'Het monster moet ontroeren'

De Russische werkelijkheid zoals componist Alexander Raskatov die meemaakte, is nauwelijks minder absurdistisch dan de opera A Dog’s Heart, die hij schreef op basis van Boelgakovs satire over een mensachtige hond....

Niet op de rode knop drukken!, grapte de officier voor alle zekerheid. De straaljager die Alexander Raskatov in moest klimmen, nadat een KGB-er de componist had afgeleverd bij een geheime Sovjet-vliegbasis in de buurt van Moskou, stond daar opgesteld in een bos en was bedekt met struikgewas. ‘Splinternieuwe MIG, misschien een prototype’, herinnert Raskatov zich tijdens een pauze in het Amsterdamse Muziektheater, waar zijn opera A Dog’s Heart wordt gerepeteerd.

Op een ochtend in 1975 werd hij opgepikt bij het Tsjaikovski Conservatorium in Moskou, waar hij een reputatie genoot als jong talent op het gebied van de liedkunst. ‘Bij het standbeeld van Tsjaikovski’ stond volgens afspraak een zwarte Wolga hem op te wachten. Ook een ‘dichter van het literair instituut’ stapte in. ‘Kijk niet zo somber, ik breng je niet naar een concentratiekamp’, sprak de KGB-er.

Op de luchtmachtbasis genoten componist en dichter een ‘goede lunch’, ter inspiratie voor een nieuw te schrijven Lied van de Luchtmacht. Met dat doel werd ook de nieuwste MIG beklommen. Lichtelijk ontregeld door een speech van de officier (‘binnenkort hebben we deze toestellen niet meer nodig, want dan zijn er niet veel joden meer’) liet Raskatov, geboren in 1953 uit joodse ouders, zich meevoeren naar de oever van de Moskwa voor een picknick.

‘Dat lust ik niet’, zei Raskatov, toen hij een destillaat van 90 procent kreeg ingeschonken. ‘Jij weigert te drinken op het succes van ons patriottische lied?’, was de reactie.

‘Ik begreep onmiddellijk dat de stemming politiek werd’, zegt Raskatov. Kortom: ‘Toen ik in Moskou terugkwam, was ik bewusteloos van de spiritus.’ Ongelukkig genoeg, meent de componist, werd het thuis voltooide lied enthousiast ontvangen bij de Sovjetluchtmacht. Het werd opgenomen en klonk op tv. Kort daarop werd de jonge Raskatov gebeld door de KGB-er. ‘Ik zit hier vlakbij China. Ik zeg jou: zelfs hier wordt jouw lied gezongen. Een succes! Als ik weer terug ben moet je op mijn verjaardag komen.’

De party waar Raskatov belandde en zijn Lied van de Luchtmacht op de piano speelde, bleek een KGB-ersfeest. Een jonge gast droeg hem op te dansen met zijn zuster en medespion, die eropuit bleek ‘haar carrière en die van mij vooruit te helpen’. Raskatov: ‘Ik ben geen held. Dus ik danste met de KGB-vrouw en bracht haar naar haar appartement. Daar verdween ik voorgoed uit haar leven.’

De vraag mag zijn waarom Alexander Raskatov (57, geboren in Moskou, nu wonend in Parijs) een novelle van Michail Boelgakov nodig heeft gehad om een absurdistische opera tot stand te brengen. Toch was Hondehart, Boelgakovs satire uit 1925 over een hond die de teelballen en de hypofyse van een dode crimineel krijgt geïmplanteerd, waarna het brave dier zich ontwikkelt tot een mensachtig wezen van het onbeschoftste soort, het eerste onderwerp waar Raskatov aan dacht, toen Pierre Audi van de Nederlandse Opera hem om een werk vroeg.

‘Dit is een onderwerp dat iedereen kan aanvoelen. Operaties. Genetica. Het hele verhaal van wie zijn wíj, dat wij op Gods plek gaan zitten om een nieuw creatuur te maken, en weer af te breken omdat de zaak uit de hand loopt.’ De hond Sjarik, door zijn baas Filippovitsj omgeknutseld tot een tierende ‘Sjarikov’ wiens voornaamste wens is een vrouw te verkrachten, is volgens Raskatov geknipt als object voor opera in tijden van crisis. ‘En daarmee bedoel ik een soort crisis waar we het helaas zelden over hebben. Morele crisis.’

Het podium van het Muziektheater is bedekt met een huiselijk vloerkleed, waarover zich een vuilnisbakkentype beweegt. Geen echte hond, maar een opengewerkt houten exemplaar, bediend door permanent meelopende poppenspelers. De hond blijkt verschillende stemmen te hebben. Een ‘aangename’, vertolkt op een afstandje door de zanger Ivo Posti, en een ‘onaangename’, waarvoor Raskatovs echtgenote Elena zorg draagt met schelle cantilenen, gezongen door een megafoon. Regisseur Simon McBurney, Brechtiaans georiënteerd in deze premièreproductie, laat de techniek van theatertrucs en muziekfoefjes aan het publiek in de zaal zien, toneellampen en decorconstructies inbegrepen. Een morsig militair optochtje met drie tuba’s sjouwt rond Filippovitsj’ appartement.

Professor Filippovitsj, arts en hondebaas, zingt met Russische stentorstem. Het is Sergei Leiferkus, die eerder in Amsterdam optrad in de titelpartij van Tsjaikovski’s opera Mazeppa, en nu even ferm klinkt. Hij heeft een cast in zijn kielzog met liefst zestien solisten van alle mogelijke stemtypen. Inclusief een geheimzinnige opbeller of ‘Grote Baas’, die de professor vraagt of hij werkelijk ‘naar het buitenland’ wil.

‘Dat was een idee van mijn librettist Cesare Manzonis’, zegt Raskatov, doelend op het telefoontje dat Stalin er in 1930 in het echt voor over had (zelden was kameraadschap zo intimiderend), toen Boelgakov om emigratiepapieren had gevraagd, en Stalin hem belde met de vraag of hij werkelijk van plan was ‘ons’ te verlaten.

In Hondehart krioelen niet zoveel personages dooreen als de 78 solokarakters in De neus, de operakomedie die Sjostakovitsj baseerde op een satire van Gogol. Maar genoeg om te prikkelen tot een vergelijking. Zie ook Leven met een idioot, Alfred Schnittkes operasatire op het Sovjetbestaan, die in Amsterdam in 1992 een wereldpremière beleefde. Net als bij die voorgangers, verspringt de muzikale thematiek van A Dog’s Heart gedurig. Raskatov: ‘De uitvinder van het genre was Moesorgski met zijn komedie De bruiloft, naar Gogol. Er loopt een rechte lijn van Gogol naar Boelgakov.’

De muziek van A Dog’s Heart is ‘caleidoscopisch’, zegt Raskatov. De spirit is tragikomisch: ‘De mens creëert een monster, maar het monster moet ontroeren. Het ziet dat het geen rechten heeft en altijd eenzaam zal blijven.’

Maar pessimistisch is de moraal. Als Filippov zijn Sjarikov demonteert, blijkt de wereld inmiddels vergeven van de Sjarikov-klonen. Die sombere conclusie is Raskatovs gebaar – al beaamt hij het aarzelend (‘een dissident ben ik nooit geweest’) – naar de barbarijen van het nieuwe Rusland. Naar de ‘moorden op elke straathoek’. Naar woekerpraktijken. Naar de moderne conversatie in Moskou, ‘die alleen over geld gaat, hoe het te verdienen of hoe het te stelen’. Naar de moord, vermoedelijk op hoog niveau uitgebroed, op Raskatovs idool Alexander Men, een jood die geen verschil zag tussen Russische orthodoxie en judaïsme en oecumene predikte, en daarvoor boette met bijlslagen.

En ook een beetje naar de poging van drie boeven hem op klaarlichte dag te beroven, recht tegenover het Tsjaikovski Conservatorium nota bene. En naar Russische muziekkringen die hem in een Moskous festivalboek onzichtbaar wegstopten, ‘als kleine bestraffing’, zo werd uitgelegd, ‘omdat je in het buitenland woont’.

Raskatov: ‘Alleen Russen kunnen zoiets zeggen. Terwijl we allemaal dachten, na de perestrojka: nu gaat het de goede kant op. Er zijn dissidenten die zijn teruggekomen uit de psychiatrische inrichtingen waar ze met chemicaliën werden mishandeld, en zich nu hardop afvragen: hebben we het hiervoor gedaan?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden