Het lijden van de jonge Hans

HIJ IS DE DICHTER van één bundel, Het innerlijk behang. Het boek verscheen in 1949, kort voor zijn dood op 26 juli 1950, in een kliniek in Lausanne, op zijn 26ste....

Nooit zou hij weten dat hij met die ene bundel nog enige roem zou vergaren. In de literatuurgeschiedenis werd hij ingelijfd als 'wegbereider' van de Vijftigers, zoals de ook al jammerlijk jong gestorven Jacques Perk dat was geweest voor de Tachtigers. De typering zou hem, als hij de jaren vijftig nog had meegemaakt, verbaasd hebben. Lodeizen was belezen, goed thuis in de klassieken, hij las de Duitse, Franse en Engelse romantici en filosofen, hield van Mozart en Ravel. Hij koesterde een 'modern' levensgevoel, voelde zich 'vervreemd' van de bezige mensenwereld, maar met de jonge Nederlandse literaire en artistieke milieus had hij weinig op. Met heel Nederland niet. Hij verafschuwde het land van zijn vader, die hem zo graag 'in de zaak' had gezien.

De dichters van Vijftig moeten het grote, ontluikende talent hebben herkend van de jongen die, ondanks de afwezigheid van rijm en hoofdletters in zijn poëzie, nog vrij traditioneel dicht. Anders dan jongens uit Amsterdamse volksbuurten als Lucebert en Schierbeek, de jazzliefhebbers en vrouwenveroveraars, de bestormers van het Stedelijk, was hij stil en teruggetrokken. Een homoseksuele, ietwat verwende rijkeluiszoon uit Wassenaar.

Ondanks zijn opmerkelijke aanleg voor toneel, talen en natuurwetenschappen was hij geen ster op school. Zijn ouders stuurden hem naar een duur college in Amerika. Daar lummelde hij wat rond, verveelde zich op cocktailparty's en werd wanhopig verliefd op mooie hetero-jongens uit rijke kringen. Aan zijn grote liefde Seldon, die zijn avances wreed afwees, droeg hij later zijn bundel op.

Lodeizen werd vooral - net als Slauerhoff - een eeuwige adolescentendichter. Volgens zijn biograaf Gerard Bles, van wie onlangs Hans Lodeizen 1924-1950 - Liever liefde dan gedichten verscheen, doet die typering hem tekort. Dat is nog maar de vraag. Lodeizen is nooit aan zijn 'volwassen' poëzie toegekomen, hij was nog maar net begonnen.

Zelf noemde hij poëzie 'een raadsel, maar een raadsel dat in de hand ligt, niet begrijpelijk en onthullend: een vergezicht op het begrijpen'. En het is precies dat mengsel van geheimzinnigheid en verstaanbaarheid zonder rede, dat zijn poëzie zo mateloos aantrekkelijk maakt voor wie poëzie begint te lezen.

Regels als 'o kus mij, o omarm mij/ ik heb lang in de regen gestaan', en 'o - mijn vriend - deze wereld is niet de echte' - welke eenzame achttienjarige zou daar niet mee instemmen?

Of het vaag-poëtische 'de moeheid in een bootje/ roeit langs geweldige steden': wat er precies mee gezegd wordt, doet er niet toe, maar het loden gevoel klopt helemaal.

Lodeizen strooit met sprookjesachtige wendingen als 'kijk! je schoenen zijn van perkament!', of 'wij gaan met 13 knoop naar Tampico', maar verzucht even later net zo makkelijk: 'waarom heb je me toch laten gaan/ nu ben ik alleen'.

Het is aandoenlijke, lieve poëzie, die zich misschien, nu, makkelijk laat nadoen, maar waarin een onmiskenbaar eigen geluid klinkt. Lodeizen had een groot dichter kunnen worden, en hij wist het. Zoals hij er ook voor de zekerheid maar altijd van uitging dat hij niet oud zou worden.

Ook Gerard Bles, leraar Nederlands, maakte als adolescent kennis met Lodeizen. De bewondering bleef. Indachtig de regels 'ik zal zijn voetstappen in de/ wereld opzoeken en vervolgen', spoorde hij Amerikaanse vrienden van de dichter op, en sprak hij met velen die hem hadden gekend.

De biograaf naderde in de loop der jaren zijn onderwerp zo dicht, dat hij hem in de biografie die het gevolg is van het volgen van 's dichters sporen, van de eerste tot de laatste pagina consequent met 'Hans' aanduidt. Dat bezorgt je bij het lezen een ongemakkelijk, klef gevoel. Lodeizen is ineens niet een door velen geliefd dichter, het is Bles z'n 'Hans'.

Het is geen geslaagde biografie. Bles heeft ongetwijfeld veel mensen gesproken, en veel nagelaten documenten onder ogen gehad, maar gaat uiterst rommelig en slordig om met zijn bronnen. Een verantwoording van de aanpak ontbreekt. Wie heeft hij precies gesproken? Wat zijn het voor egodocumenten waaruit hij te pas en te onpas citeert? Soms zijn er brieven, dan weer lijkt er sprake van een dagboek. Via de noten komen we er niet achter.

Daarbij heeft Bles een wonderlijke manier van citeren. Als er een 'ik' voorbijkomt, moet je telkens gissen wie dat is: Bles, Lodeizen of degene met wie is gesproken. Bles vertelt bijvoorbeeld dat 'hij', Hans dus, door het Haagse bos fietst. Twee jongetjes proberen bij voorbijgangers een tak tussen de spaken te steken. En dan ineens staat er: 'Maar toen ik aankwam en mijn oog fonkelde van plezier om een tak van ze in mijn wiel te krijgen of door ze geslagen te worden, hield de blonde de donkere tegen.' De aanhalingstekens staan niet in Bles' boek, de hij wordt gewoon een ik, die zich iets herinnert. Het lijkt te duiden op verregaande vereenzelviging. Bles verzint zich een 'Hans', met gedachten en al.

Vervelender is dat er al met al geen coherent beeld oprijst van Hans Lodeizen, de jongen die dichtte omdat hij niet in staat bleek aan het leven deel te nemen, die eigenlijk 'litteratuur' maar een lapmiddel vond. De brug tussen leven en werk wordt niet geslagen. De biografie slaagt er maar niet in de poëzie te ontsluiten, ook al grossiert Bles in 'toepasselijke' dichtregels.

De bleke, eenzelvige jongen met zijn hang naar de 'andere' wereld is iemand die het cliché van de aan het leven lijdende poeet, de in de knop gebroken, wegkwijnende bloem, al te makkelijk oproept. Bles meet het cliché gretig breeduit.

Lodeizen stierf aan leukemie, een vorm van kanker aan de witte bloedlichaampjes waarvan de oorzaak ook nu nog onbekend is. Maar Bles citeert onbekommerd ene psychiater Loois, die in 1960 meende dat besmetting door de tuberkelbacil - bepaald niet hetzelfde - vaak plaatsvond 'na een periode van diepe twijfel'. Onmiddellijk projecteert hij deze theorie op het lijden van de jonge Hans. Die twijfelde immers ook diep. En ja, romantisch dichtertje, hè, treurde al jaren om een verloren liefde, vandaar die leukemie. Ziekte als gemakzuchtige metafoor: Susan Sonntag rekende er al lang geleden afdoende mee af.

Zulke kletspraat is typerend voor de aanpak van biograaf Bles. Hij heeft zijn verhaal over Lodeizen, en hij graait links en rechts wat hij kan gebruiken in dat verhaal bijeen, al dan niet geciteerd.

Het lezen van deze biografie heeft één gelukkig gevolg. Je wordt bijna gedwongen al zijn nagelaten gedichten nog eens te lezen. Ja, het is hier en daar kinderlijke en onbeholpen, soms wat aanstellerige, maar altijd echte poëzie. Een nieuwe studie waard.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden