Het leven uit een dier zien vloeien, dat is niet zomaar iets

Column Eva Hoeke

Foto Robin de Puy

Het olijke beroep van stukjesschrijver had me wel vaker op vreemde plekken gebracht -een afkickkliniek in Laren, een vluchtelingenkamp in Irak, een snackbar in Oirschot - maar niet eerder had ik mezelf teruggevonden in een Gelderse griend, alwaar ik me zo goed en kwaad als het ging staande probeerde te houden in een met Moskouse mutsen getooid mannenbolwerk, dat op een bitterkoude dinsdagochtend met Brownings en Beretta's beesten uit het riet stond te schieten.

Echt iets voor mij, dierenvriend, fel antibontbelijder en parttimevegetariër.

Eigen schuld. Had ik een jaar eerder maar niet ja moeten antwoorden op de vraag of ik het levensverhaal wilde optikken van een Gelderse voormalig melk- en vastgoedboer in goeden doen, een man die de plezierjacht als voornaamste hobby had. En dus kreeg ik een camouflagejas te leen en ging ik mee op de eerste jachtdag van het seizoen die niet door de vogelgriep werd getorpedeerd.

Ik geloof dat ik vooral weerzin voelde toen ik die dag in alle vroegte aan kwam rijden. Weerzin tegen de dikke auto's op de oprit, die toebehoorden aan mensen die alles hadden bereikt, maar bij wie thuis geen boek te vinden was. Weerzin tegen de nerveuze honden op het terrein, weerzin tegen mezelf en mijn laarzen op de achterbank. 'De eerste keer dat je een dier ziet sneuvelen, kan aangrijpend zijn', hadden ze me verteld. Of het nou een buffel was of een eend, het leven uit een dier zien vloeien, de ogen star zien worden en de poten stijf, dat was niet zomaar iets, je voelde je winnaar en klootzak tegelijk, het ontwaken na een rush, het schuldgevoel na de seks, zoiets.

En daaraan ging ik nu meedoen? Ja. Het beest in de bek kijken, was nu eenmaal de enige manier om met je weerzin om te leren gaan.

Binnen dronken we koffie, de geweren in de ene en de drijvers in de andere kamer, anciënniteit uit vervlogen tijden. Er werd gelachen, iemand blies op een hoorn. En ik, vol van hormonen, ik dacht aan moedereenden, aan volle nesten en piepende snavels en - hou op! Zo ging het niet. Dit was fair play, het was me duizend keer uitgelegd: geen jonkies, geen fratsen, niks daarvan.

Niet lang daarna werd het eerste schot gelost.

Meteen na dat eerste schot stoven de eerste eenden op.

Meteen nadat ze waren opgestoven, vielen de eersten neer en slaakte ik een gil, precies wat ik me had voorgenomen níét te doen.

Dit was het dus. Een vlucht, een schot en meteen daarna een beest dat fladderend naar de grond ging en daar nog een tijdje door duikelde. 'Ze zijn al dood in de lucht', hadden ze me verzekerd, het gefladder dat je zag, waren de laatste stuiptrekkingen. 'En als ze nog wél leven, zorgt een goeie jager er altijd voor dat het snel afgelopen is.' Even later zag ik hoe. Een van de geweren, een man met vriendelijke ogen onder een geruite pet, liep op een aangeschoten eend af, pakte hem bij zijn nek, draaide die drie keer rond en voilà, dat was het. Ik keek ernaar en was treurig en opgelucht tegelijk.

Die dag zag ik fazanten vallen, honden rennen, wolkjes adem in de koude lucht. Ik luisterde naar het gekraak onder mijn laarzen, naar de stille kameraadschap van mannen, die meer van de natuur wisten dan ik. Kruitdamp kringelde in mijn neus, ik raakte een dode haas aan. Het lijf voelde warm, de vacht nog zacht. Maar het had tot de laatste snik in vrijheid geleefd. Dat kon je van veel andere dieren in Nederland niet zeggen.

Die nacht dacht ik nog lang na over wat ik had gezien, maar het voelde anders dan voorheen. Het beest was in de bek gekeken, het beest was dood - lang leve het beest.

eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.