Het onweerstaanbare van Apokajan

De Nederlandse arts en ontdekkingsreiziger dr A. W. Nieuwenhuis trok aan het einde van de vorige eeuw in dertien maanden dwars door Borneo van Pontianak naar Samarinda....

De Noorse ontdekkingsreiziger Carl Bock moest niets hebben van Samarinda en al evenmin van Tenggarong waar de sultan van Kutai, de heerser over het Mahakam-basin, resideerde. Hij ergerde zich aan het 'kinderlijke Engels' van de sultan en aan de 'ellendige toestand' waarin hij beide plaatsen rond 1870 aantrof. 'Door de bruine huidskleur van de kinderen zie je niet dat ze smerig zijn', noteerde Bock.

Vooral Samarinda had het bij Bock verbruid. De havenmeester noemde hij een 'aartsleugenaar' en 'corrupt'; de Maleiers een 'stelletje dieven' en de Buginezen 'amokmakers'. De Dajaks waren 'onverbeterlijke koppensnellers'. Maar, zo moest hij, uitpuffend van een vermoeiende reis door centraal-Borneo, toegeven: 'Tot nu toe kon ik heel aardig opschieten met deze verschrikkelijke wilden.'

De Redmond O'Hanlon van de negentiende eeuw was niet ongevoelig voor roddel en achterklap en al helemaal niet voor prikkelende generalisaties, die thans minimaal op enig tandengeknars kunnen rekenen. Berucht en lachwekkend was zijn ontmoeting met de 'kannibalen-koning van Tering' (een kampong aan de Mahakam-rivier, vierhonderd kilometer westelijk van Samarinda), die, naar later bleek, ten onrechte het etiket menseneter kreeg opgeplakt.

Carl Bock kon echter ook haarscherp waarnemen en goed tekenen. Zijn schetsen gaven een nagenoeg waarheidsgetrouw beeld van de oorspronkelijke inwoners van het zeker in die tijd mysterieuze Borneo, waarvan sommige delen ook nu nog krakkemikkig in kaart zijn gebracht.

Dertig jaar na Bock arriveerde de Nederlandse arts en ontdekkingsreiziger dr A. W. Nieuwenhuis in Samarinda. Geen onvertogen woord over die plaats, hooguit bedekte kritiek; het gastenverblijf van assistent-resident Van Assen was hem dierbaarder dan het 'Indische hotel'.

Tevreden stelde hij vast dat 'het eerste doel van onze expeditie was bereikt. In dertien maanden, van mei 1898 tot juni 1899, waren wij dwars door Borneo van Pontianak naar Samarinda getrokken, en de politieke en wetenschappelijke resultaten van onze reis hadden volledig aan onze verwachtingen beantwoord. Thans ging het er om ook de tocht naar de Kenja in de Apokajan, het tweede doel van onze reis, tot een goed einde te brengen'.

Dat laatste is precies wat ik ook wil, zij het met andere middelen dan waarover Nieuwenhuis kon beschikken.

De Apokajan, een van de meest geïsoleerde gebieden van Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo, heeft deze eeuw een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitgeoefend op ontdekkingsreizigers en wetenschappers. De afgelegen ligging, de Kenja-Dajaks die als beruchte koppensnellers bekend stonden, missionerings- en zendingsdrang, strategische oogmerken onder de verhullende noemer 'pacificatie', het zoeken naar de 'nobele wilde' en nieuwsgierigheid van een handjevol toeristen; het waren allemaal redenen om een riskante expeditie en veel later een eveneens niet van gevaar ontblote vliegreis naar de Apokajan te ondernemen.

Nieuwenhuis maakte er geen geheim van wat hem voor ogen stond: 'Het onderzoek dat ik tot op heden naar het karakter van de Dajak instelde en naar de omstandigheden waaronder zij leefden, leidde tot een verdere uitbreiding van de Nederlandse invloed in het hart van Borneo.'

Met die invloed was het tegen de achtergrond van de Britse aspiraties vanuit het aangrenzende Serawak en Sabah (thans deel uitmakend van de Maleisische Federatie) niet best gesteld. Al in 1825 stuurde het gouvernement in Batavia de Duitse majoor Georg Müller naar het Mahakam-basin om een monopolieverdrag met de sultan van Kutai te sluiten. Die opdracht ging hem, niet in de laatste plaats tot zijn eigen verbazing, gemakkelijk af. Met dat verdrag zat het wel goed en dat vonden ook zijn opdrachtgevers die er niet de minste moeite mee hadden dat een Duitser de geschiedenis inging als de eerste Europeaan die de bovenstroom van de Mahakam bereikte. Het gebergte dat de waterscheiding vormt tussen de Mahakam en de Kapuas, de langste rivier in Kalimantan, is nog altijd naar Müller vernoemd.

Müller, groot bewonderaar van Napoleon, zou in 1824 al twee pogingen in het werk hebben gesteld om vanuit Pontianak via de Kapuas Kutai te bereiken, maar hij keerde onverrichter zake terug, althans volgens dr R. Broersma, schrijver van Handel en Bedrijf in Zuid- en Oost-Borneo.

In Kutai vernam Müller een jaar later dat de bronnen van de Mahakam en van de westwaarts stromende Kapuas niet ver uit elkaar lagen. Een doorsteek van Samarinda naar Pontianak leek hem wel wat. Met vijfentwintig Javaanse soldaten volgde hij de Mahakam stroomopwaarts, bereikte de bovenstroom, trok het later naar hem genoemde gebergte over en belandde in het brongebied van de Kapuas, waar het volledige gezelschap door Dajaks werd onthoofd.

Zo luidde lange tijd de officiële lezing, hoewel ruimschoots bewijzen voor handen waren dat Müller nooit verder was gekomen dan de eerste stroomversnellingen van de Mahakam en die liggen ver van het waterscheidingsgebergte.

Meer voor de hand lag de veronderstelling - absolute zekerheid is er niet - dat de sultan van Kutai, die nadat hij de tekst van het monopolieverdrag goed tot zich had laten doordringen, in woede ontstak en Müller liet vermoorden. De sultan voelde zich bedonderd en had zich bovendien mateloos geërgerd aan het ploertige gedrag van Müller in Tenggarong en Samarinda, waar de majoor zich schaamteloos superieur gedroeg jegens de plaatselijke bevolking. De koloniale regering had echter geen enkele behoefte aan rectificatie van de officiële lezing; het verdrag was immers binnen en daar ging het om.

Nieuwenhuis kende de slecht aflopende geschiedenis van majoor Georg Müller en meer in het bijzonder was hij beducht voor de sultan die aan het einde van de vorige eeuw Kutai bestierde. De sultan vreesde bepaald niet ten onrechte dat het Nieuwenhuis en zijn omvangrijke gezelschap, onder wie een aantal militaire begeleiders, te doen was om meer dan een wetenschappelijke expeditie annex ontdekkingsreis. Vandaar dat Nieuwenhuis tot driemaal toe Pontianak uitkoos als vertrekpunt en niet Samarinda. Die laatste plaats kwam alleen in aanmerking voor het tweede deel van zijn laatste expeditie uit het oogpunt van kostenbesparing en het inslaan van proviand.

Nieuwenhuis' eerste wetenschappelijke expeditie naar centraal-Borneo werd in 1894 voor een belangrijk gedeelte gefinancierd door de Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche Koloniën en werd mede-georganiseerd door de resident van de Wester-Afdeeling van Borneo, S.W. Tromp, die zich verkneukelde over de prachtkans om de Nederlandse invloedssfeer uit te breiden naar de binnenlanden van Borneo.

De oprichting van de Maatschappij (van voornamelijk wetenschappers) was te danken aan een initiatief van Melchior Treub, die zich als directeur van 's Lands Plantentuin in Buitenzorg (Bogor) had opgewonden over de doorgaans onbevredigende resultaten van wetenschappelijke expedities in de Nederlandse koloniën. De kosten van de eerste doorsteek, werden met inbegrip van een regeringssubsidie van tienduizend gulden geraamd op 35 duizend gulden.

Helaas voor de Maatschappij en Nieuwenhuis, kwam de eerste expeditie niet verder dan het brongebied van de Kapuas. De controleur (Nederlandse bestuursambtenaar) van de Boven-Kapuas, L. C. Westenenk, was volgens Nieuwenhuis van mening dat 'het voor ons niet verantwoord zou zijn om door te gaan en daar hij de leiding had zat er voor ons niets anders op dan terug te keeren'.

De controleur baseerde zich op berichten die hem vanuit het sultanaat Kutai hadden bereikt. De teneur was eenduidig: trek het Müller-gebergte niet over, in het bovenstroomse gebied van de Mahakam liggen grote gevaren op de loer.

Nieuwenhuis keerde enkele maanden later na uitvoerig wetenschappelijk onderzoek in de Boven-Kapuas terug naar Batavia. Nieuwenhuis: 'Bij mijn aankomst in Batavia was er echter geen sprake van het maken van verdere plannen, want de krijgsklaroen op Lombok riep ook mij naar het toneel van den strijd, waar de bestorming van de Tjakra Negara en het einde der militaire expeditie ons medici alle andere plannen spoedig deed vergeten.'

Eenmaal terug in Batavia legde Nieuwenhuis zijn nieuwe plannen voor aan 'het Indisch Comité der Maatschappij'. 'Ik mocht zijne goedkeuring er op verkrijgen, terwijl de Indische regeering nu toestemming voor den geheelen tocht verleende, nadat de Maatschappij in Nederland met opoffering van andere plannen de geldelijke gevolgen voor hare rekening nam.'

De tweede poging om Borneo te doorkruisen werd een daverend succes. De expeditie vertrok in februari 1896 uit Pontianak en kwam in juni 1897 in Samarinda aan. Als eerste Europeaan was het Nieuwenhuis gelukt de doorsteek te volbrengen. Juichend schreef hij: 'Het langdurige verblijf in het hart van Borneo had ons in de gelegenheid gesteld ons grondig te verdiepen in de woonomstandigheden, de zeden en de gewoonten van de stammen aan de Mahakam.'

Wat Nieuwenhuis vooral was opgevallen, was de angst onder de bevolking, 'een gevolg van de conflicten tussen stammen en het ontbreken van een hogere macht. Kwing Irang richtte zich uit naam van alle stammen aan de bovenloop van de Mahakam via mij tot de Nederlandsche regeering met het verzoek om bescherming'.

Kwing Irang, invloedrijk hoofd van de Kajan-Dajaks, speelde een sleutelrol in de tweede en de laatste expeditie van Nieuwenhuis. Volgens Carl Lumholtz, een Noorse ontdekkingsreiziger, die in 1917 als eerste met een filmcamera in centraal-Borneo op pad ging met het vooropgezette doel het voetspoor van zijn landgenoot Carl Bock te volgen - er is heel wat achterna gereisd in Borneo, ik kan er over meepraten - verijdelde Kwing Irang tot twee maal toe op subtiele wijze een tegen Nieuwenhuis gerichte samenzwering.

Het hoofd van de Penihing-Dajaks, Blarey, deelde de gevoelens van de sultan van Kutai en besloot Nieuwenhuis, die niet het geringste vermoeden van een moordkomplot had, uit de weg te ruimen. Aan Kwing Irang was het te danken dat Nieuwenhuis zijn reis door het bovenstroomse gebied van de Mahakam ongedeerd kon voortzetten.

De bescherming waar Kwing Irang om vroeg, leidde er volgens Nieuwenhuis toe dat de 'Indische regeering' zich genoodzaakt zag een nieuwe expeditie uit te rusten om na te gaan hoe in het gebied van de Boven-Mahakam orde en rust het best konden worden gehandhaafd.

Nieuwenhuis gaf grif toe dat bij deze derde expeditie ('begroot op 53 duizend gulden, waarvan ik vijftigduizend gulden uitgaf') het politieke belang voorop stond. Maar hij vond wel dat hij op dezelfde manier als bij zijn twee vorige expedities te werk moest gaan: door een langdurig verblijf het vertrouwen van de bevolking winnen.

En zo geschiedde het dat Nieuwenhuis in de zomer van 1899 in Samarinda tamelijk ontspannen - met de tegenwerking van de sultan van Kutai viel op dat moment te leven - voorbereidingen trof voor zijn tocht naar de Apokajan.

96 Jaar later meld ik mij - eveneens tamelijk ontspannen - bij relaties in Samarinda, in de zekerheid dat zij een ticket naar de Apokajan hebben geregeld.

Anderhalf jaar eerder strandde mijn plan om naar de Apokajan af te reizen op het vliegveldje van Samarinda, nadat ik met een grote dosis geluk en hulp in het voetspoor van mijn oom Tuan Glou (die in de jaren dertig deels afging op de ervaringen van Nieuwenhuis) Kalimantan had doorkruist.

Toen was het doodgewone vliegtuigpech. Maar nu kan er niets meer gebeuren.

De ontvangst in Samarinda is allerhartelijkst. Maar ik moet vrijwel onmiddellijk een enorme teleurstelling weg slikken.

Relatie A tot relatie B: 'Zeg jij het ze.' Relatie B: 'De tickets kunnen jullie vergeten. DAS (het luchtvaartbedrijfje dat sinds een jaar vier keer per week een geregelde vlucht op de Apokajan onderhoudt) geeft absolute voorrang aan de plaatselijke bevolking. Het is niet de bedoeling dat toeristen van de zwaar gesubsidiëerde vluchten profiteren.'

'En hoe zit het dan met de promotie van het toerisme naar de Apokajan', werp ik zwakjes tegen. 'Dat weten we ook niet. De enige zekerheid die we hadden, was dat we vier tot zes weken van tevoren tickets moesten bestellen en die zekerheid is ons om duistere redenen kort geleden ontnomen. We moeten iets bedenken.'

Relatie C moet uitkomst brengen. C heeft kennissen bij de DAS en het provinciale Ministerie van Verkeer. C besluit een brief te schrijven waarin hij uitlegt dat wij beslist geen toeristen zijn en dat wij in de Apokajan op zoek willen gaan naar het graf van mijn oom. Dat laatste, legt C uit, is een zwaarwegend argument. 'Het dondert niet dat Tuan Glou in Goirle ligt begraven, maar hij is toch in de Apokajan geweest?'

Dat klopt.

C legt nog iets meer uit: 'Een dezer dagen krijgen jullie te horen wat mijn kennissen in rekening brengen. Beschouw hun activiteiten als een vriendendienst, ook al gaan jullie waarschijnlijk vijf maal de prijs van een normaal ticket betalen. Als jullie ja zeggen, dan moeten jullie op elk moment van de dag kunnen vertrekken. Verlaat Samarinda dus niet.'

Wat zou Carl Bock hebben gedaan? Waarschijnlijk hetzelfde als wij. We zeggen ja en wachten een week lang op onze tickets in het saunahete Samarinda, waar veelvuldige tropische regenbuien nauwelijks afkoeling brengen. Tijd genoeg derhalve om ons af te vragen of vriendendienst geen eufemisme is voor corruptie. Maar C verdient er geen cent aan en wat moeten wij zonder zijn kennissen?

's Woensdags is het zo ver. Wij kunnen met de DAS naar de Apokajan vliegen. 'Prima geregeld toch', roepen A, B en C. 'Alleen, jullie moeten zelf maar uitvlooien hoe jullie terug komen.'

Anderhalf uur vliegen of drie weken te voet en met de boot.

Wordt vervolgd

Geraadpleegde literatuur: Carl Bock: The Head-Hunters of Borneo. Redmond O'Hanlon: Naar het hart van Borneo. A. W. Nieuwenhuis: In Centraal Borneo, Quer durch Borneo. Carl Lumholtz: Through Central Borneo. R. Broersma: Handel en Bedrijf in Zuid- en Oost-Borneo. Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche Koloniën: Overzicht van de lotgevallen en werkzaamheden in de eerste halve eeuw van haar bestaan. Charles Hose and William McDougall: The Pagan Tribes Of Borneo.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden