InterviewNecrofilie

Het lichaam van hun overleden moeder werd misbruikt en toch kan de dader niet worden gestraft

null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

Drie zussen vertellen hoe ze niet alleen ontdekten dat het lichaam van hun overleden moeder is misbruikt, maar ook dat dat niet strafbaar is. Ze vroegen het ministerie van Justitie om maatregelen, maar kregen nul op het rekest.

Het is warm als Josje die zaterdag de deur van het mortuarium open maakt. Buiten woedt een hittegolf, binnen is het 6 graden. Het is juli 2018. De ventilatoren draaien op hun hardst.

Sinds twee dagen ligt haar overleden moeder hier opgebaard, in de aula van een klein dorp ergens in Nederland. Het mortuarium is een grijs, onopvallend gebouwtje achter de kerk, vlak bij het bos. ’s Avonds hangen hier weleens jongeren rond. Josje heeft de sleutel van de beheerder gekregen, zodat zij en haar familie op elk moment langs kunnen komen.

Ze voelt zich verdrietig en energiek tegelijk. Met haar oudste zus heeft ze in het ziekenhuis vier dagen en vier nachten gewaakt naast haar stervende moeder. Na haar overlijden hebben ze hun moeder, die 76 is geworden, samen in de eikenhouten kist gelegd. Ze hebben haar aangekleed in een zwarte rok en een zwartblauw truitje en haar haar blauwe lievelingsketting omgedaan. Mooi en eenvoudig. Op haar lippen deden ze roze lippenstift.

Het is half twaalf in de ochtend als Josje met een vriendin kalm op het witte gordijn in het mortuarium af loopt. Ze schuift het opzij en kijkt naar haar moeder. En kijkt nóg eens. ‘Mam, wat is dít nou?’, roept ze uit. ‘Dit vind ik niet mooi hoor. Wie heeft dit gedaan?’

De linkerschouder van haar moeder is deels ontbloot, waardoor haar bh-bandje zichtbaar is. De wit-satijnen doek die haar lichaam deels bedekte, is kapot en ligt aan weerszijden van de kist. De benen van haar moeder liggen anders. Uit elkaar. Haar rok en trui zitten scheef en de ketting ligt strak om haar nek. De lippenstift zit niet meer op haar mond.

Voor ze na kan denken, begint Josje haar moeder weer recht te leggen, zo goed als ze kan. De ketting, haar rok, haar shirt. Maar dan stopt ze. Mag ze haar moeder nog wel aanraken nu? Ze kijkt haar vriendin geschrokken aan.

‘Dit is niet goed, joh’, zegt ze tegen haar.

*

Aan de keukentafel zitten de drie zussen vanavond bij elkaar: Josje, Marjolein en Femke. Hun verhaal is zo vreemd, macaber en moeilijk dat ze lang aarzelden of ze het wilden vertellen. Toch praten ze vanavond over wat hen overkwam, met medeweten van hun broer. Het verhaal is hun versie van de gebeurtenissen, maar wordt op de belangrijkste punten bevestigd door documenten in bezit van de Volkskrant en door het Openbaar Ministerie.

Ze weten dat dorpsgenoten hun relaas zullen herkennen; veel van hen weten wel dat er iets is gebeurd met hun moeder. Althans, ze weten óngeveer wat er heeft plaatsgevonden. De wildste verhalen deden hier de ronde. Toch willen de zussen in dit verhaal anoniem blijven, om anderen en ook zichzelf te beschermen: het is al pijnlijk genoeg.

Bovendien zoeken ze geen zondebok. Ze willen geen wraak, geen sensatie – zo zitten ze niet in elkaar. Josje en haar twee zussen zijn nuchtere, optimistische types. Mensen die niet snel zeuren, die zich bescheiden opstellen en die dingen oplossen. Het liefst zouden ze hier vanavond niet aan de keukentafel zitten. Maar ze doen dit omdat ze vinden dat er iets moet veranderen in de wet. Ze richten zich daarbij expliciet tot minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid.

‘Wij willen niet dat anderen dit óók overkomt’, zegt Marjolein.

*

Als Josje die zaterdag de aulabeheerder belt, vertelt die dat ze die ochtend nog bij haar moeder is geweest. Ze komt elke dag even om te kijken of alles in orde is.

‘En?’, vraagt Josje. ‘Wat zag je?’

Even is het stil.

‘Ja’, zegt de vrouw, ‘ik zag haar benen, maar ik dacht: als jullie dat als familie zo willen, dan heb ik daar niets van te zeggen.’

Josje maakt foto’s van haar moeder; ze heeft ze nog steeds op haar telefoon. Dan belt ze de begrafenisondernemer en vertelt ze dat haar moeder er anders bij ligt. ‘Er is geen haast bij’, zegt Josje rustig. ‘Maar ik zou graag willen dat je langskomt.’

Toch bekruipt haar gaandeweg een beklemmend gevoel. Is er iemand binnengeslopen? Heeft ze de deur gisteravond wel goed dichtgedaan? Ook schiet er een vraag door haar hoofd die er niet meer uit wil: was haar moeder wel écht dood?

Om half een belt Josje de begrafenisondernemer opnieuw, maar ditmaal is haar toon alarmerender. ‘Je moet nú komen’, zegt ze. ‘En kom alsjeblieft niet alleen.’

Vanaf dat moment raken ze niets meer aan.

*

De begrafenisondernemer heeft haar directeur meegenomen. Ze maken weleens vaker mee dat iemand er anders bij ligt: soms hebben nabestaanden in hun rouw moeite de overledene los te laten. Dus aanvankelijk keken ze niet zo op van het telefoontje. Maar dit is anders, zeggen ze. In de hal vinden ze een van de nietjes, waarmee het satijnen doek zat dichtgeniet.

De directeur ziet er geschokt uit. ‘Hij zei: ik kan je niet vertellen wat hier is gebeurd, maar dit is niet normaal’, vertelt Josje. ‘Daarna zei hij: ‘We kunnen twee dingen doen: óf we leggen haar recht en we laten het zo, óf we bellen de politie.’’

De man van haar oudste zus, die net is aangekomen, reageert aangedaan. ‘Dit kan echt niet’, zegt hij. ‘Hier moeten anderen naar kijken. We bellen de politie.’

Volgens Josje waarschuwt de directeur hen voor wat zoiets teweeg kan brengen in de familie. ‘Hij zei: ‘Weet wat je doet als je de politie belt.’’

*

Twee lokale agenten arriveren bij het mortuarium. ‘Ze stonden verslagen bij de kist’, vertelt Josje. Ze zeiden: ‘Dit hebben we nog nooit meegemaakt, we weten niet waar we moeten beginnen.’’

Hoewel onduidelijk is wat er is gebeurd, hebben de agenten één groot probleem: wat de dader ook met hun moeder heeft gedaan, juridisch kunnen ze daar weinig mee. Lijkschennis is in Nederland niet strafbaar.

De agenten bellen met justitie. ‘Ik hoorde dat ze een officier van justitie aan de lijn kregen’, zegt Josje. ‘Die zei: ‘Leg alle bewijzen vast. We weten nog niet of we het kunnen gebruiken, maar doe het maar. Zet alles maar in werking, het zedenpakket, alles.’’

Voor ze het weten, ziet het zwart van de mensen, zowel binnen als buiten het mortuarium: politieagenten, forensisch rechercheurs, het aulabestuur, uitvaartbegeleiders. De aula wordt afgezet met roodwitte linten. Marjolein: ‘Ik stond buiten naast het aulabestuur en ze wisten niet wat ze tegen me moesten zeggen. Ik wist ook niet wat ik tegen hen moest zeggen.’

*

De rechercheurs sturen iedereen naar buiten en beginnen met het verhoor van Josje. Ze vragen naar de sleutel van het mortuarium. Wie kon erbij? Waar was ze vannacht? Heeft ze een alibi? Welke arts verklaarde haar moeder dood? Hoe heeft ze haar die ochtend precies aangetroffen? ‘Ze gingen zo lang door dat ik op een gegeven moment dacht: word ík soms verdacht? Ik begon ook aan mezelf te twijfelen: had ik het allemaal wel goed gezien?’

Ze voelt zich schuldig: ze heeft het gevoel dat ze bewijs heeft ‘weggehaald’ door de poging haar moeder weer recht te leggen.

In de aula zijn geen braaksporen: de voordeur en de ramen zijn intact. Wel liggen er een bekertje en een sigarettenpeuk. Maar verder heeft de recherche weinig aanknopingspunten. Er zijn juist veel te veel opties. Marjolein: ‘Er bleken sleutels van de aula weg die al jaren niet meer te traceren waren. Er was geen waterdicht sleutelplan.’ Femke: ‘Alle bloemisten uit de regio hadden een sleutel.’

Die avond zit de hele familie bij elkaar en begint de discussie: wie moeten ze verdenken? ‘Alles ging door mijn hoofd’, zegt Marjolein. ‘Boven stond een klein klapraampje open. Was er een wild dier binnen geweest? Een inbreker? Had iemand het op haar sieraden voorzien?’ Ze kunnen zich niet voorstellen dat hun moeder vijanden had. ‘Iedereen noemde haar oma. Ze was geliefd.’

Haar zus Femke voelt dan al dat er meer aan de hand is. Ze denkt dat iemand uit de begrafeniswereld aan haar moeder heeft gezeten. ‘Wie stopt zo’n satijnen doek anders zo in aan de zijkant? Ineens vond ik iedereen verdacht die zich die middag in het mortuarium raar had gedragen.’

Nog dezelfde avond geeft de recherche het lichaam van hun moeder vrij en besluit de familie haar te verplaatsen naar een ander mortuarium. Josje en Femke leggen hun moeder zelf in de koelcel; ze laten niets meer aan het toeval over. ‘Ik móest weten waar ze nu lag’, zegt Josje. Voordat ze vertrekt, kijkt ze nog één keer goed naar haar.

‘Mam, mam’, zegt ze. ‘Vertel het me toch. Wat is er met je gebeurd?’

De recherche stuurt de sporen naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), maar daarna blijft het lang stil. Het NFI wordt in die tijd zwaar belast door de zaak-Nicky Verstappen. In de familie leidt de onzekerheid tot hoog oplopende emoties. Josje belt bijna elke week met de recherche. ‘Ik dacht: ik hou gewoon vol.’

*

Het is maart 2019, driekwart jaar na de dood van haar moeder, als Josje een telefoontje krijgt van de recherche. ‘Zit je?’, vraagt de rechercheur.

‘Ja’, zegt Josje. ‘Kom maar op.’

De rechercheur vertelt dat er door het NFI vreemd dna is aangetroffen in de vagina van haar moeder. Er zitten y-chromosomen in. ‘Het betekent dat het een man is geweest’, zegt de rechercheur. ‘Ik weet nog dat je bij me op de stoep stond om dat te vertellen’, zegt Marjolein tegen haar zus. ‘Ik werd er koud van.’

Een maand later krijgt Josje opnieuw een telefoontje. ‘De rechercheur zei: ‘Schrik niet, maar we hebben de verdachte in de auto.’’

De politie blijkt een dna-match in de databank te hebben gevonden. ‘Ze hadden hem die ochtend in burger opgehaald. Hij had meteen in de auto bekend dat hij in de aula was geweest.’ Een verdachte – dit is het moment waarop ze hoopten, maar ook het moment dat ze na al die tijd niet meer hadden verwacht. Femke, misschien wel de nuchterste van de drie, vertelt dat ze die dag niet meer kan ophouden met huilen.

De zussen beschrijven wat ze van de recherche te horen krijgen: de verdachte is een 18-jarige jongen, hij heeft autisme en een laag IQ. ‘Hij had hen verteld dat hij de aula binnen was gekomen door zijn vingers achter een nooddeur te zetten en er een ruk aan te geven’, zegt Josje. ‘De hendel was lam. Vervolgens is hij doorgelopen naar het keukentje, heeft hij een glas water gedronken en drugs gebruikt.’

Daarna heeft hij ‘ontuchtige handelingen’ verricht met het lichaam van hun moeder. ‘Ze denken dat hij ongeveer anderhalf uur binnen is geweest’, zegt Josje. ‘Hij heeft de politie verteld dat hij die avond naar de aula was gefietst om troost te zoeken’, aldus Marjolein. ‘Zijn moeder was eerder overleden en zij had ook in die aula gelegen.’ Femke: ‘Tijdens het verhoor beweerde hij dat dit de eerste keer was dat hij zoiets deed. Wel was hij volgens de politie eerder aangehouden voor brandstichting.’

De drie zussen zijn verdrietig als ze dit horen, maar ook boos, geschokt en in de war. ‘Ik kan er nog steeds niet bij dat je een vrouw van 76, onze moeder, opgebaard ziet liggen en dan dit bedenkt’, zegt Marjolein. ‘Hij heeft hier een jaar mee rondgelopen en het nooit met iemand gedeeld. Ik heb me zo vaak afgevraagd of hij dit vaker heeft gedaan. Ik denk telkens: stel dat de begrafenisondernemer was gekomen en haar had recht gelegd, hadden we dit dan ook geweten? Zou dit niet veel vaker voorkomen?’

Ergens voelen ze ook opluchting: ze hebben het zich niet verbeeld. ‘Ik begon me steeds vaker af te vragen of ik het wel goed had gezien’, zegt Josje. Ook weten ze nu dat hij hun moeder niet kende. Zelf kennen ze hem oppervlakkig uit het dorp.

Een tijd later zijn twee zussen toevallig in de buurt van het mortuarium. ‘Even wat checken’, zegt Marjolein, en ze loopt naar de achterkant. ‘Ik zette mijn vingers achter de nooddeur’, vertelt ze. ‘En klik. Open.’ Dus dat deel van zijn verhaal klopte in elk geval, constateert ze.

*

Het is juni als ze gedrieën het politiebureau binnenlopen voor een ontmoeting met de vader van de 18-jarige dader; ze hebben er zelf om gevraagd.

‘Zijn vader was emotioneel tijdens het gesprek’, aldus Marjolein. ‘Ik vroeg hem of zijn zoon een seksueel probleem had’, zegt Femke. ‘Maar hij vond van niet.’ Ze horen dat de jongen vaker in aanraking is gekomen met de politie, dat hij na zijn aanhouding een paar weken op vrijwillige basis in een kliniek heeft gezeten en later begeleid is gaan wonen. Maar ze komen niet te weten welke behandeling hij heeft gekregen. Zijn vader zegt in een reactie aan de Volkskrant dat hij inmiddels zelf heeft geregeld dat zijn zoon nu in een gesloten instelling zit.

Een paar maanden later zitten ze bij het Openbaar Ministerie om het probleem in hun zaak te bespreken: wat kan justitie doen? Een dader die een overledene seksueel misbruikt, gaat volgens het Nederlandse strafrecht vrijuit: dit staat simpelweg niet in het wetboek van strafrecht. Een overledene wordt juridisch beschouwd als een voorwerp, als een ‘goed’. Verkrachting is onmogelijk, want er is geen sprake van dwang of iets wat tegen de wil gebeurt.

‘Ze konden hem alleen aanklagen voor huisvredebreuk en voor vernieling van de kist’, zegt Josje. ‘Dat zou misschien een taakstraf of een geldboete van 200 euro opleveren.’ Niettemin overweegt de officier van justitie de zaak tóch voor de rechter te brengen. Zo hoopt hij aandacht te vragen voor dit probleem. ‘Hij moest het alleen nog met hogerhand overleggen.’

Het antwoord wordt de zussen al snel duidelijk. ‘Na twee weken werden we opnieuw uitgenodigd’, zegt Marjolein, ‘en hoorden we dat de rechtszaak niet doorging. De officier van justitie had een brok in zijn keel. Zij hadden hier heel hard voor gewerkt, net als de recherche. Maar het was afgeketst.’

Het OM zegt achteraf dat het zich terdege bewust was van de ‘enorme impact’ van de zaak op de nabestaanden. ‘De officier van justitie heeft desondanks besloten om de zaak voorwaardelijk te seponeren, vanwege de geestelijke gezondheidstoestand van de verdachte, die kampt met forse psychische problemen’, aldus een woordvoerder. Met een veroordeling voor vernieling of lokaalvredebreuk zou de verdachte nooit in aanmerking komen voor gedwongen hulpverlening, stelt het OM. Ook zou zo’n veroordeling dan ‘niet in verhouding staan tot de ernst van de gebeurtenis en de grote impact van deze zaak’. Daarbij is meegewogen dat de verdachte zelf vrijwillig hulp heeft gezocht. Al is het OM ‘niet betrokken bij de inhoud en de duur van de behandeling en volgt het OM het verloop verder niet’.

Toch laat het OM het er niet bij zitten. Nog diezelfde maand vraagt de hoofdofficier in een brief aan het College van procureurs-generaal – het landelijk bestuur van het OM – ‘de eventuele strafbaarstelling van ontuchtige handelingen met het lichaam van een overledene onder de aandacht te brengen’ bij het ministerie van Justitie.

Het OM krijgt nul op het rekest.

Dan nemen de zussen een besluit: ze schrijven zelf een brief aan minister Grapperhaus. Ze vragen hem de wet aan te passen en necrofilie strafbaar te stellen. ‘Wat ons is overkomen, gunnen we niemand’, schrijven ze in een uitgebreid betoog. ‘We zijn beschadigd en zullen dit ons hele leven met ons meedragen.’

Ze maken zich zorgen over het feit dat er in hun dorp nu een jongen rondloopt die niet gedwongen kan worden behandeld voor een mogelijke seksuele stoornis. Gaan er meer slachtoffers vallen? In de brief vragen ze zich af of het nu wachten is op een ‘nog erger strafbaar feit’, zoals de officier van justitie hen voorspiegelde.

Voor Femke weegt dit het zwaarst. ‘Ik ben niet zo bezig met de straf’, zegt ze. ‘Maar ik heb wél vanaf het begin gedacht: deze jongen heeft behandeling nodig. Hij is nog zo jong, hij heeft een heel leven voor zich.’

Het antwoord van minister Grapperhaus, dat namens hem wordt geschreven door het hoofd juridische zaken, is aanvankelijk meelevend. Dit is ‘respectloos, mensonwaardig en kwetsend’, schrijft hij, ‘maar ook schokkend voor de samenleving als geheel’.

Dan wordt de toon zakelijker. Hij verwijst naar een onderzoek door het WODC, het kennisinstituut van het ministerie, naar zedendelicten, waarbij ook seksueel misbruik van overledenen is bekeken. ‘In de praktijk gaat het om een zeer beperkt aantal gevallen waarin de handelingen meestal gepaard zijn gegaan met het om het leven brengen van de betrokkene’, aldus de brief. ‘In die gevallen was er sprake van de ernstige misdrijven als moord en doodslag.’

Met andere woorden: de daders werden tóch al streng bestraft. Alleen niet voor het misbruik.

Maar hoe moet het dan als er geen sprake is van moord? Ook dan zijn er nog voldoende juridische mogelijkheden om verdachten aan te pakken, beweert het hoofd juridische zaken namens Grapperhaus. In zijn brief somt hij er een paar op. Inbraak. Vernieling. Grafschennis. Hij gaat niet in op het feit dat dit alleen al in hun zaak niet mogelijk was. Zijn conclusie: seksuele handelingen met een overledene worden niet strafbaar. Die benadering lijkt hem ‘opportuun’, schrijft hij. En verder wenst hij hen sterkte.

De weigering van Grapperhaus is een klap in hun gezicht. ‘Gevoelloos en kil’, zegt Josje. ‘Ik dacht: heeft hij het wel goed gelezen?’, zegt Femke. ‘Het gaf me het gevoel dat onze zaak niet belangrijk was’, zegt Marjolein.

In de moordzaken waarop het ministerie doelt, kregen de verdachten weliswaar zware straffen voor dit levensdelict, maar in de vonnissen is ook duidelijk te lezen hoezeer rechters worstelden met het gebrek aan wetgeving op het gebied van misbruik.

Zo vermoordde een 18-jarige jongen uit Amsterdam in 2013 een 91-jarige vrouw en had hij daarna seks met haar. Hij werd veroordeeld tot tbs en 12 jaar cel, maar vrijgesproken van verkrachting. Wel stelde de rechter dat hij ‘op weerzinwekkende wijze met het stoffelijk overschot van het slachtoffer was omgegaan’ en dat hij de nabestaanden ‘onvoorstelbaar en onherstelbaar leed’ had berokkend. Het hof noemde het ‘schokkend’ dat hij zo weinig respect had voor de medemens en haar nagedachtenis.

In een andere zaak uit 2014 doodde een 29-jarige man zijn vriendin en misbruikte hij haar. De man kreeg 4 jaar cel en tbs. In de rechtszaal werden meerdere deskundigen geraadpleegd over de vraag of de vrouw wel of niet dood was tijdens de seks. Uiteindelijk sprak de rechter ook hem vrij van verkrachting, ‘hoe verwerpelijk een dergelijke daad ook is’. Wel stelde de rechter dat de verdachte het lichaam op ‘weerzinwekkende wijze’ had behandeld.

In een zaak uit 2014, waarin een 25-jarige man zijn 21-jarige ex-vriendin vermoordde, werd de dader eveneens vrijgesproken van verkrachting, omdat niet kon worden bewezen dat ze nog leefde. Het hof schreef dat de ‘rechtsorde ernstig was geschokt door de wrede daad van de verdachte’.

Ook in de zaak Milly Boele, het 12-jarige meisje dat door buurman en agent Sander V. werd vermoord, werd de dader aanvankelijk niet veroordeeld voor het seksueel misbruik, omdat de rechtbank toen niet kon vaststellen dat ze nog leefde.

Drie hoogleraren die zich bezighouden met forensische wetenschappen of seksueel delinquenten stellen dat deze omissie in de Nederlandse wet moet worden rechtgezet.

‘Het is onwenselijk dat seksueel misbruik van een lijk niet strafbaar is’, zegt hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie Jan Hendriks van de VU. ‘Daders kunnen behandeld worden, maar daar heb je wetgeving voor nodig. Veel seksueel delinquenten ervaren zelf niet dat ze een probleem hebben. Daar is dwang en drang voor nodig.’

‘Ik ken weinig delicten waarvan ik vind dat ze nog moeten worden opgenomen in het wetboek van strafrecht’, zegt hoogleraar forensische geneeskunde en gezondheidsstrafrecht Wilma Duijst van de Universiteit Maastricht. ‘Maar hiervan zeg ik: doen. Maak lijkschennis strafbaar. Zet dit recht. Het lichaam verdient respect, ook na de dood. Dit is ethisch onaanvaardbaar. Voor nabestaanden is dit onverteerbaar.’

‘In de ons omringende landen zoals Frankrijk en Duitsland is het wél strafbaar’, stelt ze. ‘We denken nu dat dit zeldzaam is, maar je kunt je afvragen hoe zeldzaam dan. Dit gebeurt zo stiekem dat het lang niet altijd zal worden ontdekt. Dat komt óók doordat het nu niet strafbaar is en de politie er dus niets mee kan. Als dit een familie had getroffen die meegaander was geweest, dan hadden we hier nooit meer iets van gehoord.’

‘Het is zinvol om dit strafbaar te stellen’, zegt ook Hjalmar van Marle, emeritus-hoogleraar forensische psychiatrie, voormalig geneesheer-directeur van het Pieter Baan Centrum en voormalig adviseur van het ministerie van Justitie. Ook hij stelt dat dit vaker gebeurt dan nu aan het licht komt. ‘Ik heb in mijn carrière een aantal mensen behandeld die dit op hun geweten hadden en mijn ervaring is dat er altijd een steekje los zit aan deze daders. Mensen hadden bovendien altijd meerdere delicten op hun geweten. Het heeft zin deze mensen op te sporen en ze psychiatrisch te onderzoeken, om een idee te krijgen over het recidivegevaar. Als je deze daders niet behandelt, kan het van kwaad tot erger gaan, het gaat hier om zedendelinquenten.’

*

Het beeld van hun moeder in de kist – ze krijgen het niet meer van hun netvlies.

Nadat de dader was gevonden, spraken ze uitgebreid met de begrafenisonderneming. Ze nemen die niets kwalijk; ook zíj voelden al die tijd de druk van deze zaak op hun nek.

Ze hebben het gevoel dat ze geen goed afscheid van hun moeder hebben kunnen nemen. ‘We zijn er nog dagelijks mee bezig en we voelen ons machteloos’, schreven ze aan Grapperhaus. ‘Ik hou mezelf de hele tijd maar voor dat ze was al overleden toen het gebeurde’, zegt Marjolein. ‘Maar ik heb dit mijn kinderen nog niet kunnen vertellen.’ Femke: ‘Ik zal nooit meer een overledene in een kist kunnen zien liggen, zonder me zorgen te maken over wat er kan gebeuren. Dat dit kan en mag in Nederland – dat begrijp ik gewoon niet.’

Wat drijft daders met een necrofiele stoornis? En hoe vaak komt het voor?

‘Ik heb in mijn carrière één patiënt behandeld die werd ‘verdacht’ van necrofilie’, zegt hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie Jan Hendriks (VU), werkzaam bij forensische polikliniek De Waag. ‘Hij had iemand verkracht, maar tijdens het onderzoek kwam óók aan het licht dat hij in een mortuarium werkte waar in het verleden meermaals lijken waren aangetroffen met wie iets aan de hand was. Hij ontkende, maar er waren aanwijzingen dat hij betrokken was.’

Necrofilie of seksueel misbruik van overledenen – het klinkt zo macaber dat nauwelijks te geloven valt dat dit kan. Maar het gebeurt.

‘Bij een aanzienlijk percentage van de lustmoorden komen we er pas later achter dat eerst de moord is gepleegd en daarna de verkrachting’, zegt Wineke Smid, hoofd Onderzoek bij de Van der Hoevenkliniek, die onder andere tbs-patiënten behandelt. ‘Deze mensen hebben gruwelijke misdrijven gepleegd, maar kennelijk is het niet makkelijk om te bekennen dat een verkrachting na de dood heeft plaatsgevonden. Ze komen er niet zomaar mee over de brug. Terwijl ik denk: veel heb je dan toch niet meer te winnen. Zelf heb ik nog geen daders gezien die alléén voor overleden slachtoffers gaan. Misschien zijn die moeilijker op te sporen of wellicht komen die vanwege de wet ook nooit bij ons terecht.’

Hoogleraar Hjalmar van Marle, emeritus hoogleraar forensische psychiatrie, voormalig geneesheer-directeur van de Van Mesdag Kliniek en het Pieter Baan Centrum en adviseur van het ministerie van Justitie, behandelde drie tbs-patiënten voor deze stoornis. De daders die hij zag, pleegden meerdere misdrijven. ‘Ik heb nog nooit iemand ontmoet die dit als enige had gedaan’, zegt hij. ‘Meestal gebeurde het in combinatie met andere seksuele delicten.’

‘Eén man had meerdere vrouwen omgebracht met als doel om na hun dood seks met hen te hebben’, zegt Van Marle. Toch is er zeker niet altijd sprake van moord of doodslag. ‘Ik heb ook een necrofiele patiënt in mijn praktijk gehad die was veroordeeld voor aanranding, vernieling en brandstichting.’ Necrofiele daders hebben veelal antisociale en opportunistische trekken, stelt hij. ‘Brandstichting lijkt misschien een ander delict’, zegt hij, ‘maar ook die daders hebben vaak dergelijke kenmerken: erotiserend, heimelijk, uit op een kick en fantaserend over oneindige liefde en wraak.’

Er wordt gedacht dat necrofilie zelden voorkomt, maar eigenlijk is er nauwelijks onderzoek naar gedaan.

In de praktijk blijven zaken verborgen, zegt Van Marle. ‘In de veertig jaar dat ik in het vak zit heb ik dit veel vaker gehoord. Ik heb een beroepsgeheim dus ik kon er niets mee, maar in mijn praktijk heb ik meerdere mensen gesproken die toegaven dat ze dit hadden gedaan, terwijl ze om een andere reden in therapie waren. Ze schaamden zich ervoor het te vertellen. Het gebeurde in mortuaria, bij begrafenisondernemingen, in boerengemeenschappen, bij mensen die thuis liggen opgebaard. Ze zeiden dat ze er daarna nooit meer iets van hadden gehoord en dat de verleiding groot was dit nog eens te doen. Het gaat hen om seks met een vrouw, die willoos is, geen bedreiging vormt en feitelijk niemand is – want dood – op wie ze allerlei seksuele en erotische fantasieën kunnen projecteren. Door die fantasieën konden ze de onnatuurlijke situatie voor seks negeren. Begrafenisondernemingen hebben er geen belang bij om dit uit te zoeken, dus ik ben ervan overtuigd dat dit vaak wordt afgedekt.’

Al sinds de oudheid zijn gevallen van necrofilie bekend. ‘Bij soldaten en monniken die dodenwachten moesten houden, kwam dit nogal eens voor’, zegt Hendriks.

Sommige plegers zijn gelegenheidsdaders die bij toeval op een overledene stuiten, zegt Hendriks. ‘Maar er zijn ook mensen die hyperseksueel zijn en die ontzettende behoefte hebben aan seksuele prikkels. Als de normale seks dan niet meer voldoet, richten ze zich op andere dingen. Seks met dieren. Seks met kinderen. Seks met overledenen.’ Het gaat vaak samen met antisociale trekken, een laag IQ en weinig controle over de impulsen, zegt hij. ‘In wetenschappelijke publicaties beschrijven onderzoekers daders die zo geobsedeerd zijn door lichamen van overledenen dat ze werk zoeken in mortuaria, er inbreken of vrouwen doden om seks met hen te hebben. ‘Dit is een dwangmatige, ziekelijke aandoening’, zegt Van Marle. ‘Een perversie, waarbij innerlijke seksuele verlangens en dwangmatige fantasieën leiden tot deze bevrediging.’

De kans op herhaling stijgt als daders antisociale trekken hebben, zegt Hendriks, want dan zijn er minder remmingen. ‘Dat geldt ook als er drugs in het spel zijn en als er sprake is van hyperseksualiteit.’

‘Als dit één keer gebeurt, zou ik niet meteen durven zeggen dat iemand een necrofiele stoornis heeft’, zegt Smid. ‘Er kan ook een andere motivatie zijn. Zo kunnen jonge mannen die er niet echt bij horen een enorme drive hebben om een keer seks te hebben. Het is dus van belang om uit te zoeken of necrofilie de primaire drijfveer is. Dergelijke daden zijn wel zo afwijkend dat je denkt: hier moeten we nader naar kijken. Daarom zou het goed zijn als de wet verandert: met een veroordeling is zo’n onderzoek beter te verrichten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden