Het mooiste korte verhaal van de zomer

We kiezen deze zomer het beste korte verhaal. Op nummer 2 is geëindigd: F. van den Bosch. Juryvoorzitter Arjan Peters legt uit en leidt in.

De jury: Anna Drijver, Arjan Peters, Wilma de Rek en Adriaan van Dis. Beeld Ivo van der Bent / de Volkskrant

Er was langzamerhand een pad ontstaan, zo vaak was hij hier al met het kapmes door de struiken gedrongen. Een spinneweb glinsterde in het ochtendlicht. Hij sloeg het stuk en veegde dauw en spinrag uit zijn haren weg. Hij klom over de oude sèngonboom* en bereikte de vlakte. Er was niemand te zien. Aan drie zijden stond het oerwoud als een orgel dat in onbruik is geraakt. Het ritselen, het onhoorbaar sluipen, het snerpen van de cicaden was verstomd. Geen echo van de nacht hing hier meer na. De zon stond eenzelvig dol te worden boven de ijle kruinen van de bomen. De morgen die al eeuwen tussen deze zelfde oevers lag liet zich ternauwernood storen door het houtskoolzwart gerucht van neushoornvogels. Met trage sterke vlerkslagen trokken zij over, vier, vijf, prauwen die over een rivier worden geroeid.

Hij stak de vlakte over. Hier had vroeger de kampong gestaan. Aan de verre zijde van de verlaten ontginning, daar waar geen oerwoud was, sloot een lantorohaag*. het open terrein. Daarachter begon het djatibos*. Daar stond zijn huis.

Zijn huis. Hij had van dit huis gedroomd sedert hij als jongen naar Holland was gestuurd om op de hbs te gaan en dansles te nemen. Een huis vol licht en ranke schaduwen, verborgen achter purperen bougainvilleastruiken, een huis waar je de wind kon horen en de sterren zien.

Er was een tijd geweest dat zijn studie en zijn werk hem absorbeerden, andere mensen, een vrouw. Na de teleurstelling die voor sommigen nooit zal komen maar voor anderen veel te vroeg begonnen is, had hij het huis weer achter de mensen en de dingen zien staan. Hij had ervoor gewerkt, gespaard, gevochten, veertig jaar lang. Hij had ervoor gezweet, gebloed, gebiecht, gevloekt en gelogen, veertig jaar lang tevergeefs. Nu had hij het gevonden in deze uithoek van het menselijk bestaan, ver buiten de draaikolk van lichtreclames en nieuwsberichten, en buiten die veertig jaren van tegen wil en dank volwassen zijn. Een huis vol rank licht en schaduwen als gurami's* rond en koel. Een huis waar je de wind kon horen en de sterren zien, en waar je met rust gelaten werd.

Met rust gelaten werd hij er niet. Hij zag het onmiddellijk toen hij door de lantorohaag stapte (want bougainvilleastruiken stonden er niet omheen). Eén van de gevlochten bamboewanden was weer neergehaald, de atap* was op verscheidene plekken van het dak getrokken en lag uiteengerukt over de grond verspreid.

Hij stond stil en keek ernaar. Zijn gezicht verstrakte, maar de drift bleef uit. De drift was een oude traaggeworden gewoonte. Hij was gisteren driftig geweest, eergisteren, verleden jaar en ontelbare malen in deze veertig jaren. Hij legde zijn kapmes weg. Terwijl hij zich bukte om de gedègwand* omhoog te sjorren stond het spookbeeld van de doldriftigheid als een dubbelganger over hem heen. Hij bleef koel van binnen, donker, onkwetsbaar, als de donkergouden achtergrond van alle bestaan. En tegen die achtergrond zag hij zichzelf koortsachtig werken aan het herstel van zijn huis tegen de rand van het djatibos. Met zijn kapmes hamerde hij het vlechtwerk vast, hier en daar was de bamboe lelijk gescheurd. Hij begon aan het dak en werkte zich in het zweet tot de avond viel, en was gelukkig, voor zover een mens gelukkig kan zijn als hij weet dat zijn werk achter zijn rug wordt afgebroken.

Bij het licht van een kleine petroleumlamp at hij de rijst die hij in de warong* had gekocht. Daarna strekte hij zich uit op een plaat gedèg en bleef wakker liggen tot de zeewind doorkwam en in de bomen ruiste. Het was zijn eerste nacht in het regenhuis.

Het vorig jaar toen het djatibos kaal stond had hij het huis voor het eerst gezien. Hij was erheen gelopen over de grote krakende bladeren. Het was toen erg warm en de brokken steen in zijn zak wogen zwaar. Hij had gehoopt schaduw te vinden onder het atapdak. Maar een dak was er niet. Er was niet veel meer dan een bamboegeraamte waartussen een paar gevlochten wanden hingen, scheef als vliegers tegen elkaar gezakt. Het zag eruit of het eerst half voltooid, toen half afgebroken en ten slotte aan weer en wind prijsgegeven was. Die middag had hij daar niet verder over gedacht. Hij was moe en stoffig weggekropen onder het verweerde vlechtwerk waar aan de binnenzijde nog een vage geur van nieuw aan was. Toen waren de apen in het bos luidruchtig geworden, het hele bos was opeens vol van die zwarte beesten en hun buitelingen. Hij had gedacht: ik moet beter Javaans leren. Hij was bang voor die moedwillige dieren daarboven in de bomen, ze stonden hem het verst van alle dieren in het bos. Hij was ook bang geweest voor de mensen die het graafwerk en de boringen verrichtten, sommigen hadden in deze kampong gewoond. Wanneer hij zich opwond verviel hij altijd weer in Soendanees. Een ogenblik verlangde hij hevig de apen bij zich te hebben, zoals hij verlangd had naar een hond of een vrouw. Hij had ze willen strelen, met ze praten, ze nootjes geven, ze vlooien desnoods. Alles liever dan het mikpunt te blijven van dit laffe treiteren op een afstand, dit buiten schot blijven, dit met-z'n-velen stiekem en jouwerig doen. Hij voelde zich opgelucht toen een eerste windvlaag de apen en de hitte uit de bomen blies en het onweer losbrak.

De losse bamboewanden begonnen te schudden in de wind. De regen ratelde op de droge djatibladeren en sloeg zijn zware druppels op het vlechtwerk stuk, joeg ze sproeiend door de fijne reten heen. Hij trachtte de logge vliegers om zich heen te trekken en vast te houden, maar de wind had er meer vat op dan zijn kleine mensenhanden. Van alle kanten sloeg de stortbui binnen in zijn ontredderd hol. Hij was in een ogenblik drijfnat, zijn schoenen sopten vol, de lemen vloer werd hem onder de voeten weggespoeld. Hij gaf het op. Hij liet zich zakken tot hij in de modder zat. Hij ging er languit in liggen en liet het geweld over zich heen gaan.

Verklarende woordenlijst (1)

sèngo soort vlinderboom

lantoro dichtbegroeid struikgewas

djati houtsoort teak

gurami karper

atap dakbedekking (van gras)

gedèg gevlochten bamboe in grote vlakke platen

warong eetkraampje

baadje wijd, tot op de heupen reikend jasje met halflange mouwen

orang slaam islamiet

manusia berasal dari lumpur de mens uit slijk geboren

désa plattelandsgemeenschap

lombok Spaanse peper

katjang peulvruchtsoort

seré citroengras

bajem spinazie

alap-alap valk

alang-alang tropisch reuzengras

bantèng wild rund

ketjubung zoetgeurende giftige plant

Hij was doodmoe. Nu de regen hem weerloos had gemaakt wilde hij ook niet anders. Hij wilde alleen zijn en niets meer verlangen dan het verblindende slaan van de regen in zijn gezicht en het gulpende water om zijn hete lijf.

Achter de rand van de wereld gulpte het water om iemands vergeten lijf, sloeg de regen op een blind gezicht. Een gestalte kwam hem uit het donker tegemoet. Dat was Manis die nu voor hem zorgde. Nee, het was Manis niet, het was Ija, zijn Soendanese vrouw. Zij had een wit-kanten baadje* aan, zij glimlachte omdat hij mohammedaan was geworden en met haar ging trouwen. Ja, hij ging trouwen. Hij ging trouwen met Femke uit Bloemendaal. Zij was zeventien jaar en zou met de boot uit Holland komen. Ja, ze zou komen had ze gezegd.

Hij deed die gedachten weg. Met de jaren was het gemakkelijker gegaan gedachten weg te doen die niet ter zake deden. Hij luisterde naar de striemende regenvlagen, naar het steunen en piepen van vlechtwerk en bamboe en hout. Hij dacht aan het Arabische verhaal van hoe een mens was ontstaan uit een luchtbel in de modder waar de zon op scheen. De spanning in die luchtbel, wisselend met dag en nacht, had nieuwe bobbels doen ontstaan, nieuwe vliezen uit het slijk omhooggestulpt die huiverden in de morgenwind en iriseerden in het licht van maan en sterren, een zó gevoelig samenspel van hemelse en aardse krachten dat uit het troebele slik een organisme was gegroeid dat leefde, zelfstandig werd, zich losmaakte, opstond en liep. Alles volgens Allahs wet. Nu gebeurde met hem het omgekeerde. Een mens zonk in de modder weg en werd zo weerloos dat een regendroppel hem uit elkaar kon slaan. Het was hem allemaal zeer vertrouwd, en het was zeer goed. Toen de regen minder en eentonig werd leunde hij het hoofd tegen de gedèg en sliep.

Hij moest diep in de nacht zijn thuisgekomen. Zijn bemodderde kleren had hij de volgende dag op de vloer van de badkamer gevonden. En hij had zo scheef geglimlacht over die bemodderde kleren dat er tussen Manis en hem een intiem misverstand was ontstaan. Het was een goed misverstand dat geen opheldering behoefde. Hoe vrolijk was zij 's morgens geweest toen zij klontjes suiker in de koffie deed. Bij elk klontje had ze lachend gevraagd waarom hij orang slaam* was geworden. Hij dronk graag koffie uit een hoog heet glas waar je lang in ademen kon. Hij had haar het verhaal verteld van manusia berasal dari lumpur*, en hoe volgens Allahs wet die uit het slijk verrezen mens in de wereld had rondgekeken en zonder enig onderricht beseft wie zijn Heer en Schepper was. Hij was een volgeling van de Profeet geworden lang voor hij door de mensen werd ontdekt.

Zij had het een erg onorthodox verhaal gevonden, en hij had haar bezworen dat het niet zijn eigen levensgeschiedenis was.

In de regenmaanden was hij vaker zo door het djatibos gegaan dat in zijn groene gedaante nieuw voor hem was. Hij zocht zijn weg op goed geluk door het broeiend struikgewas tot hij de open hemel door de stammen schemeren zag en behoedzaam werd. Onverwacht toch stond hij dan voor het bamboeskelet en hoorde zijn eigen adem luidruchtig in de open ruimte steigeren en tastend langs de verre oevers van het oerwoud gaan. De lantorohaag stond groengeveerd en zwaar van regen. Druppels tikten onvoorspelbaar in hun eigen ritme op de grond.

Was hier iemand? Wie anders dan hijzelf? Maar hijzelf lag daar immers nog in de stromende regen van die eerste regendag. Het was een ander die hier inbreuk op de stilte maakte, het was die verlopen geoloog die door het landschap zwierf, die man die met de vrouw Manis samenleefde, hoelang? waarom? en wat wilde hij hier? Hij wierp een bloem in het kreupelhout. Een ander antwoord was er niet.

Beeld Rene van der Vooren

Cover

Als illustratie bij het korte verhaal maakt René van der Vooren elke week een boekomslag. Van der Vooren is grafisch ontwerper en verzorgt boeken, tijdschriften en brochures.

Het is mooi te kunnen knikken als een jury na lang beraad een fijne keuze uit de naoorlogse Nederlandse letterkunde bekendmaakt: inderdaad, Biesheuvel, Van Keulen en Hotz, om hen kun je niet heen. We hadden het zelf kunnen bedenken.

Maar ook die kenners zullen nu toch even stilvallen. In een pocket uit 1963, Gastenboek van Singel 262, had ene F. van den Bosch het verhaal 'Het regenhuis' (1953) gepubliceerd, dat hij vijftien jaar later met drie andere verhalen bundelde in zijn eerste boek. Op de achterflap ervan: 'Er zijn schrijvers die heel langzaam schrijven. Zij behoren vaak tot de beste.'

Jurylid Adriaan van Dis bracht deze titel in en verblufte de anderen. Wat vond hij zo bijzonder aan 'Het regenhuis'? 'Een beklemmend verhaal dat zich afspeelt in de nadagen van Nederlands-Indië. De republiek is al uitgeroepen, een deel van de inheemse bevolking keert zich tegen de oude heersers. Ervaar de hitte en het isolement en wandel onder de palmen. Laat ons toch vooral de rimboe - en de duistere kanten van ons koloniaal verleden - niet vergeten.' Aan die gloedvolle woorden van de Libris Prijswinnaar en auteur van de roman Indische duinen (1994) voegen de andere juryleden nog toe: en let u dan ook op de slotzin, die zo koninklijk nuchter is.

Frits van den Bosch (1922-2001) ging al jong met zijn ouders naar Nederlands-Indië en keerde na de oorlog terug. Na zijn debuut verschenen bij leven nog twee bundels, gevolgd door een postume publicatie. Wie 'Het regenhuis' uit heeft, zal dat een echte Van den Bosch-titel vinden.

Hij had van het regenhuis een depot voor stenen gemaakt zodat hij ze niet allemaal mee naar huis hoefde slepen: stenen uit rivierbeddingen en breukwanden, stukken mergel en calciet, en wonderlijke grofkristallijne brokken die nestgewijze in de kalksteen zaten aan de hoge afslagkust. Hoe kwamen die stenen daar? Soms vroeg hij zich zulke dingen nog af. Maar het was beter in analogieën te denken, een vraag te beantwoorden met een vraag, een antwoord met een glimlach, een glimlach met een groet. Als hij vergeten had een bloem te plukken, gooide hij zo'n wit-met-zwarte steen in het struikgewas, ver weg, zodat hij hem niet zelf weer terug zou vinden. Eenmaal had hij een dier opgejaagd, een wild zwijn te oordelen naar het lawaai waarmee het was weggesprongen.

Hij was niet bang voor dieren, ze intrigeerden hem niet, al verborgen ze zich. Hij wist dat hij ondanks zijn kapmes weerloos zou zijn wanneer ze kwaad wilden. Hij wist dat heel zeker en geconcentreerd, en ook wanneer hij een dier in de nabijheid voelde, op de bodem van een diep ravijn of in het hoge gras van een alang-alangveld, verliet die zekerheid hem niet, een zekerheid waarin geen plaats voor denken was, en niet eens voor reageren, maar voor datgene wat een steen doet als je hem uit je hand laat vallen.

Met mensen was dat niet zo. Mensen verborgen hun bedoelingen voor je. Je moest ernaar raden op grond van je eigen motieven, en dan kwam je vaak bedrogen uit. Zo ontstond misverstand, teleurstelling, vijandschap. Mensen waren vreemden voor elkaar doordat ze zichzelf in elkaar herkenden. Je keek in een spiegel en zag een ander die net zo liep als jij, plotseling verdween het spiegelbeeld en een leeg masker gaapte je aan. Pas als je iemand heel goed kende en zeker wist dat hij een ander was en geen spiegelbeeld van jou, verdween die ongewisheid en kon je hem zijn gang laten gaan zonder te zoeken naar een motief. Manis bijvoorbeeld was heel zeker een ander. Hij kende haar en hij had er geen behoefte aan haar reacties te kunnen voorspellen. Zij accepteerden elkaar. Maar de mensen in het dorp waren vreemden voor hem. Het kwam niet enkel doordat hij een vreemdeling was en hun taal niet sprak, en ook niet door de politieke agitatie die haar stromannen in de verste désa's* zocht. Er was die ondoordringbare barrière van de motieven, van de spiegels waaruit het beeld vergleed, van het onvermogen om door je eigen interpretatie heen te kijken en de ander te zien zoals hij was.

Hij trachtte de voorgeschiedenis van het regenhuis te reconstrueren. Hij zou de man willen zien die het had gebouwd, de man die het onvoltooid had gelaten. Waarom had hij het gebouwd buiten het terrein van de gemeenschap waartoe hij behoorde? Had hij met zichzelf alleen willen zijn? Of had hij alleen willen zijn met de bruid die op hem wachtte? De lantorohaag moest al hoog zijn geweest toen het werkvolk vertrok en de kampong werd gesloopt. Het huis was blijven staan en vergeten op deze stille plek ver van de grote weg: het behoorde niemand meer toe dan alleen aan de man wiens leven hier door de regen overvallen was. Dat leek jaren geleden. Hij wist nu dat die man die daar in de modder had gelegen niet meer zocht naar een rechtvaardiging van zijn aanwezigheid, en dat het goed was als hij hier kwam en bezit nam van het regenhuis.

Verklarende woordenlijst (2)

kebon tuinjongen

kembang-sepatu Chinese roos (hibiscus rosa sinensis)

slèndang sjaal die als draagdoek kan worden gebruikt

djawa Javaans

Chairil Anwar Indonesisch dichter (1922-1949)

bandjir plotseling opkomend hoogwater door zware regen

kali Baru rivier

Bung Karno bijnaam van Soekarno (de eerste Indonesische president)

pait borreltje

apa boléh buat? wat doet het ertoe?

warna negara (Indonesisch) staatsburger

tjèlèng wild zwijn

kali Lampong rivier

awas bung kijk uit!

lantoro boomsoort tamarinde

tabé tuan baas, meester

Hij had bezit genomen van het regenhuis. Hij had de verregende wanden rechtgetrokken en vastgespijkerd en van djatibladeren een ruw afdak gemaakt. Hij had rondgescharreld op het kampongterrein. Hier en daar stonden lombokplantjes*. Een katjangveld* lag overwoekerd en door zwijnen omgewroet tegen de bosrand aan. Tussen stapels afbraak en rottend vuil stond een mooie schemerblauwe toef seré*. Een bajemveldje* was nog herkenbaar, hij trok een arm vol onkruid uit maar gaf het weldra op. Boven hem cirkelde een alap-alap* in steeds wijder kringen en verdween.

Met oud vlechtwerk van de kampong had hij de derde wand gedicht, later met takken en twijgen de vierde. Zo was de beslotenheid tot stand gekomen die een ander onvoltooid had moeten laten.

Op een vroege morgen had hij alang-alang* gesneden op de grote vlakte waar hij de bantèngs* had gezien, en was begonnen atap te maken zoals hij de désamensen had zien doen: de halmen dicht en gelijkmatig naast elkaar gelegd, op een derde van de lengte om een bamboelatje geslagen en dan het verdubbelde stuk weer tussen dunne latjes gebonden zodat het geheel in zijn verband bleef. Het was een trots en tegelijk potsierlijk gezicht geweest, die eerste plompe grasplag op het dak. Hij had er met een verlegen glimlach naar staan kijken en was toen in luidkeels lachen uitgebarsten en weggerend, het bos in, en had witte ketjubung* geplukt, twee armen vol bedwelmende witte kelken, en die had hij naar het huis gebracht en overal tussen de reten vastgestoken. Ja, voor welke bruid was dit huis bestemd geweest?

Hij had zijn dagelijkse verkenningen zo ingericht dat hij op de terugweg langs een alang-alangvlakte kwam, dan kon hij 's middags atap maken. Hij had er langzamerhand vaardigheid in gekregen. Hij had ook een bezem van bladnerven gemaakt, zo een als vroeger de kebon* gebruikte om tegen vieren de bladeren over het tuinpad te vegen en de mensen heel uit de verte, ritselend, streek voor streek en droom voor droom, wakker te strelen uit hun lome middagslaap. Hij had gedacht: als er nu grint lag zou er een wonder kunnen gebeuren en de bougainvillea zou bloeien rondom dit huis. Wonderen zijn altijd achteraf gebeurd. Ze worden verteld en naverteld en ergens wortelen ze in de werkelijkheid, maar hoe? waar? wanneer? Hoe kwam die kleine kembang-sepatu* in de lantorohaag?

Als hij zo een middag aan zijn huis had gewerkt en de zon stond achter het djatibos, ging hij over het kampongterrein, drong de schemer van het oerwoud binnen en zwierf langs dierenpaadjes in de richting van het dorp tot hij de grote weg had bereikt. Hij keek links en rechts of er niemand aankwam, sprong over de greppel en was weer de huiswaarts kerende employé van de Amerikaanse maatschappij die de nieuwe regering gouden bergen had beloofd.

Hij liet Manis de stenen zien die hij gevonden had. Zij vond het moeilijk zich voor te stellen hoe oud die waren en hoe ze eenmaal waren ontstaan uit water en kalkslib en zand. Hij zei: 'Het is als met herinneringen: elk jaar gebeuren er weer nieuwe dingen, de oude raken op de achtergrond, de achtergrond dat is de ziel van een mens. Weet je nog dat je moeder je in haar slèndang* droeg?'

'O, nee, dat was mijn zusje. Ik ging gras helpen snijden voor de geiten.'

'Weet je dan nog dat je voor het eerst werd ingeënt? Was het een Hollandse dokter?'

'Het was een dokter-djawa* geloof ik. Ja, mijn broer kreeg een rode vlieger van hem, ik weet het nog heel goed.' 'En wat kreeg jij, omdat je niet had gehuild?'

'Ik? O, ik kreeg zo veel, zo veel: een nieuwe sarong en blauwe pantoffels met figuren van zilverdraad, en gouden spelden, en alle klapperbomen hadden zilveren bladeren die tinkelden en rinkelden in de wind als ik eronder liep, en een vogel zei...'

'Kreeg je dat allemaal van die dokter-djawa?'

'M-m, mmmm? Ach nee, natuurlijk niet. O, wat ben ik toch dom, wat ben ik toch dom!' en zij sloeg zich met beide handen op de wangen om te laten zien hoe dom zij was. 'Ach... een meisje krijgt toch niets meer als zij groot is geworden!'

'Dat was dus een andere keer?'

'Een héél andere keer.'

'Wanneer was dat dan?'

'Het is mij voorspeld.'

'Voorspeld? Door wie?'

'Ik krijg dat allemaal van jou, is mij voorspeld!'

Hij keek haar verbaasd aan, ze keken allebei verbaasd. Hij zei: 'Maar, maar, ik ben niet zo rijk.'

'Als je die stenen vindt word je toch rijk?'

'Welke stenen?'

'Die kostbare, die hele oude. Verleden week heb je immers in je rapport geschreven dat je ma..., ma...'

'Mangaan gevonden had? Welnee! Dat heb ik geschreven omdat ik anders geen geld meer krijg.'

'Heb je dat dan niet gevonden? Mang-gan?'

'Hoe kan ik nu mangaan vinden als ik geen geld heb om van te leven ?'

Manis keek stil voor zich uit. Daarna keek ze op het tafelblad. Het was een oud tafelblad vol kringen en krassen en potloodkrabbels, datums en namen van Japanse officieren, van Indonesische vrijheidshelden en Engelse staatslieden, verzen van Chairil Anwar*, Rilke en Baudelaire. Het was Manis' tijdskroniek en gastenboek, haar kasboek, haar agenda. Zij zei: 'Maar je bent toch al een jaar hier. Heb je wel gezocht op de plek waar het mangaan is?'

'Luister', zei hij, zijn eigen gedachten weer opvattend, 'de bandjir* van de Kali Baru* brengt elk jaar modder op het land en die droogt in de zon en het volgend jaar komt er weer modder overheen, zo gaat het jaar in jaar uit. Na duizend bandjirs is de modder al zo dik en zwaar dat het steen geworden is. Steen, zie je, gelaagde steen, zoals deze hier. Maar geen mangaan! Dat weet een kind.'

Manis keek sceptisch naar de steen die geen wonderen wilde doen. Ze zei: 'Je mag niet liegen tegen Bung Karno* en de maatschappij.'

'Maar liefje, mijn chef zit op zijn platje pait* te drinken om deze tijd. Bung Karno zit op z'n platje pait te drinken, en in Amerika drinken ze Coca-Cola. Apa boléh buat?* Wij drinken koffie in het maanlicht, als we er geld voor hebben. Alle mensen moeten immers wat te drinken hebben. Maar niemand taalt naar mangaan. Het is al goed als er maatschappijen zijn die geld geven om ernaar te zoeken.'

Maar Manis zei: 'Je mag niet liegen tegen Bung Karno. Hij heeft het mangaan nodig, en ijzer en tin en nog veel meer.'

'Er is nog iets dat hij veel meer nodig heeft: ingenieurs en een mijnbouwschool.' En hij voegde eraan toe: 'Misschien krijgt hij die van de maatschappij.'

Manis vond het geen hoopvol vooruitzicht. Hij vroeg: 'Heeft Bung Karno ook een nieuwe sarong nodig met blauwe vogels, en gouden spelden met tjitjaks en vlinders erop?'

Zij glimlachte. Hij vertelde haar hoe hij eenmaal zelf zilveren palmtakken had gevonden, achter een huis, onder aan een helling in het bos waar het erg vochtig en rommelig was. Rood goudstof was eruit gedwarreld toen hij ze boven zijn hoofd zwaaide. Er was zeker ergens feest geweest, er had muziek geklonken van heel ver, van heel dichtbij, en er waren drommen mensen voorbijgekomen, hele kleine mensen en tegelijk heel groot en alles was heel licht geweest en tegelijk heel donker, zoals wanneer je je ogen dicht doet en in het zonlicht kijkt. Hij zou daar zeker altijd gebleven zijn als zijn vader hem niet boos naar boven had geroepen en naar de badkamer gestuurd had.

'Ach,' zei Manis, 'dat was toch een heel andere keer.'

Het huis was langzamerhand op een huis gaan lijken. Het dak lekte niet meer, het was donker daarbinnen. Op heldere droge dagen zeefde het zonlicht door de gevlochten wanden en wierp vlekjes als kleine visjes op de vloer. Hij dacht: ik zal Manis het regenhuis laten zien. Dan zullen we er samen om lachen, en dan gaan we mangaan zoeken, of iets dat meer de moeite loont. Dan gaan we in Djember of Banjuwangi nieuwe kleren en gouden spelden kopen, handen vol, manden vol, geen erg dure natuurlijk, en dan sturen we Bung Karno een kaart met groeten van Leo en Manis. Onze kinderen kunnen warna negara* worden en de palmbladeren zullen ritselen en glinsteren in het licht van de maan als zij oud zijn en aan hun kinderen vertellen dat hun vader diep in het oerwoud een paleis bezat. Ja, ze zullen er nooit het rechte van weten, maar ze zullen het weten op hun manier.

Toen waren de vernielingen begonnen. Op een middag waren de wanden uit elkaar getrokken, met veel moeite had hij ze hersteld. De volgende dag was het dak vernield, hij had ook dat hersteld. Hij had eerst gedacht aan tjèlèngs* of apen, maar er waren geen gaten in de grond, hij vond geen vruchtepitten. Mensen dus? Hij had hier nooit iemand gezien behalve eenmaal lang geleden een oude man die kruiden zocht. Hij zocht de omtrek af naar sporen van mensen maar vond ze niet. Mismoedig was hij naar het dorp teruggekeerd en had die avond niet veel gezegd. Ook Manis had niet veel gezegd. Wist zij iets van het regenhuis?

Zij wist niets van het regenhuis. Hij had haar vanmorgen gezegd dat hij lang uit zou blijven en misschien wel ergens overnachten. Hij wilde hier de nacht doorbrengen en verhinderen dat zijn huis werd vernield. Hij strekte zich uit op zijn ongemakkelijk bed en spande de spieren van zijn benen tot zijn lijf gevoelloos werd voor de muggen en de kilte die de zeewind bracht.

Toen het licht werd stond hij stram en vermoeid op. Hij maakte vuur en schepte een blikje water uit de aarden pot die hij in de grond gegraven had. Hij dronk gulzig thee en at het restant rijst van de vorige dag. Daarna nam hij zijn kapmes en ging het bos in langs het donkere paadje dat naar de Kali Lampong* voerde. Hij klom op een omgevallen boom en sprong over het smalle water heen. In de modder stonden verse zwijnesporen. Hij liep een honderd meter het bos verder in. Als er dieren waren wisten ze nu dat er iemand bij de kali was. Een eind stroomopwaarts van de zwijnesporen, waar misschien minder bloedzuigers zouden zijn, trok hij zijn kleren uit en plonsde in het zwarte water. De hoge bladerkronen stonden zwijgend over hem heen, tussen de wortels gleed een slang geruisloos weg.

Toen hij terugkwam op het open terrein was hij aanvankelijk verblind door het felle licht. Hij hield de hand boven de ogen om beter te kunnen zien, met een schok trokken zijn buikspieren strak: daar midden op de vlakte stonden twee mannen in de morgenzon. Het was of zijn kleren en zijn gedachten van hem afgleden en alleen zijn naakte lichaam gespannen op de harde grond bleef staan, de grond waarop hij als kind had gespeeld, de grond waarop het regenhuis stond, de eindeloze zonlichte grond waarop alles gebeurt en alles zijn einde vindt. Hij stond daar aan de rand van het bos als een boom die uit de blinde schemer groeit en aan alle bladeren ogen kreeg waarin de zichtbare wereld glansde en ritselde en trilde als een koortsig visioen.

Hij maakte zich los en liep op de indringers toe. Hij woog zijn kapmes. De zware slag die in het lemmet sliep deed het heft licht deinen en schampen in de eeltige holte van zijn hand en maakte zijn vingers hard, zijn arm, zijn hele lichaam hard en helderziend. Hij zag zichzelf een geluidloze leegte ingaan, helemaal aan het eind waarvan die twee gestalten stonden, de twee vernielers van zijn bestaan. Achter zich wist hij de donkere wereld van mensen en dingen, het oerwoud, Manis, het regenhuis. Het was die achtergrond die hem uitwierp in de helle leegte van het conflict, in de onverdraaglijke leegte van een dol geworden zon die hij tot een zwarte chaos uit elkaar ging slaan.

De mannen hadden hun achteloze houding laten varen en stonden nu stram, onzeker spelend met hun messen die blonken in de zon.

'Wat zoeken jullie hier?' beet hij hen toe.

'En wat mag meneer hier zelf wel zoeken?' smaalde de een.

'Ga weg, dit huis is van mij!'

'Dit huis? In dit huis zou geen hond willen wonen.'

'Awas bung!*' waarschuwde de ander terwijl hij een stap terug deed, 'pas op, die hond bijt!'

Zij weken uiteen, ieder naar een kant. Hij zag het gevaar en sprong op de man af die het eerst gesproken had. Deze vloog opzij. Een stapel afbraak kwam tussen hen in te liggen. Zonder zich te bedenken sprong hij er boven op. Hij wankelde en trapte tot zijn enkels door het vergane vlechtwerk heen, maar wist zich zwaaiend met zijn kapmes staande te houden. Verrast week de ander terug en sloeg op de vlucht toen hij geen nieuwe dekking vond. Hij draaide zich om en stortte zich nu op de tweede man die hij achter zich vermoedde. Een ogenblik schampten hun wapens tegen elkaar, hij sloeg toe, de man ontglipte hem en hij tuimelde op de grond. Toen hij weer overeind stond waren beiden buiten bereik. Zij hoonden hem van ver: 'Mogen wij hier niet lopen? Het land is van ons, het hele land is van ons!' Trillend van opwinding stond hij hen na te kijken terwijl zij treiterend langzaam in de richting van de bosrand slenterden. De achtergrond, de moederwereld van de dingen, de dieren, de mensen zoog hem uit zijn verdwazing terug. Schaduwvlekken van neushoornvogels gleden over de grond. Aan zijn voeten stond een pol serégras, blauw en onberoerd. Hij knielde neer en legde zijn hoofd erin. Hij vond op de tast zijn weg terug naar het regenhuis. Het stond er nog, het was onbeschadigd, groot en werkelijk als in een droom. Tussen drie zwarte stenen smeulde nog de as van het ochtendvuur. Er hingen druppels aan de binnenzijde van het waterblikje. Hij raakte die dingen niet meer aan. Hij wist dat hij nog verder terug kon. Naar Manis, naar Banjuwangi, naar Holland terug. Hij wist dat het geen oplossing was: ik ben hier, hier, maar wat doe ik hier? Huilend greep hij om zich heen en slingerde de stenen die hij verzameld had links en rechts de struiken in. De apen joelden en kwetterden in de bomen. Ze jouwden hem met hun allen uit. Hij zag en hoorde ze niet. Hij zag die twee kerels voor zich en hoorde ze honen: het land is van ons, het hele land is van ons! Ik moet ze terugvinden, dacht hij, alsof hij nog iets herstellen of voorkomen kon, en het besef dat er geen morgen meer zou zijn dreef hem over het kampongterrein naar de bosrand waarin de twee zwervers verdwenen waren. Als een panter sprong hij door het oerwoud heen tot hij aan de grote weg kwam, maar hij zag ze niet. Hij keerde terug, zwierf door het djatibos, en drong opnieuw het oerwoud in. Hij kwam langs de ketjubungstruiken en sprong over de kleine Kali Lampong heen. De onbegaanbare wildernis scheurde zijn huid en zijn kleren open, zijn kapmes was hij ergens kwijtgeraakt. Op de vlakte waar hij gras gesneden had zag hij een bantèng in de trillende middagverte staan. En aldoor hamerde het door zijn hersens heen: wat loop ik achter die kerels aan, die ik voor geen geld van de wereld weer terug wil zien? Wat heb ik mijn leven lang anders gedaan dan lopen, lopen, lopen, achter een vrouw, een dier, een hersenschim?

Maar hij liep, liep, liep. Hij zwierf in grote haperende kringen rondom het regenhuis.

Uitgeput struikelde hij over boomwortels en gebroken bamboes heen. Aan drie zijden stonden de zwarte coulissen van het snerpend oerwoud om de verlaten vlakte en hoog daarboven schitterden de sterren van de Schutter en de Schorpioen. Het Zuiderkruis lag op z'n kant boven het djatibos. De lantoro's* schoven hun donker scherm ervoor en van achter de bloeiende bougainvilleastruiken die rondom het regenhuis stonden kwam de gestalte van Manis hem tegemoet en zei 'Tabé tuan*.'

Maar het was Manis niet. Het was het geweld dat overrompelend uit de hinderlaag sprong. De slagen dreunden door hem heen. Gloeiende glasscherven flitsten door zijn lijf en sprongen op zijn botten stuk. Hij viel bloedend op het grint. Hij hoorde hoe de kebon met zijn bezem van bladnerven, rrrts, rrrts, bladeren en springende steentjes over het tuinerf veegde, springende sterren door het erf van de hemel joeg. Zwermen van sterren, golven van sterren sloegen hemelhoog de hemel uiteen tot een chaos van splinterend glas.

In het oerwoud zongen de cicaden, maar er was niemand meer die het horen kon. Het was in het begin van augustus 1951, 's avonds om een uur of acht, en de wind stond uit zee.

De procedure

Een speciale V-Zomerjury bestaande uit Adriaan van Dis (schrijver), Anna Drijver (actrice en schrijfster van twee romans), Wilma de Rek (chef van de Volkskrant-boekenredactie) en Arjan Peters (Volkskrant-literatuurcriticus) deed een manmoedige en wat ons betreft definitieve poging de zes beste korteverhalenschrijvers van de naoorlogse Nederlandse literatuur te bepalen. Een zomer lang tellen we terug, van 6 naar de onbetwiste nummer 1. Van elk van de schrijvers drukken we een kort literair juweel af. Op 6 eindigde J.M.A. Biesheuvel, op 5 Mensje van Keulen, op 4 Sanneke van Hassel en op 3 F.B. Hotz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden