Het noodlot van een witman

NA DE eerste 25 bladzijden van G, de nieuwe roman van Frank Noë, ben je geneigd het boek maar weer weg te leggen, zoveel clichés buitelen er over elkaar heen....

Donna's wereldbeeld is eenvoudig: Tanzanianen zijn 'dom en lui', westerlingen zijn geile uitbuiters. En zij zal ze krijgen, dat zie je als lezer al aankomen als Donna een blik werpt op een tas met geld die Olav in een la legt. Zes miljoen shilling heeft hij opgehaald bij wanbetalers. Genoeg voor de aanleg van een kabelbaan die hij en mede-eigenaar Kurt nodig hebben om de vervallen voormalige staatsonderneming weer rendabel te maken. En ja hoor, na de seks slaat ze haar slag. De volgende dag is ze verdwenen, met het geld.

In de tussentijd heeft de verteller op een onhandige manier het hoe en waarom van de hele toestand uit de doeken gedaan. Olav zat vast in zijn leven. Hij had zijn huis veel te duur verkocht, kon leven van de rente en gebruikte de vrijgekomen tijd om zijn vriendin te treiteren, zodat de relatie stukliep. In de hogesnelheidstrein naar Parijs - waar anders ga je naartoe als je in de knoop zit? - ontmoet hij de monomane 'avonturier' Kurt, type vrije jongen, die het bizarre plan heeft om een ingesukkelde houtzagererij in Tanzania - kapotgegaan aan socialisme en subsidiebeleid - te reanimeren. 'Waar zijn tegenwoordig nog avonturiers te vinden?', roept hij pathetisch uit. Nou, Olav wil wel. Zijn geld kan Kurt krijgen. Een leven als een jongensboek in de regenwouden doemt voor hem op.

De enige reden waarom je doorleest, is Noë's vorige boek, Het gemaal, uit 2000. Dat was ook een jongensboek. In een knoestige, plastische stijl vertelde Noë over een gekmakend leven in de natte Noordoostpolder, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, van twee broers die er greppels graven. Een verhaal over ploeteren in de modder van het troosteloze niemandsland : Noë bleek goed in zulk elementair proza.

En kijk, na een harkerig begin breekt hij ook in G los. Olav besluit zich niet niet langer als investeerder af te zonderen in zijn flatje in Dar es Salaam, maar hij vertrekt naar een tranendal, 500 kilometer verderop. Daar is alle derdewereldellende in compacte vorm aanwezig. Een hopeloze onderneming. Te weinig geld, vooral nu Olav beroofd is van zijn laatste centen. De zwarte arbeiders zijn verdoofd geraakt door armoede en uitzichtloosheid, en zijn niet gewend hard te werken. De grootste barrière is de administrateur, Madege, die de eigenlijke macht over het dorp heeft; hij vindt dat de witte indringers er niets te zoeken hebben. Hij saboteert het werk aan de kabelbaan - een idee van Olav, die de zwaartekracht wil benutten om het hout van vruchtbaarder, hoger gelegen gebieden te transporteren -, houdt financiële administratie achter en frustreert de komst van computers. Hij heeft zo zijn eigen manier om de witmannen te laten voelen wie hier de baas is.

Olav besluit dat de kabelbaan nu van hout moet worden vervaardigd in plaats van het dure staal. De investeerder wordt arbeider, en hij werkt zich in het zweet met de mannen, dag en nacht, in barre omstandigheden. Maar wit blijft wit. Vooral als hij een verhouding begint met de schattige Loyce, het meisje dat voor hem zorgt in zijn lodge.

Stuntelig, maar daardoor des te aandoenlijker, beschrijft Noë de voorzichtige toenadering van het grof gebouwde meisje - totaal niet zijn type - dat Olav wast, verpleegt, voedt en koestert. Hij beschouwt haar als zijn dochter, tot hij eindelijk in de gaten krijgt dat ze hem begeert. En dan bloeit er een ware liefde op, die Olav fataal zal worden.

Op zulke momenten doet G denken aan Disgrace, de snijdende roman van J.M. Coetzee uit 1999. Olav en Loyce zijn overgeleverd aan de opgekropte agressie van de zwarte, schijnbaar machteloze machthebbers. Loyce wordt verkracht door vier mannen, Olav gemarteld. Olav, de softe ondernemer, die zich anders dan zijn kompaan Kurt - die zegt gewoon waar een Engelssprekende zwarte collega bij is, 'dat je ze wel moet laten voelen wie de baas is' -worstelt met de vraag wat hij eigenlijk in dit land komt doen. Leveren zijn inspanningen welvaart op voor de bevolking? Veel betalen ze hun arbeiders niet.

Net als David Lurie en zijn dochter Lucy in Disgrace zitten ze in de val - met dit verschil dat Olav niet in Tanzania is geboren en geworteld. Een enkele reis Nederland is snel gekocht. Maar hij moet blijven, wat betekent dat hij zich moet onderwerpen aan de machtige Madege. Want hij kan Loyce, onteerd, zonder toekomst, en misschien besmet met aids door haar verkrachters, niet meer in de steek laten. Symbolisch voor zijn overgave is dat hij en Loyce een losbandig stiertje , hun lieveling, laten castreren. Afrika heeft de avonturier ontmand.

In Noë's hoekige, weerbarstige verteltrant - hij lijkt bijna tegenzin te hebben in het vertellen, het komt er met horten en stoten uit - is intussen wel een afgrondelijke wereld geopend. Een wereld waarin Olav, die alleen maar wat avontuur zocht om van zijn verwende stadsbestaan te genezen, nooit had willen belanden. Gek genoeg blijft deze Olav een ondoorgrondelijk, kameleontisch personage, terwijl Loyce en Kurt, zijn houvast in de wereld, uitgroeien van vale clichés tot overtuigende mensen.

Wat moet een man eigenlijk aan met zijn leven? Wat maken we onszelf wijs met onze 'doelen' en idealen? Noë zoekt ernaar in zijn romans. Ieder heeft zo zijn eigen goede bedoelingen, en waar die levenslijnen samenkomen, pakt het vaak desastreus uit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden