Het museum ligt in een spagaat en komt er niet meer uit

De maatschappij verandert, het publiek, de kunst. Nu de musea nog. Hebben ze wel een idee van de keuzes die ze in de 21e eeuw moeten gaan maken?...

Museum De Pont in Tilburg opende in 1992 zijn deuren. Destijds was de Pont een bijzonderheid. Het ging om een zeldzaam privé-initiatief, opgezet uit de nalatenschap van de Tilburgse zakenman en wijnkenner J.H. de Pont, met als doel de stimulering van de hedendaagse kunst. Inmiddels trekt het zo'n 40 duizend bezoekers per jaar. Nu, ruim tien jaar later, is De Pont geen uitzondering meer. Inmiddels hebben tal van particulieren het voorbeeld gevolgd. Bijvoorbeeld zakenman Dirk Scheringa (Frisia Museum in het Noord-Hollandse Spanbroek), het echtpaar Scholten-Miltenburg (Museum Beelden aan Zee in Scheveningen) en Karel van Stuijvenberg (Cobramuseum in Amstelveen).

Het is maar een kleine greep uit het aanbod van particuliere instellingen die de afgelopen tien jaar het licht hebben gezien. Wel hebben al deze initiatieven twee dingen gemeen: onafhankelijkheid en duidelijkheid.

Wat zich dus lijkt voor te doen als een reeks incidenten blijkt bij nadere bestudering een tendens: rijke particulieren met een artistieke interesse bedenken zich blijkbaar wel tweemaal om hun collectie of geld aan een bestaand museum af te staan. Wat overigens ook geldt voor banken die tegenwoordig honderduizenden euro's aan hun eigen kunstcollectie besteden.

Wat is er in de museumwereld aan de hand? Was het niet de verantwoordelijkheid van de overheid zorg te dragen voor het collectieve (kunst)geheugen van haar onderdanen? Een van oudsher zelfs morele taak, ontsproten aan de ontstaansgeschiedenis van het museum.

Van oorsprong waren de eerste musea rijksmusea, ontstaan uit de erfenis van koningen en keizers. Aan het einde van de 19e eeuw ontstonden, door emancipatie van de burgerij, stedelijke tegenhangers. Aanvankelijk opgericht met het geld en de collectie van de gegoede bourgeoisie, maar later door de lokale overheid overgenomen, vanuit de gedachte dat de kunst er voor gans het volk moest zijn. Wat dus een mooi taakje voor de diverse gemeentebesturen opleverde.

Die verbintenis tussen lagere overheden en cultuurbezit is in Nederland zo groot, door gebrek aan een sterke, centralistische overheid en omdat hier historisch gezien de steden en provincies grote macht hebben. Wat ook blijkt uit de spreiding van musea: iedere gemeente heeft er wel een binnen zijn stadspoorten staan.

En daar wringt dan ook de schoen. De grote invloed van de politiek heeft ertoe geleid dat kunstbeleid allang geen kúnstbeleid meer is, maar minderhedenbeleid, ondernemerschapsbeleid, intracultureel beleid, creatief industriebeleid - termen die onlangs door de Amsterdamse cultuurwethouder Belliot en haar Rotterdamse collega Hulman in een onderlinge discussie werden gebezigd.

Cultuurbeleid is verworden tot consumentenbeleid. En het museum heeft die verandering vrijwel kritiekloos overgenomen. De eisen die het museum zichzelf stelt zijn de laatste jaren dan ook exponentieel opgeschroefd: het tentoonstellen van experimentele kunst én presenteren van de collectie én nieuw werk aankopen én educatie én onderzoek doen én kunst poduceren én documentatiecentrum én filmhuis.

Het museum, als een Wunderkammer van maatschappelijke belangen, ligt in een spagaat met meer dan twee benen en elke paar jaar lijkt daar weer een been aan te worden toegevoegd. Het artistieke boegbeeld van burgertrots is veranderd in een cultureel centrum met een haast toevallige kunstcollectie. Een artistiek servicebureau waar de inwoners informatie krijgen over hun culturele verleden, een verantwoord hapje kunnen eten en kaartjes kunnen bestellen voor ballet-, theater- en muziekvoorstellingen elders in de stad.

Vernieuwende kunst laten zien, de bestaande collectie uitbouwen en tegelijk de burgerij en de politiek dienen - hoe kan het museum dat allemaal voor elkaar krijgen, zonder zijn duidelijkheid te verliezen?

Ook vanuit de kunstwereld wordt er aan alle kanten geknaagd aan de positie van het museum. Kunstenaars twijfelen openlijk aan de expositiecapaciteit van het museum voor hun werk. Ze willen wat anders, iets interactiefs: kunst op televisie, in bushokjes en langs de HSL. Tegelijkertijd blijven ze exposeren in het museum, waar de status van hun kunstenaarschap zal worden bestendigd.

Dát is de paradox waar de kunst, en dus het museum zich in bevindt. Museumdirecties, kunstenaars, verzamelaars, particulieren, bedrijven en de overheid - allemaal hebben ze hun eigen dubbele agenda. Die te combineren lijkt tegenwoordig een schier onmogelijke taak.

Fier heeft het instituut ruim honderd jaar bestaan. Maar nu begint het museum, als dé plaats waar kunst kan worden bekeken, zijn hegemonie te verliezen. En zijn autoriteit. Klemgezet door zoveel kritiek en vernieuwing, van binnenuit en van buitenaf, moet het kiezen wat zijn toekomst zal zijn.

Is het vreemd dat zelfs twee uiteenlopende karakters als Rudi Fuchs en Chris Dercon dezelfde terminologie hanteren als het om het doel van het museum gaat: Bildung? Dus: culturele vorming van de burgerij. Misschien rest het museum niets anders dan zich te storten op datgene waar musea traditioneel goed in zijn: terug naar het permanent tonen van de collectie. En al het andere over te laten aan particuliere initiatieven.

Morgen vinden in De Balie in Amsterdam een symposium en een debat plaats over de rol van de musea onder de titel Museum in Motion.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden