Het lijkt hier inderdaad wel Guantánamo Bay

Vandaag een greep in mijn brievenbus. Bij de ingekomen post zitten namelijk een paar brieven van lieve rechtse mensen die zich afvragen waarom ik plotseling zo links ben geworden....

Vroeger, toen we nog jong waren, in die goede oude tijd van Pim Fortuyn, schreef ik immers nog met zoveel sympathie over Pim en de politieke revolte in Nederland, over het opkloppen van de bedden, het afschaffen van de oude linkse taboes. Waarom ben ik tegenwoordig dan zo weinig blij met hoe het verder gaat?

Kijk, het antwoord is simpel. De Fortuyn-revolte was een poging om vergeten groepen aan het woord te laten; al die mensen wier belangen waren verwaarloosd kregen opnieuw een stem. Dat was democratisch, en het was eerlijk en rechtvaardig, en goed voor het sociale evenwicht. Maar zodra die boodschap overal was doorgedrongen, sloeg de stemming om.

Nu lijkt de nieuwe politiek alleen nog een bevestiging van oude belangen, een optelsom van anti-standpunten, anti-buitenlanders, anti-links, anti-instituties. Zo doet de aanvankelijk zeer vitale revolte van het volk tegenwoordig vooral denken aan dat liedje van Groucho Marx waarin hij overal tegen is en nergens voor. ‘Whatever it is, I'm against it. No matter what it is or who commenced it, I'm against it.’

Het gevolg is dat ik de laatste maanden in allerlei vergaderingen te horen krijg dat oplossingen voor problemen voorlopig worden opgeschort. ‘Het zou heel goed zijn om het te gaan doen, maar we gaan het niet doen, want daar is de politieke situatie niet naar.’ Alsof alle Nederlanders hebben bedacht dat al die andere Nederlanders niets meer willen, niets meer hopen en geloven, en dat we dus stoppen met de vooruitgang. Persoonlijk wil ik me daar nog niet bij neerleggen, want die andere Nederlanders, dat zijn toch gewoon die lieve rechtse en lieve linkse mensen van de Fortuyn-revolte? Die doen toch geen vlieg kwaad?

Ik stel dus voor dat we ons de komende tijd normaal blijven afvragen wat eerlijk, rechtvaardig en democratisch is. Er is niets mis mee om uit te rekenen hoeveel de immigratie economisch kost. Er is ook niets mis mee om na te gaan of buitenlanders juridisch netjes worden behandeld. Nu Nederlandse hoogwaardigheidsbekleders zich deze week tegenover Hilary Clinton laten voorstaan op de Nederlandse traditie van mensenrechten, kan het geen kwaad ons ook eens af te vragen hoe het eigenlijk staat met de mensenrechten in Nederland.

Dus, vooruit, daar gaat ie: vorige week berichtte Trouw over de mislukte uitzetting van vreemdelingen. Het Europese Hof van de Rechten van de Mens in Straatsburg had zijn twijfels over een veilige terugkeer van Afghanen naar Afghanistan en hield daarom de uitzetting tegen.

Het was het zoveelste bericht in de slepende zaak van honderden vreemdelingen, de meeste van hen uit Afghanistan, die in Nederland zijn gestrand. Ze worden niet toegelaten, want ze worden op vage gronden beschuldigd van oorlogsmisdrijven. Ze worden niet teruggestuurd, want dat is niet veilig. Ze worden niet berecht, want daarvoor heeft Nederland geen geld en geen mankracht. Zo zijn ze zonder proces schuldig verklaard en leven ze al tien jaar met de dagelijkse angst te worden opgepakt.

Toen vorig jaar een van deze Afghanen inderdaad werd opgepakt en buiten bereik van zijn vrouw en kinderen gevangengezet, sprak een asieladvocaat duidelijke taal over die aanpak. ‘Mensen zonder rechtsbescherming maandenlang opsluiten. Dit lijkt wel Guantánamo Bay in Nederland.’

De zaak sleept intussen al eindeloos. In de jaren negentig waarschuwde Amnesty dat met de stroom vluchtelingen uit Afghanistan ook medewerkers meekwamen van de geheime dienst KhAD, die tijdens de Russische bezetting in Afghanistan uiterst gewelddadig had huisgehouden. Nederland besloot daarop in één klap alle vroegere medewerkers van de geheime dienst te beschouwen als oorlogsmisdadigers. Zo kon hun op grond van Artikel 1F van het vluchtelingenverdrag een verblijfsvergunning worden geweigerd.

Deze collectieve schuldigverklaring was misschien efficiënt, maar op niets gebaseerd. Fred Teeven, toch niet de meest teerhartige crimefighter die Nederland kent, bekeek als officier van justitie zevenhonderdvijftig dossiers en kwam tot de conclusie dat het in ruim vijfhonderd van die gevallen ging om personeel dat je niet zomaar in verband kunt brengen met de oorlogsmisdaden van een regime of een overheidsdienst. Chauffeurs, kantinemedewerkers, typisten. Hij pleitte daarom voor herziening, maar die kwam er niet.

Elders, zoals in Engeland, werden de zaken wel individueel onderzocht en berecht; daar kregen veel Afghanen een legale status. Maar in Nederland blijft het tot nu toe vrijwel onmogelijk de individuele onschuld te bewijzen; na meer dan tien jaar zijn twee van die honderden Afghanen veroordeeld omdat ze inderdaad schuldig waren aan oorlogsmisdaden, de anderen blijven met hun familie in een juridisch niemandsland hangen. Ze kunnen niet voor- en niet achteruit.

Strafrechtjurist Ybo Buruma schreef vorig jaar in het Nederlands Juristen Blad dat men overal ter wereld probeert verstandig om te gaan met de nasleep van oorlog en chaotische politieke situaties. Dat vraagt om toekomstgerichte juridische procedures, en Nederland loopt daarin met zijn rigide aanpak bepaald niet voorop. ‘Laten we de zaken tegen de 1F-Afghanen seponeren nu we na tien jaar de schuld nog niet hebben kunnen vaststellen en hen hier een plaats geven.’

Ja, laten we dat doen. Dat is geen kwestie van links of rechts zijn, lieve briefschrijvers, maar van fatsoen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden