Het modernisme is dood, leve de crisis

Is er voor het modernisme leven na de dood? Een heropleving, zegt historicus Peter Gay, is onmogelijk noch onvermijdelijk. Hij schetst de opkomst en de ondergang van de modernistische stijl....

Paul Depondt

In de zomer van 2000 aanschouwde historicus Peter Gay (1923) in het Spaanse Bilbao het spectaculaire Guggenheim Museum. Hij was overweldigd. ‘Ik had lang genoeg geleefd en genoeg gezien’, schrijft hij aan het slot van zijn indrukwekkende Het modernisme – De schok der vernieuwing, ‘om te voorkomen dat ik me blindelings aan oppervlakkig enthousiasme overgaf.’

Hij liep verscheidene malen om het museum van architect Frank O. Gehry heen, schiep al van het eerste moment vreugde in de elegantie van de vormen die rondom hem oprezen en kwam tot de conclusie dat het woord ‘enthousiasme’ de enig adequate omschrijving voor zijn gevoelens was. Dit was modernistische architectuur in haar opwindendste vorm, een fascinerende opeenvolging van gedurfde architectonische sensaties.

Wat is modernistisch? Het is als met pornografie: je kunt er eigenlijk geen definitie van geven, maar je herkent het zodra je het ziet. Het is eenvoudiger, zegt Gay helemaal aan het begin van zijn boek, om het modernisme aan de hand van voorbeelden uit te leggen dan om het te definiëren. Je ziet het en je herkent het: zonder enige aarzeling kunnen we een gedicht van Rimbaud, een schilderij van Picasso, een muziekwerk van Satie of een toneelstuk van Beckett als ‘modernistisch’ classificeren.

Voor een cultuurhistoricus als Gay is die schok der herkenning evenwel niet genoeg. Het etiket ‘modernisme’, dat hij verkiest boven het bedachtzamer meervoud ‘modernismen’, is voor hem vooral een stijl. Het is meer dan een toevallige opeenhoping van avant-gardistische protesten. Die stijl heeft ook een duidelijk afgebakende geschiedenis: vanaf het midden van de 19de tot diep in de vorige eeuw. Rond 1960, met de opmars van de pop art, kwam het modernisme in een crisis terecht, sterker nog: het was op sterven na dood. Sceptici, tot wie ook Gay zich rekent, kunnen niet om de vraag heen of de ‘verontrustende levenstekens’ van de contemporaine kunst niet verdacht veel leken ‘op aanwijzingen dat de dood klaarstond in de coulissen’. Pop art was oppervlakkig. Het ontwrichtte op radicale wijze het modernistische ideaal ‘door het onverzoenlijke te verzoenen’, door hoge en lage cultuur aan elkaar gelijk te stellen. ‘We leven in een tijdperk van musicals’, meent Gay.

Zijn boek noemt hij uitdrukkelijk geen geschiedenis, maar een verhandeling over het modernisme, over de opkomst, de successen en de ondergang ervan. Het is ook geen psychoanalyse, want die geeft geen passende verklaring – zegt ook Sigmund Freud – als het gaat om de herkomst van het artistieke genie, al heeft hij het als een kenmerk van de vernieuwing wel over ‘het opborrelende onderbewustzijn’. Gay heeft naar eigen zeggen ‘een substantiële hoeveelheid geloofwaardige bewijsstukken’ bij elkaar gezocht uit alle domeinen van de ‘hogere cultuur’. Hij wil aantonen dat er sprake is van ‘een eenheid te midden van de veelheid’ van wat hij de modernistische stijl noemt: een klimaat van denken, voelen en opinie, een vernieuwende geestdrift die heel dicht in de buurt komt van zijn eigen aanstekelijke enthousiasme toen hij voor het eerst het Guggenheim in Bilbao zag.

Het modernisme begint niet met een zucht, maar met een huivering, met de rebel Charles Baudelaire die het in zijn kritieken op de tekeningen van de getalenteerde Franse illustrator Constantine Guys over ‘de heroïek van het moderne leven’ had. Het klonk allemaal heel origineel, er was voor een modernist geen mooier compliment denkbaar dan de opmerking: ‘U lijkt op niemand!’

Daarom luidt het motto van de modernisten, zegt Gay de Russische impresario van het moderne ballet Sergej Diaghilev na: ‘Verbijster me!’ Die verbijstering weerspiegelt de twee kenmerkende eigenschappen van modernistische kunstenaars, die hij ook bij Gehry herkende: hun zoektocht naar het afwijkende, ‘de confrontatie met heilige huisjes’, en hun voortdurende principiële zelfonderzoek, het verkennen van de verborgen spelonken van het eigen innerlijk.

Meer dan honderd jaar lang zaaiden modernisten verwarring, verbijstering en verrukking. Dat kon volgens Gay omdat er een afzonderlijk publiek voor ‘hoge cultuur’ was. Ze moesten geen compromissen sluiten, ze konden de ‘bourgeois’ nog epateren. Verschillende keren wijst hij erop dat het modernisme elitair was, en juist kon gedijen door een welwillende culturele elite die er blijkbaar van hield van tijd tot tijd van haar stuk te worden gebracht. Een aantal modernisten was democraat, zegt hij, maar het modernisme was geen democratische beweging. Er was (én er is nog steeds) een drievoudige hiërarchie van voorkeuren: de culturele elite die als enige de ‘modernismen’ voedt, de bekrompen bourgeoisie die voorgeeft het allemaal te begrijpen, en de onwetende massa die er niets mee kan.

Modernism – The Thrill of Heresy from Baudelaire to Beckett and Beyond, zoals de oorspronkelijke titel luidt (met die verwijzing naar ‘ketterij’), is een synthese. Gay brengt in essayistische biografieën een aantal kunstenaars bijeen onder een thema. Hij maakt een persoonlijke keuze, hij is geen kleurloze boekhouder van het modernisme. Schrijvers, schilders, architecten, toneelschrijvers, cineasten, beeldhouwers, dansers en componisten – maar vreemd genoeg geen fotografen – treden in zijn boek naar voren als voorbeelden van kenmerkende aspecten van de modernistische periode.

Het is niet alleen het verhaal van baanbrekende kunstenaars. Hij heeft het uitvoerig over de ‘barbaren’ in het Duitsland van Hitler, het Italië van Mussolini en de Sovjet-Unie van Stalin, die de kunsten ondergeschikt wilden maken aan hun ideologische campagnes. Gay schrijft ook over de ‘antimoderne modernisten’, de ‘zonderlingen’, met als prototypes een T.S. Eliot of een Charles Ives, de achterhoede van de avant-garde. Gay vertelt en interpreteert met een licht docerend parlando ‘zijn’ geschiedenis van het modernisme, een beweging die de westerse wereld van de 20ste eeuw heeft gevormd, maar die allang is opgedoekt of gekazerneerd in de musea voor moderne kunst.

Als kunst altijd het resultaat is van een soort ketterse regelloosheid, dan kun je de groei, bloei en het verval van de moderniteit zien als een parasitair verzet tegen de klassieke kunst, waarin kunstenaars regels overtraden. Nog steeds zijn er kunsthistorici die van mening zijn dat de kunst tot stand komt in zo’n reeks van onderling verbonden en elkaar bestrijdende avant-gardes. Iedere generatie breekt per definitie met de vorige. Maar stel nu eens, zoals ook voormalig directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum Rudi Fuchs gelooft, ‘dat de cirkel rond is’, dat moderne kunst als stijl af is en bijgezet kan worden in de reeks romaans, gotiek, renaissance, barok of romantiek?

Is, met andere woorden, de koek helemaal op? Betekent dat het einde van de moderniteit? Als alles kunst kan zijn, zoals sommigen beweren, wat is dan nog kunst in een tijd waarin de wereld als het ware op supersonische snelheid ‘verschuimt’ omdat alles van waarde weerloos is en er geen onderscheid meer is tussen hoog en laag? Hier ontspoort het betoog van Gay en wordt de briljante historicus een querulant.

Alsof hij het allemaal zó weerzinwekkend vindt om het zelf op te schrijven, citeert hij een enkele keer in zijn boek uitvoerig uit een artikel over performancekunst. Het is een catalogus van morbide en obscene kunstingrepen waarin Gay het definitieve einde van de moderniteit meent te bespeuren. Is de kunst, waarin kunst vooral voorwerp van discussie is, dan ‘lage’ kunst? Nergens verwijst Gay heel uitdrukkelijk naar de filosofische debatten over de crisis in de kunst – Arthur Danto’s credo over ‘het einde van de kunst’ uitgezonderd – of naar het discours, het spektakel en de dood van het beeld – allemaal onderwerpen waarvan het modernisme eigenlijk al de toon had aangegeven.

In zijn ontegenzeggelijk schitterend opgebouwde betoog weerklinkt vooral één mantra: high en low moeten zoals het kaf en het koren weer worden gescheiden, het sprankelende modernisme is dood en hoe het verder moet weet niemand. Hier spreekt de historicus: Gay ziet een begin en een eind, hij periodiseert – zoals Fuchs – en omzeilt daarmee de hele discussie. Gay ziet nergens nog een Stravinsky of een Picasso. Er zijn misschien wel getalenteerde kunstenaars, schrijvers, architecten, cineasten of componisten, maar geen genieën. In het tijdperk van de trouvailles gaat het volgens hem in de kunst uitsluitend nog over amusante shock-effecten en gemakkelijk succes.

Het modernisme was een tijdperk, met zijn groei en tijden van neergang, van zelfvertrouwen en zelfhaat, een historische periode en een stijl die we nu op waarde weten te schatten. Dat heeft Gay op een eigengereide manier meesterlijk in kaart gebracht. Hij zegt niets met zekerheid te kunnen voorspellen, maar twijfelt aan ‘een volledige heropleving’. Toch herkende hij, in die zomer van 2000, daar in Bilbao, de kenmerkende eigenschappen van de modernistische stijl.

Daarin verschilt hij van een andere briljante geest en op het terrein van de hedendaagse kunst een al even hardnekkige querulant: de gerenommeerde curator Jean Clair. In zijn recente pamflet Malaise dans les musées beschouwt Clair de nieuwe museagebouwen niet meer als plekken voor enlightenment of Bildung, maar als pretparken voor entertainment. Juist Thomas Krens, de directeur van het Guggenheim Imperium die het initiatief nam om Bilbao te bouwen, moet het in zijn schotschrift ontgelden: hij herleidt kunstwerken tot rekwisieten en stelt ze tentoon in Las Vegas of straks op het ‘eiland van het geluk’ in het Abou Dhabi van de oliesjeiks.

Was Gay dan toch té enthousiast toen hij die wonderbaarlijke schepping van Gehry in Bilbao zag? Misschien is het voor hem allemaal begonnen met dat gesigneerde pissoir van Marcel Duchamp. Zijn invloed was alomtegenwoordig, hij was ‘de meest geciteerde profeet van de armzalige toekomst die voor de kunst was weggelegd’. Zijn radicale uitspraak dat alles – letterlijk álles – als kunstwerk beschouwd kon worden, met inbegrip van zijn eigen werk, ‘vereiste geen nader onderzoek of belezenheid’. Wat je sinds 1960 in galeries ziet, dat soort door cultuurcritici geprezen ‘protestants pluralisme’, is voor de historicus Peter Gay alleen maar een symptoom van een avant-gardecultuur die al langer in moeilijkheden verkeert, uiteindelijk vooral wat de stijl ‘modernisme’ betreft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden