'Het moet er wel duivels aan toe gaan!'

Een grootse loner was de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen - sociaal gezien geen handige man, blijkt uit zijn vertaalde brieven. Dat levert wel anekdotes op.

Het schrijven van brieven lag Henrik Ibsen (1828-1906) niet. Te onbevredigend, te tijdrovend, terwijl er nog zoveel meesterwerken door zijn hoofd spookten die netjes uitgeschreven moesten worden. Pech voor de Noorse toneelschrijver, hij woonde een groot deel van zijn leven in het buitenland. Corresponderen met het thuisfront was de enige manier om contact te houden.


Daarom staan zijn brieven vol met verontschuldigingen en onhandige uitvluchten voor zijn telkens verlate antwoorden. Een al maanden doodzieke vriend krijgt van Ibsen te horen dat hij vermoedde dat deze nog te zwak was om post te ontvangen. Zodoende liet hij het er even bij.


Een selectie van Ibsens brieven is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald en uitgegeven in de reeks Privé-domein. De titel De zomer beschrijf je het best op een winterdag verwijst naar zijn zelf verkozen ballingschap.


Wie zoekt naar de diepere gronden van toneelstukken als Spoken of Een poppenhuis, komt bedrogen uit. Slechts een enkele keer geeft Ibsen een regisseur of acteur desgevraagd wat speltips. Deze komen altijd op hetzelfde neer: het gaat om de ultieme illusie van realisme. 'Geen declamatie. Geen toneeltoontjes. Helemaal geen plechtstatigheden! Geef aan iedere stemming een geloofwaardige, natuurlijke uitdrukking. Speel een echt, levend mens.'


Die echte, levende mensen observeert de schrijver het liefst van een afstandje. Het Noorse volk ('plebejers') en een gebrek aan waardering voor zijn werk zorgen ervoor dat hij in 1864 met zijn vrouw Suzannah en zijn zoon Sigurd het land verlaat. De Ibsens verhuizen naar Rome.


In een brief aan zijn beste vriend en collega Bjørnstjerne Bjørnson, met wie hij een tijd gebrouilleerd was, schrijft hij: 'Toch ben ik blij met het onrecht wat mij is aangedaan (...) Ik zal mijn geluk beproeven als fotograaf. Het Noorwegen van nu, stukje voor stukje, persoon na persoon, zal ik onder handen nemen.' Ibsen is boos op Bjørnson omdat deze een bevriende recensent niet belette een kraakrecensie van Peer Gynt te publiceren.


Ook zijn familie moet het ontgelden. Dat wil zeggen: ze moet het doen met een handvol brieven. 'Nu is onze lieve oude moeder dus dood' schrijft hij maanden na de sterfdag aan zijn zus Hedvig. Hij verontschuldigt zich maar weer eens dat hij verstek moest laten gaan, om daarna uit te weiden over zijn vele reizen. Trots meldt hij dat hij een uitnodiging mocht ontvangen van de Egyptische onderkoning.


Geld en erkenning, veel brieven gaan over zaken. Zijn zaakwaarnemers in Oslo, vader en zoon Hegel, behoren tot de meest geadresseerden in het boek. 'Er is veel geld voor nodig om zo te kunnen leven als ik aan mijn stand verplicht ben' aldus Ibsen.


Erg geestig is het briefje met een aanlokkelijk voorstel aan een jonge Edward Grieg. Wat dacht de componist ervan om wat muziek te schrijven bij Peer Gynt? Ibsen had het al helemaal uitgedacht. 'Het moet er wel duivels aan toe gaan! Tevens moet er iets van begeleiding komen voor de episodes die in de Hal van de Bergkoning spelen.' Wat betreft het honorarium had hij gedacht aan een bedrag dat gelijk staat aan ongeveer 9.000 euro, te verdelen onder hen beiden.


Ook vecht hij jarenlang voor een subsidieregeling van de Noorse staat, zodat hij zijn belangwekkende werk ongehinderd kan blijven uitvoeren. Na een aantal bedelbrieven aan de koning wordt zijn verzoek ingewilligd. Tegelijkertijd verschijnt een nieuw toneelstuk: Brand, zijn eerste grote verkoopsucces.


Aan het einde van zijn leven is Ibsen een rijk man. Vanaf 1891 wonen hij en zijn vrouw weer in Oslo. De toon in zijn brieven is dan bedaarder, vergeeflijker. Hij rekent zijn vrouw verlekkerd voor hoeveel geld ze op de bank hebben staan. Hij is in de weer met beeldhouwers en schilders die hem willen vereeuwigen, de uitgave van zijn verzameld werk en probeert vragen van vertalers te beantwoorden.


Hij koopt een enorm portret van Strindberg dat hij in zijn werkkamer hangt. Een 8.000 woorden tellende recensie over Wanneer wij doden ontwaken van een dan 18-jarige James Joyce, waar hij zich woord voor woord doorheen worstelt, doet hem verzuchten dat graag Engels had willen leren.


De wereldberoemde éminence grise komt op de valreep nog aanzetten met dweperige liefdesbrieven aan jonge meisjes. Tijdens een reis door Oostenrijk ontmoet hij de 19-jarige Emilie Bardach. Wat hij Emilie schrijft is van een vermakelijke naïviteit; alles rijkelijk doorspekt met bijvoeglijke naamwoorden.


Hij vertelt haar zijn stiekeme fantasietjes, hoe hij haar door een theater ziet zweven, hoe ze gaat zitten: 'Achteroverleunend, met een wat vermoeide uitdrukking in uw raadselachtige ogen.' Niet veel later verbreekt hij het contact en creëert hij zijn meest bekende toneelpersonage: Hedda Gabler.


Het kleine leed, het knorrige toontje, het gebroken hart van een oude man, het zit hem in Ibsens brieven in de vele details. Het was, sociaal gezien, gewoon niet zo'n handige man. Dat levert komische anekdotes op. Daarbij zijn de brieven door Ibsens veelal zakelijk taalgebruik zeer goed leesbaar.


Desalniettemin hebben samenstellers en vertalers Rob van der Zalm, Jeanne Dullaert, Suze van der Poll en Sjoukje Marsman hun best gedaan op het annoteren van zo veel mogelijk biografische en geschiedkundige informatie.


Zelfs de lezer die nog nooit van Hedda Gabler had gehoord, wordt tussen de brieven door in keurig proza ingelicht: 'Een aristocratische jongedame, die er genoegen in schept getrouwde mannen voor zich in te palmen en die naar eigen zeggen vooral talent heeft om zich dood te vervelen.'


De zomer beschrijf je het best op een winterdag is een uitstekend verzorgde brievenverzameling van een grootse loner. Onbehoorlijke onthullingen komen er niet in voor, daar zorgde Ibsen wel voor. Zijn leven hield hij voor zichzelf. Hij onttrok zich niet voor niets aan een samenleving vol 'bekrompen lilliputters'.


En die samenleving beschreef hij het best in eenzaamheid.


Henrik Ibsen: De zomer beschrijf je het best op een winterdag - Brieven. Uit het Noors vertaald door Rob van der Zalm, Jeanne Dullaert, Suze van der Poll en Sjoukje Marsman.


De Arbeiderspers; 344 pagina's; € 25,00. ISBN 978 90 295 7520 1.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden