Het onbaatzuchtig egoïsme van de verzamelaar

BEHALVE alle curieuze klanten van alle Nederlandse antiquaren (en onder hen is weer de meest curieuze - de anonieme Nederlander die bij een Parijse boekhandelaar nagenoeg dagelijks kwam vragen of er nog een nieuw boek over vlooien uit was), is er waarschijnlijk in ons land geen merkwaardiger boekenbezitter geweest dan...

Ten derde: hij wist zich als boekenbezitter ook de laatste bekende van sommige dichters. In een gesprek met Victor van Vriesland heeft hij opgemerkt: 'Als wij dood zijn, zal een aantal dichters nooit meer worden gelezen.' Ik denk dat zijn kleine tochten door zijn bibliotheek ook waren bedoeld om die dichters erop te wijzen dat hij er nog was. Zij leefden dus ook nog. Tot slot: Bloem wilde dat zijn boeken na zijn dood verkocht zouden worden. 'Boeken horen onder de mensen', verklaarde hij. Eindelijk bijeen, vrijwel meteen weer uit elkaar. Hij heeft zijn boeken weinig stabiliteit gegund.

Eén keer heeft Bloem uitvoerig over boeken geschreven. Het stuk heet 'Boeken en ik', het verscheen in 1956 in een kleine publikatie, Zeven auteurs vertellen over de rol die het boek in hun leven speelt. Ik las het voor het eerst in de onlangs verschenen zeer omvangrijke uitgave van Bloems verzamelde kritieken en essays, Het onzegbare geheim. Het stuk valt wat tegen; ik had bij iemand die zijn leven bijna voor zijn boeken had opgeofferd, diepere gedachten verwacht. Maar wellicht vond hij het geheim van boeken even onzegbaar als dat van poëzie. In het begin noemt hij het boek een zegen en een vloek - dichters verraden zich altijd in hun taal. En zoals altijd is de vloek interessanter dan de zegen, zoals de misdaad meer loont dan de deugd, die trouwens gevolg is van gebrek aan gelegenheid, zoals mij enkele keren is voorgehouden. Hij noemt boeken een vloek, 'omdat zij een nooit te verzadigen bezitzucht in mij hebben opgeroepen, waaraan ik bovendien nog maar gedeeltelijk heb kunnen voldoen'. Zonder die vloek van de hogere hebzucht is nooit de zegen van een bibliotheek tot stand gekomen. Maar misschien is de vloek niet de bezitsdrift - die kan overigens zeer onrustig maken - maar de onvervulbaarheid van die drift, en die maakt zeer ongelukkig, hoe stimulerend ze ook werkt. Elke boekenbezitter sterft met een illusie: de bibliotheek die hij had willen vormen. Maar dat is natuurlijk de persoon die hij had willen vormen: in een bibliotheek tracht de bezitter zichzelf gestalte te geven. Hij laat zichzelf onvoltooid achter. Dat heeft hij dan met de kunstenaar gemeen.

Bloem geeft in het stuk op de vraag 'Wat is een bibliotheek?' het volgende antwoord: 'Het zijn twee eigenschappen, die een boekenverzameling tot een bibliotheek maken: selectie en groei.' Hij werkt dat wat vlak uit. 'Selectie en groei' lijken mij trouwens identiek. De boeken selecteren zichzelf en de bibliotheek groeit daardoor - al hoeft dat niet in omvang te zijn - naar de geest van de bezitter. Elke echte bibliotheek is een persoonlijke bibliotheek. Bloems boekenstad was zijn stad en de enige plaats waar hij thuis was: hij was bij zichzelf. Bibliofilie is de superieurste vorm van eigenliefde, een zeer christelijke ook, want je moet je naaste liefhebben als jezelf. En wat een bibliofiel tegenover mij eens als zijn diepste instinct beschreef, het jagen, het achtervolgen, is een jacht op jezelf in de spiegel.

MISSCHIEN maakt dat zeer persoonlijke karakter van de bibliotheek het voor de bezitter (maar dat is natuurlijk een totaal verkeerd woord, wie bezit nu zichzelf?) onmogelijk over zijn boeken te schrijven. Ik heb Johan Polak eens voorgesteld de geschiedenis van zijn bibliotheek te schrijven. 'Een bibliofiel zwijgt', zei hij kortaf, maar zelfs met die drie woorden nog hoffelijk. Ik moet eerlijk bekennen, dat de veilingcatalogus van zijn bibliotheek - zijn geloofsbrief toch - nòg naar hem liet raden. Alleen de vereerder, de bewonderaar van een aantal van de grootsten uit de Europese literatuur, werd zichtbaar. Maar die gedaante had hij ons ook zelf tijdens zijn leven getoond, in voortdurende oden en citaten. De mythe die zijn bibliotheek was, werd een mysterie. Zijn geest moet zelf een pracht-editie zijn geweest.

Zwijgt men over boeken? Men zwijgt over schrijvers. Bij lezing van de veilingcatalogus van de bibliotheek van P. N. van Eyck heb ik dat begrepen. Hij had de mooiste collectie Yeats in Nederland en, naar ik vermoed, een der mooiste van de wereld. Over de grote dichter heeft deze grote schrijver over poëzie nooit geschreven. Voor T. S. Eliot, van wie hij ook een heel mooie collectie had, geldt hetzelfde: ook over diens poëzie heeft hij gezwegen. Het onzegbaar geheim van Bloem blijft aanwezig. De echt persoonlijke geschiedenis van een boek uit je bibliotheek is de geschiedenis van je omgang met dat boek. En dat is met de schrijver. Die verschijnt je echter in de gedaante van een boek. En daarom begrijp ik dat Polak, maar hij uiteraard niet alleen, een aantal auteurs in verschillende edities compleet had. Je wilt je schrijvers in al zijn gestalten kennen en het liefst in de allermooiste uiterlijke, die zijn geest waardig is. Ik mocht laatst in een beroemde bibliotheek even een schitterende incunabel van De civitate Dei in handen houden. Dat werk van Augustinus is een der indrukwekkendste die ik ken. De auteur heeft mij voor een deel gevormd, sterker: ik houd van hem. Ik kreeg een aanval van bezitsdrift. Ik droomde het boek in mijn bibliotheek. Ik zou er nooit in lezen, maar me wel de hele dag van zijn aanwezigheid bewust zijn, misschien het af en toe even strelen, en daar zou de toch ook zeer zinnelijke Augustinus begrip voor hebben. Ach, het boek zou bij mij misplaatst zijn, zich niet thuis voelen. Ik liet het in het late licht van een Amsterdams grachtenhuis, tussen boeken die zijn geestgenoten zijn.

Ik verwonderde mij over die aanval van hebzucht, want ik ken die nauwelijks, niet uit deugd, maar, moet ik in dit gezelschap wel zeggen, uit ondeugd: ik ben geen verzamelaar. En dat heeft zeer egoïstische oorzaken. Niemand is onbaatzuchtiger dan een echte verzamelaar. Dat laatste kan u na het voorgaande verwonderen. Terecht. Want de verzamelaar wordt hierdoor gekenmerkt, dat hij ernaar streeft alles zo veel mogelijk in eigen bezit te hebben. Hij is een superieure egoïst. Maar waarschijnlijk - en hier wordt de eerste glimp van zijn onbaatzuchtigheid zichtbaar - is hij de enige egoïst die echt lijdt. Want de kwelling van de bezitsdrift mogen we niet onderschatten; de pijn van te weten dat het doel - de compleetheid, de voltooiing - nooit zal worden bereikt evenmin. En wat een teistering moet de jacht op jezelf zijn. Ik heb mij aan al die tormenten onttrokken. Ik koos voor de vrijheid van het niet-verzamelen. Aan het verzamelen van boeken komt geen einde. Dat had Prediker, de enige Nederlandse auteur in de Bijbel, moeten schrijven. Aan het leven van de verzamelaar wel. Daarna straalt zijn onbaatzuchtigheid in de glorie van zijn nalatenschap: zijn bibliotheek.

AAN het einde van de jacht wordt de verzamelaar een erflater. Er zijn nu drie mogelijkheden: de bibliotheek blijft zelfstandig bestaan, al of niet binnen een grotere bibliotheek, of wordt of werd, als in vroeger tijden, de grondslag van een grote bibliotheek. Hoeveel vorsten, bisschoppen, geleerden zijn niet de stichter van een bibliotheek die al eeuwen na hun dood voortleeft en groeit. De naam van de bezitter wordt vereeuwigd, want hij heeft zichzelf weggeschonken. De derde mogelijkheid is wel de meest onbaatzuchtige: de bibliotheek wordt geveild en de boeken verspreiden zich en beginnen elders een nieuw leven. Wie de verkoop testamentair bepaalt, ontkent daarmee het egocentrisme van de bibliofiel, zijn lichte afkeer van andere verzamelaars ook: hij gunt hun zijn eigen boeken. En daarmee zijn leven. Hij heeft geleden voor de anderen. Dat is het hoogst bereikbare in altruïsme. Terwijl ik dit opschreef, begon ik mij steeds slechter te voelen en op te zien tegen deze bijeenkomst, waarin zoveel naastenliefde en onbaatzuchtigheid bijeen is, zo veel cultuurbesef, zo veel vertrouwen in de toekomst. Tot troost kreeg ik een slechte gedachte: wie zijn boekenbezit laat verspreiden, moet weten dat hij anderen tot een gelijke kwelling van bezitsdrift gaat brengen of die pijn nog gaat verhevigen. Die gedachte moet het sterven van de bibliofiel niet zo moeilijk maken. Want ook in het uur van de dood blijft leedvermaak de grootste vreugde. Jullie zijn er nog niet van af, kan een troostende gedachte zijn voor het licht uitvalt.

Als ik verzamelaar was geweest - je kunt het niet worden- zou ik een zeer groot gebied hebben gekozen. De twaalfde eeuw bijvoorbeeld en dat weer toegespitst op Cîteaux en Cluny, met als mogelijke onderverzamelingen Bernardus van Clairvaux en Petrus Venerabilis. Misschien zou ik dan nu de eigenaar zijn van een ander boek dat eens mijn bezitsdrift wekte: een vroege Nederlandse uitgave van Bernardus' preken op het Hooglied. Ik heb het boek enkele jaren geleden gezien in een bewonderde particuliere bibliotheek. Waarom zou ik voor een groot gebied hebben gekozen? De merkwaardige conclusie is duidelijk: ik zou dan de desillusie van de onvoltooidheid bewust hebben nagestreefd. Er is echter nog een grotere desillusie en die zou ik mij willen beparen: de compleetheid. En die is een gat, een leegte. Want je bent zelf af, al is het maar even. En dus rijp voor vertrek uit dit leven.

Ik geef toe, met zoveel dood is dit geen vrolijk verhaal, maar Haarlem maakt mij altijd een beetje weemoedig en dat komt ook door Laurens Janszoon Coster; hij was na Sinterklaas de tweede desillusie in mijn leven. Op de lagere school leerden wij van zijn grote uitvinding en de grootheid van Haarlem; op de middelbare school werd Mainz ineens het centrum van de nieuwe tijd. Enkele keren mocht ik van zeer dichtbij een bijbel van Gutenberg zien en nog onlangs in hetzelfde huis waar Augustinus zich in prachtgewaad heeft teruggetrokken, een latere editie uit zijn school. Alle keren (ook bij het werk van de leerling) was het duidelijk: dit moest het eerste gedrukte boek zijn, want volmaaktheid is geen eindstadium, maar een beginpunt. Denkt u maar aan Adam.

LAAT ik in stijl dat wat aangekondigd is als een feestrede ook met de dood eindigen. Het honderdjarige bestaan van het Amsterdamse Stedelijk Museum bracht opnieuw die grote verzamelaar Regnault in beeld en dat zo letterlijk, dat de foto waarop hij opgebaard ligt tussen zijn schilderijen, in de krant kwam. Indertijd vond ik de dood tussen de doeken wat pathetisch. Ik heb kennelijk wat meer begrip gekregen voor grote gebaren. De dood tussen de boeken - het lijkt mij heel zinvol. De ziel die je achterlaat is om je heen. En je hiernamaals wordt zichtbaar: de bibliotheek waarin je voortleeft. Geestelijker kan het nauwelijks. Er zou een minister moeten zijn voor hiernamaalszaken, ons culturele erfgoed. In elk geval is de bibiotheek van de bekroonde al tot nationaal erfgoed verklaard. De heer Ritman is dus in zijn leven in het hiernamaals opgenomen. Dat kunnen alleen mystici hem nazeggen, maar bij hen was de opname altijd zeer tijdelijk. Voor wie die hoge staat heeft bereikt, is zelfs de Laurens Jansz Costerprijs te klein. Ik wil hem toch van harte gelukwensen. En ik kan die felicitatie misschien het best zo verwoorden: Ik benijd u zeer het bezit van de incunabel van Augustinus' De Civitate Dei. Want geluk is alleen te wensen vanuit de volheid van het tekort, waaruit, als ik het goed begrijp, ook alle vertegenwoordigers van de hermetische filosofie hebben geleefd, geloofd en geschreven. 'De volheid van het tekort', - het is ook een goede omschrijving van een bibliotheek, zelfs van de bijna volmaakt geachte die de 'Bibliotheca Philosophica Hermetica' is.

Tekst van de toespraak gehouden bij de uitreiking van de Laurens Jansz Costerprijs 1995 aan Joost R. Ritman op 2 november in de Gravenzaal van het stadhuis te Haarlem. Ritman kreeg de prijs als stichter van de 'Bibliotheca Philosophica Hermetica'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden