Het pact tussen parvenu en patriarch

WIE HEEFT in Italië de macht veroverd? Precies. Maar strekt Berlusconi's macht zich ook uit tot achter de schermen? Nee....

Cuccia is een unicum. In welk ander land lukt het een bankier een mensenleven lang zoveel persoonlijke macht uit te oefenen? In welk ander land dat zijn overheidsbedrijven afstoot, slaagt één enkele bankier erin de geprivatiseerde bedrijven onder zijn controle te krijgen? En waar ter wereld heeft een bankier de premier in een houdgreep?

Als het oude in Italië heeft afgedaan, dan geldt dat niet voor de 86jarige Cuccia, honorair-president en alleenheerser van de zakenbank Mediobanca. 'De patriarch', schreef een economisch weekblad, met een variant op de titel van Garcá Márquez' beroemde boek, 'beleeft zijn zomer.' Maar voor de Italiaanse democratie is de herfst in aantocht als de macht van Cuccia niet gebroken wordt.

Waaraan heeft deze financiële oligarch zijn macht te danken? Aan zichzelf, zijn strategische functie en de kwalen van het Italiaanse kapitalisme. Cuccia heeft een mix van eigenschappen die hem als bankier uitstekend van pas komen: hij is intelligent, sober, ijskoud, wantrouwig en hardnekkig. Hij heeft ook een eigenschap, die weinig lijkt te stroken met die van een moderne bankier: hij verwacht van zijn cliënten een persoonlijke trouw.

Cuccia mag dan al als kind zijn geboortestreek hebben verlaten, zijn Siciliaanse aard heeft hij niet verloochend: hij verdeelt de wereld in vrienden die geholpen en vijanden die vernietigd moeten worden. Hij verleent gunsten, en verwacht daar dankbaarheid voor in de plaats. Wee degene die zijn vertrouwen beschaamt. Vroeg of laat komt de wraak, want vergeten doet Cuccia nooit.

Waarom is Cuccia's functie strategisch? Omdat hij sinds de oprichting in 1946 de centrale figuur is van Italiës enige zakenbank die deze naam verdient, Mediobanca. De Milanese bank is in handen van dezelfde groepen die afhankelijk zijn van Mediobanca. Controleurs en gecontroleerden zijn dus dezelfden. Boven deze incestueuze constructie rijst torenhoog de vaderfiguur van Cuccia op.

Alle grote financiële operaties - fusies, overnames, herstructureringen, reddingen, nationaliseringen, privatiseringen - komen haast automatisch bij Cuccia terecht. Als hij een concern niet kan saneren, laat hij het opkopen door de staat. Zijn mislukkingen heeft hij dus laten betalen door de gemeenschap. Zo heeft hij diverse malen het chemieconcern Montedison laten nationaliseren en daarna weer laten privatiseren. Hij heeft nu het geruëeerde Montedison weer onder zijn beheer genomen.

Maar zijn karakter en zijn strategische functie zouden van Cuccia nooit Cuccia hebben gemaakt als het Italiaanse kapitalisme niet was geweest wat het is: een archaëch, onevenwichtig systeem van een handvol grote familiebedrijven die meestal diep in de schulden zitten, en daarnaast in een aparte wereld vier miljoen kleine en piepkleine ondernemingen. Naast die ontwrichte privésector was er een uit zijn voegen gegroeide overheidssector, die politici steeds meer gebruikten om de kassen van hun partij en van zichzelf te spekken.

Cuccia heeft zich opgewerkt tot de anachronistische goeroe van de oude familiebedrijven. Hij heeft hun steeds aan geld geholpen dat hij, in naam van de industriële ontwikkeling, de grote overheidsbanken afhandig had gemaakt. Die banken waren zelf de oprichters en aandeelhouders van Mediobanca. Geleidelijk aan wist hij gedaan te krijgen dat de leiding van die banken in handen kwam van personen die zijn vertrouwen genoten.

Cuccia is kind - nou ja, kind - aan huis bij de Agnelli's, Pirelli's, Pesenti's, Orlando's en Ligresti's, en die kunnen op hun beurt de weg naar zijn kantoor aan de Via Filodrammatici blind vinden. De aristocraat onder de financiers houdt er curieuze opvattingen op na. In de wereld der financiën is volgens hem slechts plaats voor heren van stand, en niet voor kleine ondernemers of kleine beleggers, laat staan voor de politici. Voor al die categorieën koestert hij een supreme minachting.

Daarom is het voor kleine ondernemers een heksentoer om aan betaalbare kredieten te komen, want aan volkskapitalisme heeft Cuccia een broertje dood. Daarom is de effectenbeurs van Milaan een minibeursje gebleven, want een heer brengt zijn belangen niet naar de beurs. Daarom worden de kleine aandeelhouders door hun grote broer minachtend het 'runderpark' genoemd.

Andreotti, Craxi en de andere politieke potentaten van de Eerste Republiek zijn ten onder gegaan. Cuccia daarentegen is machtiger dan ooit. Dat heeft hij indirect te danken aan de geminachte politici. Want het failliet van het oude systeem dwong tot privatiseren, en daar heeft de financiële Machiavelli zijn voordeel bij gedaan.

Privatiseren was om politieke en economische redenen een absolute en urgente noodzaak geworden. Veel staatsbedrijven waren immers door de politici leeggeplunderd en omgebouwd tot parkeergarages voor hun cliënten. Politieke vernieuwing zonder grootscheepse privatiseringen was geen vernieuwing. Bovendien stond het bankroet voor de deur omdat de rekening werd gepresenteerd voor het festijn dat de politici hadden aangericht. Over de noodzaak tot privatiseren was praktisch iedereen het eens. De vraag was alleen: hoe?

PRIVATISEREN betekent vooral de ontmanteling van het IRI, de door wildgroei geteisterde overheidskolos van banken, industrieën, de publieke omroep RAI en duizend andere activiteiten. Premier Ciampi en IRI-president Prodi besloten voor de grote privatiseringen de weg naar het volkskapitalisme in te slaan. De maatschappijen zouden public companies moeten worden, waarin vele duizenden aandeelhouders gezamenlijk de macht zouden hebben en geen van hen de anderen zou overheersen. Daarom zou geen enkele aandeelhouder een groter belang dan 3 procent mogen hebben.

Maar een public company wordt niet geboren per decreet, zeker niet in een land waarin het door Cuccia gedomineerde industrieel-financiële conglomeraat de dienst uitmaakt. Cuccia schreef zijn oude vijand Prodi dat hij niets voelde voor diens privatiseringsmethode.

Volgens hem zou de vorming van een public company slechts tot gevolg hebben, dat bij afwezigheid van een leidende groep aandeelhouders de macht in handen zou blijven van de oude staatsmanagers. En die behoorden voornamelijk tot de oude christen-democratische partij. De partij van Prodi.

Een schip zonder kapitein, redeneerde Cuccia, loopt te pletter. In die opvatting stond hij niet alleen. Hij had zijn pionnen in de regering zelf: Antonio Maccanico (oud-president van Mediobanca en Ciampi's rechterhand als onderminister voor Algemene Zaken), de minister van de Schatkist Pietro Barucci, en vooral de minister van Industrie, Paolo Savona, die over de privatiseringskwestie vorig jaar bijna een kabinetscrisis uitlokte.

Maar terwijl lustig de polemiek voortwoedde tussen de voorstanders van de public company en die van de 'harde kern' van een kleine maar beslissende groep aandeelhouders, ging Cuccia aan het werk. De eerste test was de privatisering van de Banco del Credito Italiano, in de wandeling Credit. Direct daarna volgde de Banca Commerciale Italiana (Comit), waaruit Mediobanca zelf is voortgekomen. Cuccia heeft zijn leven lang ernaar verlangd dat kleinood in huis te halen.

Beide banken zijn onder controle gekomen van 'harde kernen', gevormd door Cuccia's klanten als Pesenti, Generali, Fiat, Benetton, Ligresti en bevriende buitenlandse banken als het Franse Paribas, Deutsche Bank en Commerzbank. Het was een koud kunstje: geen van deze aandeelhouders heeft een groter belang dan 2,97 procent (Paribas), maar bij elkaar hebben ze met nog geen 20 procent de complete controle gekregen.

De 280 duizend kleine beleggers die aandelen van Comit hadden gekocht, zijn er niet aan te pas gekomen. Van de veertien leden van de vorige Raad van Bestuur hebben slechts twee vrienden van Cuccia hun functie gehouden. Tot tweede directeur-generaal is benoemd zijn neef Enrico Beneduce. Ook de andere elf hebben allen zijn zegen.

Of de nu geprivatiseerde banken gebruikt zullen worden voor een ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf, valt gezien Cuccia's voorkeuren te betwijfelen. En het is nog maar een begin. Cuccia denkt al aan harde kernen voor de komende privatiseringen: de bank BNL, het staalcomplex ILVA, het olieconcern Super-Agip en vooral de reusachtige monopoliebedrijven STET (telecommunicatie) en ENEL (electriciteit).

De anders zo gematigde Prodi heeft Cuccia een gevaar voor de democratie genoemd. Volgens de aspirant- regeringspartij Liga Noord, kampioen van de kleine beleggers, 'dreigt Italië te worden opgegeten door de economische potentaten, met Cuccia aan het hoofd'. Ook de neofascisten hebben verandering van de privatiseringsspelregels geëist. En Berlusconi? Berlusconi zwijgt. Want Berlusconi heeft de boeken van zijn door schulden bijna verstikte concern Fininvest een paar weken geleden naar Cuccia laten brengen. En daarmee is de komende premier van Italië in Cuccia's macht gekomen.

De oude financiële dictator heeft nooit veel op gehad met Berlusconi. Hij vindt dat deze nouveau riche geen produkten verkoopt, maar lucht. Fininvest heeft hij een 'spelewei' genoemd. Maar nu hij deze spelewei moet saneren, heeft hij een schitterende chantagemogelijkheid gekregen. In ruil voor het oplappen van Fininvest eist hij een welwillende houding van de regering bij de privatisering van STET en SuperAgip.

Berlusconi is chanteerbaar zolang hij niet definitief afstand doet van Fininvest. Daar heeft hij de grootste moeite mee. Hij wil voorlopig niet verder gaan dan de benoeming van zijn eigen controleurs, drie wijze mannen die ervoor moeten waken dat hij als premier zijn eigen bedrijven niet bevoordeelt. En zo komen alle touwtjes bij Cuccia samen. Over een paar maanden wordt de patriarch 87. Midden in zijn zomer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.