'Het Nobelcomité had ook een andere keus kunnen maken - voor ons'

Een jaar geleden was er nog teleurstelling omdat de Nobelprijs voor de Vrede niet ging naar de geslaagde - en vreedzame - revolutie in Tunesië. Nu is de vredesprijs alsnog toegekend aan de vier organisaties die het succesverhaal van de Arabische wereld mogelijk maakten. Lees hier de reportage terug van Rob Vreeken uit Tunesië.

Fotos van de martelaren van de revolutie in 2010/2011 hangen aan de muur van het parlementsgebouw in Tunis. Beeld Mads Nissen / Berlingske / Holland

Het was een lichte teleurstelling, het bezoek van Wim Kok aan Tunis in mei dit jaar. De Nederlandse oud-premier bezocht Tunesië als voorzitter van de Club van Madrid, een gezelschap gepensioneerde staatslieden dat wereldwijd de democratie bevordert. Toen hij in het monumentale vakbondskantoor aan Rue Mohamed Ali de leiders van de vakcentrale UGTT de hand schudde, waren bij hen de verwachtingen hooggespannen. 'Wim Kok komt ons vertellen dat we de Nobelprijs voor de Vrede hebben gewonnen!', dachten ze volgens iemand - liever geen naam - die erbij was.

Dat viel tegen. Wat de vakbondsbestuurders niet beseften, is dat het Noorse Nobelcomité de winnaar pas op de eerste vrijdag van oktober wereldkundig maakt. Dit jaar waren de gelukkigen de Pakistaanse Malala Yousafzai, 17-jarig strijdster voor het recht op onderwijs, en Kailash Satyarthi, die in India kinderarbeid probeert uit te bannen.

'Geweldige mensen. Maar het Nobelcomité had ook een andere keus kunnen maken - voor ons. Voor er sprake kan zijn van mensenrechten, moet er eerst vrede zijn. Wij hebben een burgeroorlog voorkomen in Tunesië.'

Sami Tahri, adjunct-secretaris-generaal van de UGTT, zegt het met een glimlach en zonder afgunst, hooguit een beetje spijtig. Want inderdaad, zijn vakcentrale was dit jaar kandidaat voor de prijs der prijzen. 'We behoorden tot de topvier van kanshebbers', meent hij zelfs te weten.

Hoe dan ook, de UGTT zou geen gekke winnaar zijn geweest, want Tahri heeft gelijk: had de vakorganisatie niet ingegrepen, dan zou Tunesië nu misschien in vuur en vlam staan.

Dat is niet gebeurd. Het is vredig in het Noord-Afrikaanse land. Morgen vindt de eerste ronde plaats van keurige presidentsverkiezingen. Vorige maand werd zonder één wanklank een parlement gekozen. De nieuwe grondwet kent haar gelijke niet in de Arabische wereld. Alle vrijheden en rechten worden gegarandeerd, vinden ook Amnesty International en Human Rights Watch. Enge woorden als 'sharia' komen er niet in voor.

De meeste Arabische lentes zijn anders afgelopen, bewijzen Libië, Egypte en Syrië. Maar in Tunesië, het land waar het op 17 december 2010 allemaal begon met de zelfverbranding van de wanhopige groenteverkoper Mohammed Bouazizi, lukte het wél.

Posters van de veriezingskandidaten in Tunesië. Beeld Corbis

Kookpunt

De verklaring daarvoor schuilt voor een belangrijk deel in de vier letters U, G, T en T - afkorting voor Union Générale Tunisienne du Travail. De vakcentrale leverde niet alleen een grote bijdrage aan de opstand die begin 2011 in een paar weken een eind maakte aan het bewind van dictator Ben Ali, maar sleepte het land vorig jaar zomer en najaar ook door de grootste politieke crisis sinds de revolutie.

De polarisatie was enorm. De islamistische partij Ennahda leidde de overgangsregering. Weliswaar in een coalitie met twee centrum-linkse partijen, maar het grootste deel van het seculiere kamp in Tunesië heeft geen enkel vertrouwen in de goede bedoelingen van Ennahda, ook al staat de partij internationaal bekend als zeer gematigd.

De moord in februari door salafisten op de linkse partijleider Chokri Belaïd had de Tunesiërs tot in hun ziel geschokt. De moord vijf maanden later op een andere linkse politicus, Mohamed Brahmi, werd het land bijna te veel. De Ennahda-regering werd verantwoordelijk gehouden voor het klimaat waarin de aanslagen hadden kunnen plaatsvinden. Een kookpunt.

In Egypte was een maand eerder iets dergelijks gaande. Miljoenen burgers gingen de straat op tegen president Mohammed Morsi en zijn Moslimbroederschap. De afloop in Caïro: het leger nam de macht in handen.

Stond zoiets ook in Tunesië te gebeuren?

Eigenlijk niet. Het Tunesische leger heeft zich nooit met politiek bemoeid en deed dat ook nu niet. De (putschistische) scheidsrechtersrol van de Egyptische militairen werd in Tunesië op democratische wijze vervuld door de UGTT. De vakcentrale riep de werkgeversorganisatie Utica, de orde van advocaten en de mensenrechtenorganisatie LTDH bijeen. Dit 'Kwartet' dwong de politieke partijen - met het stakingswapen van de bonden achter de hand - tot een Nationale Dialoog.

Met succes. De Ennahda-regering maakte plaats voor een kabinet van technocraten. De geschilpunten over de ontwerpgrondwet werden opgelost. Verkiezingen werden uitgeschreven.

'Wij hebben het land gered', zegt de 52-jarige Tahri onnadrukkelijk, alsof hij meldt dat er een pot verse thee is gezet. 'Tunesië was op weg naar de afgrond. Wij hebben de partijen gedwongen het evenwicht te herstellen.'

We ontmoeten Tahri in het kantoor van het vakbondsblad Ach Chaab, waarvan hij directeur is. Dat de UGTT een linkse traditie heeft, is aan alles te merken. De historische foto's aan de muren, de affiches, de vlaggen. Rood overheerst, de logo's bevatten vuisten en gestileerde gereedschappen.

'Ja, van oudsher zijn we links', erkent Tahri. 'Maar we zijn niet langer de gauchistes van de jaren zeventig. Tunesië is deel van de wereld, we willen ons niet afsluiten voor de markt. Als investeerders ons land maar niet als fiscaal paradijs gebruiken.'

In de politiek betekent dat voor Tahri: openstaan voor iedereen, ook al kent heel Tunesië de historische banden tussen de vakbeweging en linkse partijen als het Front Populair. Ennahda-aanhangers zijn ook welkom, zolang ze de organisatie niet gebruiken voor hun politieke stokpaardjes. 'De UGTT is het tehuis voor alle Tunesiërs. De geymah, zoals we het in het Arabisch zeggen, de tent. We zijn een vakorganisatie, maar we zullen altijd een nationale rol blijven spelen, onze historische rol.'

Tahri is opgestaan en loopt naar de wand waar vier portretten van vroegere UGTT-leiders hangen. Bij het woord 'historisch' wijst hij naar de tweede van links, een heer met een rode fez en een Charlie Chaplin-snorretje. Het is Farhat Hached, de belangrijkste van de vier. Hij richtte in 1946 de UGTT op en stond in het antikoloniaal verzet zij aan zij met vader des vaderlands Habib Bourguiba. Begin jaren vijftig nam Hached de leiding van de onafhankelijkheidsstrijd in handen nadat Bourguiba in de gevangenis was verdwenen.

Tahri: 'De UGTT heeft nooit een enge taakopvatting gehad. Nooit alleen maar hoger loon, of 'le pain et le pantalon', zoals Farhat Hached zei. Altijd ging het ook om de nationale waardigheid.'

In het centrum van Tunis, tussen regeringspaleizen, staat een hagelwit mausoleum voor Hached. Elk jaar wordt hier zijn sterfdag herdacht. Het monument werd in 2002 gebouwd, onder dictator Ben Ali, met wie de UGTT een moeilijke relatie had. De top werd vaak in een collaborateurspositie gedwongen, maar aan de basis broeide altijd het verzet. Tijdens de volksopstand tegen Ben Ali, vier jaar geleden, was het hoofd van Hached te zien op menig spandoek.

Gedenkplaat

Een ander Hached-monument, 25 minuten rijden verderop, in de voorstad Ben Arous, is er armoediger aan toe. In het talud van de autoweg die leidt naar de haven Rades, overwoekerd door gras, ligt een gedenkplaat van grauw marmer. Erboven hangt tussen twee stokken een gescheurde poster van de man met de Chaplin-snor.

Dit is de plek waar op 5 december 1952 de vakbondsleider werd vermoord. Zijn auto werd doorzeefd door mannen met mitrailleurs. Zwaargewond kroop hij naar buiten, waar de schutters hem een laatste kogel door de slaap joegen. Pas in juli vorig jaar bleek uit Franse archiefstukken wat altijd al was aangenomen: Hached werd in opdracht van de Franse geheime dienst vermoord door het doodseskader Main Rouge.

Het monument ligt aan de rand van een rafelig veld. Plastic zakken en ander zwerfvuil hangen verwaaid in de struiken. Weinig 'nationale waardigheid' hier voor de nationale held. Maar alles komt goed, vertelt Ali Boughdiri, hoofd van de UGTT-afdeling Ben Arous. 'We hebben het terrein gekocht en gaan er een school bouwen.' De rimboe is alvast 'Place Hached' gedoopt.

Hached woonde in Rades, de plek waar in 1924 door dokwerkers op de kade de eerste vakbond van Tunesië werd opgericht. Ben Arous en Rades vormen 's lands belangrijkste industriegebied. Kort voor de revolutie van 2011 kreeg Tunesië het predikaat 'meest competitieve economie van Afrika'.

In Rades, tegenover de schitterende baai van Tunis, zijn honderden containers in alle kleuren te zien, hijskranen, schoorstenen van de petrochemische industrie. Alles wat Tunesië aan olie heeft (niet veel), wordt hier verscheept. De haven is goed voor 80 procent van de im- en export.

Boughdiri somt voorbeelden op van de bedrijvigheid in dit UGTT-bolwerk: textiel, cement, agro-industrie, voedingsmiddelen. Président-kaasjes worden hier gemaakt, en de vleugels van de Airbus. 'Zó veel bedrijven. Daarom hebben we in Ben Arous elke dag wel een staking.'

Het stakingswapen had een belangrijk aandeel in wat er met Tunesië is gebeurd in de vier jaar sinds de zelfverbranding van Bouazizi. Maar dat is niet het hele verhaal. De UGTT is niet het hele verhaal.

De vakcentrale is onderdeel van een springlevende civil society. Een maatschappelijk middenveld van intellectuelen en kunstenaars, rappers en advocaten, journalisten en feministen. Zij zorgden ervoor dat de democratie wortel schoot en dat Ennahda niet in de verleiding kwam het land in islamitische richting te sturen.

Beeld ap

Kroonjuwelen

Met petities, sit-ins, lobbywerk en betogingen werden keer op keer de kroonjuwelen van de revolutie en van de republiek beschermd: vrouwenrechten, scheiding van kerk en staat, vrijheid van meningsuiting.

De islamisten van hun kant hebben ook hun civil society: moskeeën en netwerken die sociaal werk doen in de volkswijken. Ook zij kunnen een blik demonstranten opentrekken. Maar de seculieren zijn sterker, zoals opnieuw bleek bij de parlementsverkiezingen vorige maand. Bovendien kennen seculieren én islamisten in Tunesië een veel grotere politieke volwassenheid dan in bijvoorbeeld Egypte.

Dat is vooral te danken aan president Bourguiba, die vanaf de onafhankelijkheid in 1956 het fundament legde voor een moderne republiek naar Franse snit. Hij reserveerde 30 procent van de begroting voor onderwijs, een investering waarvan nog steeds de vruchten worden geplukt. Zijn opvolger Ben Ali zette - hoewel met meer corruptie en repressie - de lijn voort.

Nog vlak voor de revolutie omschreef de Wereldbank Tunesië als het succesverhaal van de Arabische wereld. Het land 'loopt ver voorop in goed bestuur' en voert een 'effectief economisch beleid'. Het Amerikaanse State Department constateerde 'sterke sociale vooruitgang, een lage bevolkingsgroei en hoge geletterdheid'.

'Dankzij het onderwijs en de vrije media heeft iedereen een mening', zegt Hisham ben Khamsa, organisator van filmfestivals en een spilfiguur in de civil society. 'Je kunt Tunesië geen Arabisch model opleggen, dat pikken we niet. Na de moord op Chokri Belaïd gingen 1,4 miljoen mensen de straat op.'

Hij vertelt het tijdens de maaltijd in de oude medina van Tunis, pal naast de Zeytouna-moskee. Ben Khamsa tilt een schaal op. 'Hier, shakshuka, het nationale gerecht. Uien, tomaten, pepers en aardappelen, met een gepocheerd ei erop. Geen vlees, geen vis. Daarom is dit het enige maal dat de armen zich kunnen veroorloven. Radio Mosaique FM stuurde elke ochtend een verslaggever de markt op om de prijzen van de ingrediënten van shakshuka te noteren, live. Daardoor beseften de mensen dat het economisch beleid van de Ennahda-regering faalde. De Koran kun je niet eten.'

Zo zijn, 62 jaar na de dood van Farhat Hached, le pain et le pantalon nog altijd van belang in de Tunesische politiek. Bij de presidentsverkiezingen speelt de Koran geen enkele rol. Na vier jaar debat over de religieuze identiteit van het land zijn links en rechts het eens: Tunesië is een seculiere democratie. Banen, goed bestuur en betaalbare shakshuka, daar gaat het morgen om.

Noureddine Hached, voormalig ambassadeur en zoon van de legendarische vakbondsleider, is een van de 27 kandidaten. Hij heeft geen schijn van kans.

Journalist en schrijver Safi Said geeft een speech tijdens een campagnebijeenkomst. Hij hoopt morgen verkozen te worden. Beeld afp
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden