilde ik een heilige worden. Ik vond dat ik dat verplicht was aan het feit dat ik bestond.'

- En nu is het de literatuur die iets teweeg moet brengen?

'Je kan met poëzie iets inbrengen in de wereld. Noem het inzicht. Of uitzicht.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden