Het neoliberalisme is te slordig

Hoe is het wederzijds vertrouwen van de burger en de overheid verdwenen? Frank Ankersmit zoekt de oorzaak bij het rommeltje dat hervormers van rechts en links hebben gemaakt van het onderscheid tussen privaat en publiek domein....

Hoe kan het 'wederzijds vertrouwen' van de burger en de politiek worden hersteld, wil de regering weten van een speciale commissie, de Nationale Conventie. Er is dus niet alleen sprake van een afnemend vertrouwen van de burger in de politiek, blijkbaar ook van de politiek in de burger. Dat is een pikante zaak waarover politici zelf het beste kunnen oordelen. Maar na de Fortuyn-revolte en het 'nee' tegen de Europese Grondwet lijkt evident dat het vertrouwen van de burger is verminderd.

Nu kan een vertrouwenscrisis tussen politiek en burger heel verschillende oorzaken hebben. De regering kan niets doen aan een wereldwijde economische crisis. En toch veroorzaakt die doorgaans een afname van het vertrouwen. Een op het nippertje verloren Europa Cup-finale schijnt dat ook te doen. 'Vertrouwen in de politiek' is een zaak die mede afhangt van hoe de burger in zijn vel steekt. Maar wat is vertrouwen eigenlijk? Vertrouwen is 'de reductie van complexiteit' (Luhmann). In vrijwel alles in onze complexe dagelijkse werkelijkheid moeten wij vertrouwen op het gezag, de expertise en op de beloftes van anderen. Dat loopt vanaf de loodgieter en de piloot, tot en met, ja, de politicus. Eerst dit maakt het leven mogelijk en de problemen ervan behapbaar.

Met dit idee in het achterhoofd is het niet moeilijk om het afnemende vertrouwen van de burger in de politiek te verklaren: de grote boosdoener is hier het neoliberalisme. Het neoliberalisme is de ideologie van de zelfredzame burger; van de burger die zijn eigen zaakjes op orde weet te brengen en die niet meer door de staat vertroeteld hoeft te worden. Het neoliberalisme verlangt dat de burger alles zoveel mogelijk zelf uitzoekt. Zoals bijvoorbeeld het nieuwe zorgstelsel wil dat we de polissen van alle zorgverzekeraars gaan bestuderen om te zien welke ons het beste verzekert tegen allerlei nog onbekende toekomstige ziektes. Dat is typisch neo-liberale wetgeving. Een overheid die de burger aanbeveelt om op zichzelf te vertrouwen in plaats van op de overheid, kan moeilijk tegelijkertijd van de burger verlangen meer vertrouwen in de overheid te hebben. Dat met het neoliberalisme het vertrouwen in de overheid afnam, is dus even simpel als dat tweemaal twee vier is.

Dat betekent niet dat we het neo-liberalisme nu meteen maar bij het oud vuil moeten zetten. Achtergrond van het neoliberalisme was het volstrekt juiste inzicht dat de verzorgingsstaat te veel hooi op zijn vork had genomen en dat verzorging van de wieg tot het graf inderdaad geen uitvoerbare staatstaak (meer) is. Niet alleen de VVD, maar ook D66, het CDA en de PvdA kwamen tot die conclusie. En in die zin is het neoliberalisme eigenlijk de ideologie die door alle partijen rond het centrum wordt gedeeld. Overal - niet alleen hier, maar ook in de ons omringende landen - kwam men tot het inzicht dat de staat voor het eerst in zijn vijfhonderd jaar lange geschiedenis een aantal stappen terug moest zetten en zich moest terugtrekken uit delen van het publieke domein.

Maar het nare van het neoliberalisme is dat het nooit meer was dan een nogal primitieve ideologie, eerder een instinctieve reactie op de overbelasting van de staat dan een goed-doordachte politieke filosofie. Het neoliberalisme ontwikkelde nooit een coherente theorie over wat een staat op de terugtocht behelst. Er werd nooit principieel gepeinsd over hoever die terugtocht zou moeten gaan (helemaal terug naar de nachtwakerstaat?), laat staan over waarom tot daar en niet verder, en over hoe je die terugtocht ordelijk zou kunnen laten verlopen. Het bleef erbij dat de staat eenvoudigweg een aantal hoofdpijndossiers van de verzorgingsstaat op het bordje van de burger dumpte, met de kanttekening dat de burger voortaan vaker zijn eigen boontjes moet doppen en dat het ook zo hoort bij mondig en modern burgerschap.

Aan het andere, linkse eind van het politieke spectrum vond de laatste tien jaar juist een ware explosie plaats van politieke theorievorming over mondig en modern burgerschap, over burger-initiatieven en over de interactie tussen de moderne burger en de (terugtredende) staat. Veel van die theorieën bleken uitstekend toepasbaar in de sociale zorg en de veranderende verhouding tussen burger en overheid. Het sloot allemaal naadloos aan bij de neoliberale these van de burger die zijn eigen boontjes dopt. Zo kon het neoliberalisme zijn theoretische naaktheid verhullen door zich te verschuilen achter wat door links allemaal was bedacht over de rechten en plichten van de burger in de samenleving (en vice versa).

Die onverwachte parallellie tussen ideologisch links en rechts is een van de belangrijkste gegevens over onze huidige politieke constellatie (wereldwijd, trouwens). Want dat gegeven verklaart waarom die neo-liberale sanering van de staat kon plaatsvinden zonder noemenswaardige oppositie van links. Het verklaart ook de vlakheid van het huidig ideologisch debat: links en rechts komen op precies hetzelfde uit en dan heb je geen echt meningsverschil meer, zelfs wanneer je vanuit verschillende achtergronden opereert. Integendeel, je kan dan zelfs het arsenaal van argumenten van je ideologische tegenstander plunderen ter versterking van je eigen positie. Het betekent ook dat die nu bestaande ideologische harmonie een beetje bedrieglijk is: die is meer conjunctureel dan structureel, en over een paar jaar kunnen links en rechts weer scherp tegenover elkaar komen te staan.

Maar die even verrassende als onverwachte alliantie van links en rechts heeft ook een illuster slachtoffer: de representatieve democratie. De democratische staat is gebouwd op twee elementen; de beleidsvorming en de uitvoering. Maar zowel het neoliberalisme als de linkse theorieën over modern burgerschap horen thuis bij de uitvoering. De neo-liberale sanering van de staat is vooral één grote efficiency-operatie om de uitvoering te stroomlijnen. Beleid heeft niet meer te maken met wat de problemen in de samenleving zijn en wat je daar aan kan/moet doen, maar alleen met hoe je de uitvoering kan optimaliseren. Beleid is uitvoering geworden.

En dat sluit wederom prachtig aan bij al die linkse theorieën over burgerschap. Want ook daar draait het steeds om de vraag waar de burger de staat ontmoet in zijn uitvoerende taak. Kortom, zowel het neoliberalisme als linkse theorieën over burgerschap plaatsen heel de traditionele democratische beleidsvorming buiten de orde. En dat is erg slecht voor de democratie. In een representatieve democratie is het parlement is de hoeder van het beleid en de regering die van de uitvoering. Wanneer het parlement geen tegenspel meer biedt, worden de politieke partijen irrelevant. En als politieke partijen irrelevant worden, dan ook verkiezingen.

Het is daarom van het grootste belang democratische beleidsvorming weer tot leven te wekken. En dan kan het beste gebeuren door niet langer te berusten in de ideologische armoede van het neoliberalisme.

Het neoliberalisme heeft drie zwakke plekken. De eerste is de bepaling van het publieke domein. Toen de staat nog groeide, lag het voor de hand om het publieke domein te identificeren met het bereik van de staat. Maar dat gaat niet meer met een zich terugtrekkende staat. Want wat doe je met die delen van waaruit de staat zich terugtrok? Eenvoudigweg opdoeken? Doen alsof er nooit een verzorgingsstaat geweest is? Maar wat ooit was, vergeten we niet zo makkelijk. Het is als met die befaamde tube tandpasta: wat je er een keer uitkneep, krijg je er niet zo makkelijk in terug. Het werd dus de andere mogelijkheid; wat van het publieke domein 'vrijkwam' , droeg men over naar het private domein. De neoliberalen in VVD, D66, CDA en PvdA zongen nu allen unisono hun lofzang op de aldus ontstane zogenaamde publiek-private sector.

Maar we komen er nu achter dat die publiek-private sector misschien toch niet zo'n goed idee was. Want de neo-liberale staat bleef wel randvoorwaarden stellen aan dat voormalige publieke domein. Dat leidde tot een enorme hoop regelgeving en toezichthouderij op geprivatiseerde instanties. Regeren door regelgeving in plaats van door beleidsvorming is de sterkste stimulans voor bureaucratie die zich laat denken.

Voorts, die explosie aan regelgeving belemmerde de marktwerking op dit geprivatiseerde terrein. Want de markt kan niet zwemmen in een aquarium dat is dichtgegroeid met regelgeving. Resultaat was een publiek-private sector die er in slaagde om wel de nadelen, maar niet de voordelen van het publieke en het private domein in zich te verenigen. Geen wonder dat de burger niet zo blij was met deze oplossing, en dat zijn vertrouwen in de politiek een nieuw dieptepunt bereikte.

Het neoliberalisme is ook anti-parlementair, dat is zijn tweede zwakke plek. Economische rationaliteit is voor neoliberalen het belangrijkste criterium voor besluitvorming. Dat staat haaks op het parlementarisme dat ervan uit gaat dat sociale en politieke problemen geen objectief gegeven zijn, maar pas in het debat hun contouren krijgen.

Het neoliberalisme miskent dit juiste inzicht door op voorhand alle sociale en politieke problemen te wringen in het discours van de economie. De politieke creativiteit van het parlementarisme wordt verruild voor de een-dimensionaliteit van een economische technocratie.

De derde zwakke plek is dat het neoliberalisme het maatschappelijk conflict privatiseert. Stel, er is een conflict tussen de personen A en B. Dan kun je twee dingen doen. Je kunt het daarbij laten en zeggen dat A en B oud en wijs genoeg zijn om dat conflict tussen hun beiden te beslechten - 'mondige burgers', nietwaar? Het conflict wordt dan geprivatiseerd. Maar je kunt ook zeggen dat er misschien een algemene, systematische of politieke dimensie aan hun conflict zit, die ertoe noopt om het op de politieke agenda te plaatsen. van de parlementaire democratische besluitvorming. Dat resulteert in de socialisering van het conflict.

We hadden indertijd de representatieve democratie juist daartoe op poten gezet. Het parlement was een afspiegeling van de conflicten in de samenleving. Met de privatisering van het conflict door het neoliberalisme gaat dat allemaal ondergronds en wat zich in de samenleving afspeelt, wordt politiek niet langer zichtbaar gemaakt. De burger kan dan de politiek niet meer ter verantwoording roepen. Aldus kan de alliantie tussen het rechtse neoliberalisme en linkse theorieën over burgerschap de dood inluiden van de representatieve democratie.

We zouden er eens goed over na moeten denken of we dat wel willen of niet. Indien niet, dan is duidelijk wat ons te doen staat als we het vertrouwen tussen politiek en burger willen herstellen.

Alle narigheid komt voort uit de buitengewone slordigheid waarmee het neoliberalisme de staat herdefinieerde. Niemand zal betwijfelen dat zo'n herdefiniëring nodig was. Maar het neoliberalisme heeft een rommeltje gemaakt van de verhouding tussen het privaat- en het publiekrechtelijke domein. Wat des te verdrietiger is omdat de zorgvuldige scheiding van die beide domeinen nu juist de grootste triomf van het liberalisme was (zoals niemand minder dan Thorbecke beklemtoonde). Er is bovenal een principieel parlementair debat nodig over waar de scheiding loopt tussen publiek en privaat. Dat is de vraag waarop politieke partijen ieder hun eigen antwoord moeten geven.

Zo'n debat legt het politieke initiatief weer waar het hoort, bij het parlement. En de uitkomst zal de burger leren wat hij wel en niet heeft aan de politiek. Dan herstelt het vertrouwen van de burger in de politiek zich vanzelf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden