'Het moreel besef is versplinterd'

Er is toenemend begrip voor slachtoffers van misdrijven. Desondanks hebben ze nog veel klachten. Maar toch: koestert Nederland zijn slachtoffers meer dan andere landen?...

SLACHTOFFERS krijgen veel media-aandacht, hebben een aureool van onaantastbaarheid om zich heen. Er hoeft maar iets naars te gebeuren, of er worden traumateams op hen afgestuurd. Hun zieltjes worden gemasseerd. Ze worden in de watten gelegd. Er worden stille tochten en inzamelingsacties voor hen georganiseerd.

En toch hebben ze nog veel te klagen, blijkt uit een onderzoek van adviesbureau B & A dat onlangs door de minister van Justitie naar de Tweede Kamer is gestuurd. Hoewel midden jaren negentig was afgesproken dat OM en politie er alles aan zouden doen om slachtoffers van een misdaad beter op te vangen, te informeren en hen de weg te wijzen naar schadevergoedingsmogelijkheden, vinden ze zelf dat de overheid bij deze taken schromelijk tekort schiet. Verontrustend, concludeert B & A, want dat leidt tot een daling van het vertrouwen in het rechtssysteem.

Zeuren ze te veel, de slachtoffers? Of is er sprake van een rare paradox en staat de beeldvorming haaks op de realiteit? Hans Boutellier, beleidsadviseur op het ministerie van Justitie en verbonden aan de Vrije Universiteit, heeft van de betekenis van slachtofferschap zijn levenswerk gemaakt. Hij verbindt het met vragen over moraliteit en het debat over waarden en normen.

De paradox kan hij wel verklaren. 'Voor slachtoffers is het natuurlijk nooit genoeg', reageert hij. 'Als ze niet goed worden opgevangen, creëer je wrok, rancune. En dat zal wel gevolgen hebben voor hun vertrouwen in het rechtssysteem. Dat neemt niet weg dat er op het terrein van slachtofferhulp een fantastische ontwikkeling heeft plaatsgevonden.'

- We lopen in Nederland voorop, koesteren slachtoffers meer dan elders in de wereld?

'Vorig jaar is er een dik proefschrift verschenen over hoe diverse landen slachtofferhulp hebben geregeld. Uit dat vergelijkend onderzoek komt Nederland heel positief naar voren. We hebben de trend goed opgepikt. Het is echt ongelooflijk hoe snel de ontwikkeling op dat terrein is gegaan. Het is allemaal nog betrekkelijk nieuw. Vijfentwintig, dertig jaar geleden had het slachtoffer nauwelijks een positie in het strafrecht. Hij deed slechts aangifte, of was van belang voor de bewijsvoering. Als partij, als persoon die schade had geleden of leed had ondervonden, telde het slachtoffer niet.

'In 1975 is het Schadefonds Geweldsmisdrijven opgericht. Eind jaren zeventig kwamen de eerste bureaus Slachtofferhulp op. Die zijn nu over heel Nederland verspreid en hebben in wezen drie functies. Ze geven morele ondersteuning, een aai over de bol. Ze verwijzen door naar gespecialiseerde hulpverleners. En ze geven steun bij het verhaal halen. Er is inmiddels regelgeving en wetgeving, ook wel de Wet Terwee genoemd. Dat dat allemaal bestaat, dat de aandacht voor slachtoffers zo ongelooflijk is gegroeid, moet je zien als een principiële kentering in het strafrechtelijke denken.'

- Slaan we niet door? Rechters vrezen de oprukkende rol van slachtoffers in de rechtszaal. Moeten ze die op hun woord geloven? En is het niet buitengewoon moeilijk hen hard te verhoren?

'Ik ben er ook niet voor om slachtoffers een te grote rol te geven in de rechtszaal. Daar moet een zo zuiver mogelijke afweging plaatsvinden. Je moet er heel goed over nadenken of en hoe je het slachtoffer een stem geeft in het strafproces. Slachtoffers zijn vaak uit op vergelding. Daarmee komt een hele zware emotie het proces binnen. Die belast de zuivere afweging ten opzichte van de dader. Bovendien kun je verkeerde suggesties wekken bij het slachtoffer. Die kan wel van een koude kermis thuiskomen. Bepaalde juridische overwegingen zijn uiteindelijk helemaal niet in het belang van het slachtoffer, maar rechtstatelijk geredeneerd moeten die soms toch prevaleren. Bij gebrek aan bewijs wordt een verdachte vrijgelaten. Dat is natuurlijk heel zuur als het slachtoffer weet, of denkt zeker te weten, dat de verdachte het wel heeft gedaan.'

- Op spreekrecht voor het slachtoffer wordt nu gestudeerd. Dan kan hij tenminste zijn verhaal kwijt in de rechtszaal. Geen goed idee?

'Strafrecht is de macht van de staat, de macht van het zwaard. Op het moment dat je de macht van de staat teveel in het teken zet van het slachtoffer, kan dat tot behoorlijke repressie leiden. Daar moet je mee uitkijken. Dat wil niet zeggen dat je de rol van het slachtoffer dus maar moet terugdringen. Buiten het strafproces zijn er talloze andere manieren om het slachtoffer een stem te geven, om tegemoet te komen aan zijn noden. Ik denk dan aan mediation, aan herstelbemiddeling, aan echt-recht-conferenties, waar daders en slachtoffers met hun respectievelijke families en vriendenkring met elkaar worden geconfronteerd. Zoiets kan alleen op vrijwillige basis. Als daders en slachtoffers op een of andere manier erin slagen tot een vergelijk te komen, is dat oneindig veel meer waard, in psychologische en sociale zin, dan een door de rechter opgelegde straf. Ik denk dat in een ''zelfgekozen'' oplossing veel winst te behalen is. Dergelijke projecten zijn, denk ik, veelbelovend. Maar die ontwikkeling staat nog in de kinderschoenen.'

- Ze hebben de toekomst?

'Ik ben geneigd dit soort kleine projecten te zien als onderdeel van een grotere beweging, als morele praktijken rondom het strafrecht. Het is een andere, meer normatieve benadering van het criminaliteitsprobleem. Je ziet allerlei vormen ontstaan. De projecten die ik zojuist noemde, maar ook Justitie in de Buurt, waarbij justitie dicht bij de problemen gaat zitten en in samenwerking met jeugdzorg en andere instanties in de wijk probeert het criminaliteitsprobleem aan te pakken. Zo zoekt ook justitie naar een normatief antwoord in plaats van alleen naar die strafrechtelijke sanctie.

'Op hetzelfde vlak, maar juist niet geïnitieerd door justitie, zie je buurtbemiddeling opkomen. Dat wordt meestal vanuit het welzijnswerk georganiseerd, maar uitgevoerd door vrijwilligers. Conflicten tussen buren, die ze zelf niet kunnen oplossen, maar tot mishandeling en soms tot moord en doodslag leiden, kunnen zo worden geneutraliseerd.'

- U legt de nadruk op de rol van vrijwilligers. Waarom zijn die zo belangrijk?

'Juist door medeburgers een rol te laten spelen in die projecten, vergroot je de sociale cohesie. Je ziet dat heel sterk in een aantal buurtprojecten in Rotterdam. Buurtbewoners die bemiddelen proberen samen tot een gezamenlijke normstelling te komen voor de buurt. Eerlijk gezegd vind ik dat wel erg idealistisch klinken. Maar er worden wel pogingen ondernomen en op zich is dat geweldig. En een enorme winst, want met de normatieve benadering werd je nog niet zo heel lang geleden weggehoond.'

Door wie dan?

'Ik werd door mijn linkse vrienden uitgelachen, toen ik jaren geleden begon over moraliteit. Het normatieve discours was zo'n twintig jaar gelden volstrekt afwezig. Ik ben mijn carrière in de criminologie begonnen eind jaren zeventig, tijdens het hoogtepunt van het ik-tijdperk, in een heropvoedingsinrichting. Daar zaten echt heel zware jongens. Ik heb daar een half jaar gewerkt als assistent-groepsleider. Verbazend was dat over de delicten van die jongens helemaal niet werd gepraat. Discipline was belangrijk, ze moesten om tien uur 's avonds in bed liggen, ze zaten achter tralies. Maar de omvangsvormen waren boterzacht. Het was allemaal erg therapeutisch: je moet jezelf uiten en zo. Er was zoveel begrip en zo weinig grens. Er werd nooit eens boos gezegd: verdomme, jongen, waarom heb je dat gedaan, dat kan toch helemaal niet.

'Die ervaring in die heropvoedingsinrichting heeft me nooit meer losgelaten. Ik ben toen gefascineerd geraakt door de afwezigheid van moreel discours. Mijn vrienden vonden de moraal nogal betuttelend, maar ik ben er de hele jaren tachtig mee in de weer gebleven. Ik werd hoofdredacteur van Justitële Verkenningen en ook daar, in de criminologie, werd de normatieve invalshoek zelden gekozen. Als het over criminaliteitsbeleid ging, was het allemaal heel beheersmatig, technocratisch. En wanneer voor een meer structurele benadering werd gekozen, was het vooral sociaal-economisch. Dan ging het altijd over achterstanden en zo. Maar in mijn overtuiging is een crimineel feit een normatieve kwestie. Er is een norm overtreden. Dan ligt het eigenlijk zo voor de hand om over die norm te praten.'

- Hoe doe je dat in het individuele tijdperk, waarin iedereen er zijn hoogstpersoonlijke norm op lijkt na te houden? Waarin vinden we elkaar nog?

'Een antwoord vinden op die vraag, is het thema van mijn leven geworden. Hoe kun je nadenken over moraliteit en normen en waarden in een tijd dat iedereen van God los is? We hebben de plichtenethiek achter ons gelaten. Tijdens de verzuiling waren goed en kwaad heel sterk aan elkaar gebonden, ze waren verweven in een systeem van rechten en plichten, bepaalde gedragingen, rituelen. Dat normatieve systeem hebben we afgebroken. Het zij zo en ik vind het ook grote voordelen hebben. Maar ik ben me steeds blijven afvragen: waar leidt dit allemaal toe? Op basis waarvan praten en leven we nog met elkaar? Wat hebben we nog gemeenschappelijk?

'Ik kwam uiteindelijk uit bij de volgende redenering. Als gevolg van de individualisering, mondialisering en subculturalisering van de postmoderne samenleving, is de moraliteit tegenwoordig behoorlijk gefragmenteerd. In gezinnen wordt onderhandeld over huisregels, scholen stellen hun eigen uitgangspunten op, de horeca formuleert gedragsregels en in de grote steden discussieert men over stadsetiquettes. Het morele besef is niet zozeer verdwenen, alswel versplinterd, geprivatiseerd: iedereen heeft een grote vrijheid om zijn eigen levensproject te maken.

'We vinden elkaar alleen nog in de zaken die we collectief afwijzen. Vandaar dat het slachtofferschap zo'n grote rol is gaan spelen. Wreedheid van het ene individu jegens het andere, leed, vernedering, dat wijzen we af. Wreedheid ook van de mens tegenover het dier. En uiteraard wreedheid tegenover het kind, erger kan niet. De hoogste staat van slachtofferschap kleeft aan het seksueel misbruikte kind. Ik ontleen deze theorie een beetje aan de Amerikaanse filosoof Richard Rorty, die simpel stelt dat de centrale morele vraag tegenwoordig is: are you suffering?

- Er zullen altijd slachtoffers zijn die vinden dat ze erger lijden dan anderen en dus meer rechten menen te hebben. Toen Enschede en Volendam veel aandacht kregen, waren de verkeersslachtoffers verongelijkt. Zal slachtofferjaloezie niet de kop opsteken?

'Hier raak je de keerzijde van de hele ontwikkeling. Je ziet inderdaad het fenomeen van het calculerende slachtoffer opkomen, soms uitmondend in excessief claimgedrag. En je ziet een cynisch gevecht ontstaan om het leed, een soort morele chantage. Dat is echt een hype. Kijk maar wat er op de televisie allemaal langstrekt. Een hele stoet slachtoffers, gekwetst door pestgedrag op school of op het werk, seksueel misbruikt, psychisch getormenteerd. Ze proberen elkaar in schrijnende verhalen te overtreffen. Als je dat proces eenmaal goed snapt, dan moet je ook onderschrijven dat we heel terughoudend moeten zijn om de rechter met het slachtofferschap te belasten. Tegelijkertijd vind ik het bot en dom om te roepen: dit is slecht, dit moeten we stoppen. Het is een harde, bijna objectieve ontwikkeling. Je kunt ook niet tegen het weer zijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden