‘Het oranjegevoel gaat niet verloren’

Premier Jan Peter Balkenende wil de discussie over de Europese Grondwet zakelijk voeren. ‘Het moet gaan om de centrale vraag; brengt dit verdrag ons verder? Als je het vergelijkt met de huidige regelingen binnen de EU, zijn we beter af. Ik ga voor een ja, en ik ben optimistisch'...

Van onze verslaggever Theo Koelé

Een autorit voerde premier Jan Peter Balkenende deze week in Warschau langs imposante kantoren van Nederlandse bedrijven als ING en ABN Amro. Het was hem al opgevallen: Nederland doet goede zaken in Polen en andere nieuwe lidstaten van de Europese Unie. ‘Vorig jaar heb ik al die landen bezocht en vrijwel overal kreeg ik te horen dat Nederland er de eerste, tweede of derde investeerder is. We hebben veel te winnen bij Europese samenwerking. Het grondwettelijk verdrag biedt kansen om onze economie te versterken.’

Het is slechts een van de voordelen die Balkenende ziet in de Europese Grondwet, door hem steevast aangeduid met de juridisch correcte term: grondwettelijk verdrag. Dat Nederland niet alleen verdient aan de Europese Unie, maar ook jaarlijks een enorm bedrag afdraagt aan ‘Brussel’ , doet aan het enthousiasme niets af.

Nederland heeft de afgelopen jaren luidkeels geklaagd over de betalingen die per hoofd van de bevolking hoger zijn dan in enig ander EU-land. Biedt de Grondwet een oplossing?

‘Laten we de feiten op een rij zetten. Nederland heeft jarenlang meer ontvangen dan het betaalde. In 1991 is die positie veranderd. Dat is op zichzelf goed, we zijn een rijk land. Solidariteit vergt dat we bijdragen aan armere delen van Europa. Maar we betalen nu excessief veel. Daarom hebben we geknokt om in de Grondwet vast te leggen dat we ons vetorecht behouden bij de vaststelling van de Europese begroting.’

Op veel terreinen verdwijnt het vetorecht. Nederland levert invloed in.

‘Je kunt niet hebben dat de laatste remmer alles tegenhoudt. De EU telt sinds een jaar 25 landen, daarvoor waren het er 15. Ik merk het verschil. Het verdrag is het antwoord op de uitbreiding, het is nodig om een Unie van 25, en straks nog meer landen, te kunnen besturen.’

Bij verdere uitbreiding denkt iedereen aan Turkije. De regering stelt dat de eventuele toetreding van dat land niks te maken heeft met de Grondwet. Maar die geeft wel meer macht aan landen met de meeste inwoners.

‘Er zijn twee discussies. De ene gaat over de stemverhouding tussen grote, middelgrote en kleine landen. De andere betreft de positie van Turkije als islamitisch land. We moeten dat los van elkaar zien. In het verdrag zijn waarborgen opgenomen om te voorkomen dat een paar grote landen de zaak dicteren. Het stemaandeel van Nederland in de Europese ministerraad komt grosso modo overeen met de omvang van onze bevolking. Maar ik heb de laatste jaren ook gemerkt dat het niet alleen om getallen gaat. Invloed hangt er ook van af of je effectief bent in contacten met andere landen, of je een betrouwbare partner bent. Ik constateer dat Nederland als middelgroot land in de onderhandelingen over het verdrag veel binnengehaald heeft. Vergeet niet dat in het verdrag een stevig kader is opgenomen voor toetreding van lidstaten. De regels zijn aangescherpt. Als we straks onderhandelen met Turkije, zal dat blijken. Maar het referendum gaat niet over Turkije.’

Nog een zorg onder de bevolking: in een steeds grotere EU dreigt Nederland een provincie te worden.

‘Tsja, dat verhaal over de Superstaat Europa, de kritiek dat Brussel over ons komt. Ik begrijp het gevoel wel, maar het klopt gewoon niet. Er zijn wel ideeën geweest om te komen tot een Verenigde Staten van Europa. Zover is het niet gekomen. Mijn karakteristiek van het verdrag is dat we antwoord geven op de vraag: wat doet Brussel, en wat doen we nationaal?

‘Waar wil je vooruit met elkaar, en wat wil je zelf regelen? In de eerste categorie vallen de strijd tegen terrorisme en onveiligheid, migratiebeleid en economische ontwikkelingen. De kernvraag is: kun je met het verdrag zulke zaken

beter aanpakken? Ik beantwoord die vraag positief.

‘Als de Tweede Kamer vindt dat iets ten onrechte in Brussel wordt geregeld, kan men, samen met andere nationale parlementen, een gele kaart opsteken. Dan moet de Europese Commissie een voorstel heroverwegen. En we krijgen het burgerinitiatief: je kunt de Unie met handtekeningen tot actie bewegen. Ik vind dat er in het verdrag voldoende waarborgen zijn gecreëerd tegen een superstaat.’

Nederland blijft Nederland, stelt de laatste regeringsfolder. Zo moet u het softdrugsbeleid verdedigen, terwijl u daar als CDA’er geen voorstander van bent.

Bij onderwerpen als softdrugs, euthanasie en abortus hebben we te maken met nationale keuzes, er wordt niets door Brussel gedicteerd.

‘Ik heb als CDA’er bepaalde gevoelens, maar respecteer de uitkomsten van het debat. We hebben het in Nederland uitgeknokt en behouden in Europa onze identiteit.

‘Die identiteit mag nooit verloren gaan. We hebben een eigen taal, geschiedenis en cultuur waarop we natuurlijk trots zijn. Ik ben niet beducht dat het oranjegevoel zal verdwijnen. Juist in de discussie over Europese samenwerking komt de vraag op: waar sta je zelf voor, waar kom je vandaan? Dat is mij ook opgevallen in de jaren tachtig, toen de Europese landen praatten over een vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal. Mensen vroegen zich af: wordt alles in Europa één?

‘Het besef was dat we eenheid nodig hadden en tegelijkertijd onze eigenheid niet kwijt wilden. De gemeenschappelijke markt is er gekomen, en Nederland heeft er als open economie veel baat bij.’

Behalve economische grootmacht wil Europa ook speler zijn op het internationale politieke toneel. Zo komt er een Europese minister van Buitenlandse Zaken, en begeeft de EU zich op het pad van defensie.

‘Het is niet het einde van ons buitenlands beleid, we houden onze eigen minister van Buitenlandse Zaken. Maar het is belangrijk dat de Unie met één mond spreekt. De verdeeldheid over de Irak-oorlog doet me nog steeds pijn. Laat ik het goede voorbeeld noemen van Oekraïne. Solana (buitenlandcoordinator EU), Biegman (Nederlands diplomaat), Kwasniewski (Poolse president), en ikzelf hebben vorig jaar met succes aangedrongen op een vreedzame oplossing voor het conflict tussen regering en oppositie. Straks kan de Europese minister van Buitenlandse Zaken zo’n duidelijk geluid laten horen. Dat is een voordeel’

‘Ook voor defensie geldt dat Europa zich met meer gezag kan presenteren. Waarom voert de EU momenteel een militaire missie op de Balkan uit? We bundelen de krachten om dat deel van Europa veiliger te maken. Ook buiten Europa, in Afghanistan, Irak, Congo, werken Europese landen samen. Soms trainen we rechters en politiemensen, soms bieden we militaire ondersteuning. Dat heeft niets met militarisering van Europa te maken, zoals tegenstanders zeggen.

‘Het gaat erom dat Europa verantwoordelijkheid draagt, al dan niet samen met de VS. Daar waar brandhaarden in de wereld zijn, is het goed dat je een van de betrokken partijen bent.’

Minister Donner zinspeelde op oorlog in Europa als de Grondwet wordt verworpen. Collega Brinkhorst schetste een economisch doemscenario. Is dat de ‘harde, maar waardige’ campagne die u zegt te willen?

‘Een paar weken geleden was het betrekkelijk stil, en dan krijgen zulke geluiden veel aandacht. We moeten het debat voeren zonder te polariseren. Ik neem kritiek van tegenstanders serieus. Maar het moet wel gaan om de centrale vraag; brengt dit verdrag ons verder? Als je het vergelijkt met de huidige regelingen binnen de EU, zijn we beter af.’

Toch is blijkens peilingen de kans groot dat Nederlanders nee zeggen. Wat dan? Komt er na heronderhandelingen met de EU-partners een tweede referendum, zoals in Denemarken, dat ooit het verdrag van Maastricht verwierp?

‘Als we weer gaan onderhandelen, leidt dat naar mijn overtuiging niet tot een beter resultaat. De wereld vergaat niet, maar het betekent wel vertraging en stilstand in Europa. Daar hebben we geen belang bij. We hebben het keihard gespeeld. Nu eens sloten we een pact binnen de Benelux, dan weer ging ik naar de grote landen, en we deden zaken met nieuwe lidstaten. We hebben een alleszins acceptabel resultaat bereikt.

‘Collega’s zeiden: jullie hebben op zoveel punten je zin gekregen, rem nu eens af. Ik sta voor het resultaat. Het wordt onderschreven door 85 procent van de Kamer. Ik hoor trouwens niemand zeggen waarover we opnieuw zouden moeten onderhandelen.’

De EU-partners kunnen niettemin zeggen: doe het referendum over. Want als één lidstaat nee zegt, wordt de Grondwet niet van kracht.

‘Ik heb geen zin om te speculeren over wat er gebeurt bij een nee. Ik ga voor een ja, en ik ben optimistisch.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden