Het leven is een grote wachtkamer

Het is zondagochtend half één, ik zit in de lobby van een Pools hotel en ik lees. Mijn reisvriendin is nog in de hotelkamer, zij wilde uitslapen. Prima, vond ik: 'Dan ga ik mijn eigen dingen doen!' Dus wandelde ik op en neer langs de rivier, om vervolgens in de lobby plaats te nemen, een potje thee te bestellen en mijn fijne boek te lezen. Dat is nu een uur geleden. Het laatste laagje thee is koud, mijn boek ligt ondersteboven op mijn schoot: 'Ik zit hier gewoon te wachten', schiet het opeens door me heen. En nu ik het eenmaal heb gedacht, boort het idee zich mijn bewustzijn in als een teek: ik zit hier gewoon te wachten - ik sta op. Ik wil met mijn vriendin door de stad lopen, zoals we gisteren en eergisteren ook hebben gedaan: wat is vakantie anders dan het situeren van rituelen in den vreemde?

Maar eigenlijk is het gek, bedenk ik wanneer ik in de lift sta. Tien minuten geleden zat ik nog heerlijk te lezen. Pas toen het woord 'wachten' zich aan me opdrong, schoot ik omhoog. Wat maakte het idee zo onverdraaglijk?

Natuurlijk, wachten is niet efficiënt. De hang naar efficiëntie is echter geen vanzelfsprekendheid, maar een waarde, een vrij kapitalistische waarde: efficiëntie is vooral van belang als tijd geld betekent. Maar ik ben op vakantie, niet op mijn werk. En toch, bedenk ik, zou juist dát mijn afkeer van wachten kunnen verklaren. Zo herinner ik me hoe we op de heenweg als eersten het vliegtuig in wilden, zodra het boarden begon. Een curieuze reflex: degenen die het eerst in het vliegtuig stappen, wachten het langst op de degenen die het laatst in het vliegtuig stappen. De afkeer van wachten manifesteerde zich opnieuw bij ons bezoek aan het kasteel: bij de aanblik van de rij zagen we af van een rondleiding.

Wachten is een plicht, vakantie is vrijheid. Blijkbaar accepteren we niet dat vrijheid soms plichten met zich meebrengt. Daarbij voelt het op de een of andere manier als 'zonde' om te wachten tijdens vakantie. Nee, tijd is geen geld hier; tijd is tijd, maar tijd is een schaarste: we zijn hier maar een paar dagen. Alleen, vraag ik me nu af: wat ís wachten dan eigenlijk?

Ik klop op de deur van onze hotelkamer. Mijn vriendin staat onder de douche. Ik ga in de fauteuil zitten, sla mijn boek open, maar lees niet. Want ik denk aan alle keren dat ik in dit boek las. Thuis op de bank, tot het tijd was om te eten. In bed, tot ik in slaap viel. In de trein, op weg naar een optreden. Het was allemaal wachten, ook al voelde het niet zo. En dan schrik ik, omdat ik bedenk: zitten is wachten tot je weer opstaat. Lopen is wachten tot je er bent, er zijn is wachten tot je vertrekt. Koken is wachten tot je gaat eten, eten is wachten tot je bord leeg is, televisiekijken is wachten tot het programma voorbij is, je mail checken is wachten tot alles is gelezen, slapen is wachten tot je wakker bent, wakker zijn is wachten tot je gaat slapen, ademhalen is wachten tot je stopt met ademhalen: het leven is één grote wachtkamer. Waarschijnlijk is gelukkig zijn niets anders dan het vermogen het eeuwige wachten niet als wachten te ervaren.

Vlug til ik mijn boek op, tot vlak voor mijn ogen. Ik begin te lezen, geconcentreerd en begaan, omdat mijn leven ervan afhangt. In ieder geval tot de badkamerdeur opengaat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.