Column

Het onmogelijke willen is even erg als niets willen

Twee dagen nadat Benjamin Netanyahu vervroeg-de verkiezingen had aangekondigd, publiceerde het links-liberale dagblad Haaretz een analyse waarin niet minder dan vijftien redenen werden opgesomd waarom de Israëlische premier best wel eens aan het kortste eind zou kunnen trekken in de stembusslag op 17 maart. Bij die redenen was het wensdenken ruim vertegenwoordigd. Zoals de hoop dat de Israëlische kiezers, als puntje bij paaltje komt, 'zullen terugdeinzen voor verder internationaal isolement en voor een diepere kloof met de Amerikaanse joodse gemeenschap'. Tja.

Maar andere overwegingen waren wel degelijk geënt op harde feiten: een welvaartsgroei waarvan een substantieel deel van de bevolking niet of nauwelijks profiteert; de vele uitwijkmogelijkheden die teleurgestelde rechtse kiezers hebben; de dalende persoonlijke populariteit van Bibi (van 77 procent een half jaar geleden tot beneden de 40 procent), een trend die mede voortvloeit uit het feit dat in een democratie vrijwel iedere politieke leider op een gegeven moment onderhevig raakt aan slijtage. Netanyahu dingt nu alweer naar een vierde ambtstermijn als premier - de eerste was van 1996 tot '99, zijn comeback dateert van 2009 en in de tussenliggende periode was hij ook nog minister van Financiën.

Gaat dit alles de premier opbreken? 'In de peilingen verlies ik altijd, maar op verkiezingsdag win ik altijd', zei Netanyahu in 2013, toen zijn Likoed overigens elf zetels verloor, maar wel de grootste partij werd door het instorten van centrumpartij Kadima. Als zijn observatie klopt, stevent hij af op een nieuwe zege, want in alle peilingen staat hij (licht) achter op het centrum-linkse duo Isaac Herzog en Tzipi Livni, wier partijen zich hebben verenigd in het Zionistische Kamp. Wat ik maar wil zeggen: laten we ons niet verkijken op de huidige voorsprong van de oppositie. In deze fase van de campagne regeert nog de vrijblijvendheid.

De grote handicap van Herzog en Livni is dat ze zich als hoeders van de nationale veiligheid bij lange na niet kunnen meten met Netanyahu. Herzog is op dit punt een onbeschreven blad en Livni heeft, terecht of niet, de reputatie van een windvaan. Dan hebben ze ook nog eens een roterend leiderschap afgesproken, wat al voedsel heeft gegeven aan een bijtend animatiefilmpje waarin ze elkaar manen de telefoon op te nemen als het Witte Huis belt.

Misschien dat onder andere omstandigheden het gebrek aan ervaring op veiligheidsgebied minder zwaar zou wegen, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat de modale Israëlische kiezer in het stemhokje tegen zichzelf zegt: 'It's the economy, stupid.' De omringende Arabische wereld is doortrokken van bloedige conflicten, meerdere landen (Syrië, Irak, Libië, Jemen) verkeren in staat van ontbinding. De Palestijnen ontberen een geloofwaardig leiderschap en weten de rijen almaar niet te sluiten. Allemaal redenen om het Israëlische schip van staat toch maar weer toe te vertrouwen aan een ervaren roerganger. En allemaal ongunstige voorwaarden voor het nemen van riskante stappen naar nog een nieuwe, per definitie zwakke, Arabische staat, hoe gerechtvaardigd de Palestijnse nationale aspiraties op zichzelf ook mogen zijn.

Anderzijds zal de druk op Israël om de Palestijnen tegemoet te komen, voorlopig beperkt zijn. Twee belangrijke Arabische landen zijn momenteel amper geïnteresseerd in het vredesproces zolang Hamas daar een rol in speelt. Egypte vanwege de banden van Hamas met de Moslimbroederschap, de grote interne tegenstander van het bewind in Caïro, en Saoedi-Arabië vanwege de Iraanse connectie.

In de VS werpt het Republikeinse Congres zich nu al op als grote toeverlaat van Israël, terwijl voor president Obama een akkoord over het Iraanse nucleaire programma duidelijk een hogere prioriteit heeft dan een zoveelste poging om onwillige Israëli's en Palestijnen nader tot elkaar te brengen. Resteert Europa, dat als handelspartner weliswaar van belang is, maar dat in Israël niet kan bogen op groot moreel aanzien en dat nog iets minder recht van spreken heeft gezien de anti-joodse aanslagen van de afgelopen tijd en de onmacht om radicalisering onder moslimjongeren tegen te gaan.

Hiermee wil ik niet betogen dat het Palestijnse probleem voorlopig van de agenda moet worden afgevoerd. Hoewel het niet het draaipunt in het Midden-Oosten is dat sommigen ervan maken, kan het niet worden veronachtzaamd. Maar het onmogelijke willen is even erg als niets willen. Soms moet je tevreden zijn met een tussenstapje: laten we hopen dat na de verkiezingen in Israël een (coalitie)regering aan de macht komt die de buitenwereld minder verkrampt tegemoet treedt.

Paul Brill is buitenlandcommentator van de Volkskrant.
Reageren? p.brill@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.