Het leven de soep, wij de ballen

PAL ACHTER EDE begint de Ginkelse heide met okergele zandbergen. Op de hoogste liggen prehistorische graven uit de ijzertijd. 'Halverwege, rechtop, hierheen gevoerd in de laatste ijstijd, een metershoge zwerfkei, met rode aderen....

Arjan Peters

Jan Siebelink kan er geen genoeg van krijgen. In een kwarteeuw heeft hij het landschap tussen Velp (waar hij in 1938 werd geboren) en Ede (waar hij in 1969 werd benoemd als docent Frans aan het Marnix College) zo dikwijls beschreven dat het mythische trekken is gaan vertonen. Ze hebben elkaar nodig, Siebelink en de prachtige reep Gelderland die telkens weer in zijn boeken meedoet. Hij geeft het land een stem, en krijgt er inspiratie voor terug.

Die ligt er in zijn geval voor het oprapen, wanneer men in overweging neemt dat Siebelinks vader een protestantse bloemenkweker was (de tuinman van het aardse paradijs), die na een visioen waarin de hemel openscheurde en God rechtstreeks tot hem sprak, tot een orthodoxe broedergemeente toetrad. De toewijding die daar van hem werd verlangd, ging ten koste van het onderhoud van de kwekerij.

Bedenk daarbij dat de jonge Jan in de jaren zestig Frans studeerde en kennismaakte met de symbolisten en decadenten. Van Huysmans vertaalde hij A Rebours, dat als Tegen de keer in 1970 werd uitgegeven door de legendarische Johan Polak.

Een jaar later stierf zijn vader. Vier jaar daarop begon Siebelink zelf te publiceren, nadat hij uit het niets het verhaal 'Witte chrysanten' had geschreven. Die jeugd, dat landschap - dat hij nooit heeft verlaten - en de literatuur die hem de middelen aanreikte zijn achtergrond en omgeving te verwerken (in de zin van omwerken) tot verhalen die de sentimentaliteit durven opzoeken, dat zijn de heterogene elementen die Jan Siebelinks eigenaardige schrijverschap markeren. Zijn oeuvre drukt die eigen aard uit: hij is een protestantse decadent uit Gelderland. Bij voortduring daalt hij af in zijn verleden, om er weer uit te klimmen met de drang, de keelsnoerende taferelen uit zijn jeugdjaren in het oerlandschap terug te zetten - of liever, ze daaruit te laten oprijzen, in bewoordingen die hunkeren naar de zintuiglijke souplesse van de decadenten, en tegelijk blijven tonen dat ze van oudtestamentische herkomst zijn.

De nieuwe grote roman Engelen van het duister - een titel die meteen al die ongebruikelijke combinatie kent van Bijbel en Baudelaire - bevat veel verwijzingen naar des schrijvers bio- en bibliografie. Het is het verhaal over de broers Lucas en Casper Alteveer, opgegroeid in Velp, waar hun vader achter het huis aan de Bergweg een bloemenkwekerij bestierde. Nummer 17, raden wij. Ook de scène met de 'neerdwarrelende briefjes' keert weer: vader kwam met achterstallige nota's bij een wanbetalend bloemist in Arnhem, die verbolgen het verschuldigde geld voor de neus van kweker Siebelink treiterig op de grond liet vallen.

Johan Polak krijgt een nogal naar bijrolletje als de homoseksuele weldoener en uitgever Eduard Vermeer. En de mooie school in Ede, een kathedraal met pergola's, nissen en gaanderijen, mag dan dit keer het Jan Luyken College heten, zodra we lezen dat dit karakteristieke gebouw wordt gesloopt, hebben we de foto op ons netvlies van het onttakelde Marnix College zoals afgedrukt in de foto-documentaire Daar gaat de zon nooit onder - het domein van Jan Siebelink (1998). Het oude veerhuis bij Lathum: o ja, van die andere grote roman De overkant van de rivier (1990), waarvan onlangs een mooi gebonden editie verscheen. Het terras van het koffiehuis 'Klein Seinpost' bij Scheveningen: natuurlijk, vanaf de openingszin van de roman Vera (1997) een vertrouwde pleisterplaats.

Een student neerlandistiek die om een scriptieonderwerp verlegen zit, moet maar eens alle toespelingen in Engelen van het duister naar vroeger werk van dezelfde schrijver in een zinvol verband vatten. Hier kan worden volstaan met het signaleren van een aanmerkelijk aantal referentiepunten, om er direct aan toe te voegen dat Siebelink er wederom in slaagt van deze bekende kost iets verrassends en zelfs eigentijds te creëren.

De zoons Alteveer zijn geestelijk belast met een erfenis die er niet om liegt: de maniakaal arbeidende literatuurwetenschapper Lucas wordt zijn leven lang door schuld en angst bezeten, die hem juist tot 'schuldige' en beangstigende handelingen aansporen. Hij moet en zal bij die andere wereld komen, die hem van nature is ontzegd. Dat verlangen neemt gestalte aan in de vorm van een buitenechtelijke verhouding, van een andere vrouw die hij (op haar verzoek) voor hoer laat spelen, en van de wens die hij tegenover zijn vrouw Ymke uit, dat zij overspel pleegt.

De andere broer gedraagt zich minder verkrampt tegenover vrouwen, maar hij is weer niet in staat zich duurzaam met een van hen te verbinden. Als jongeling laat de astmatische Casper zich betalen door rijke vrouwen die de liefde moeten kopen, als Edese archiefambtenaar stort hij zich al even kortstondig op de paar jonge vrouwen die het plaatsje binnenvallen, en voortdurend bedenkt hij dat er maar één vrouw is geweest met wie hij zich in werkelijke verliefdheid heeft verenigd. Het moest eenmalig blijven, want dat was Ymke.

De broers zijn door meer met elkaar verbonden dan ze van elkaar weten. Naast het hemelse visioen van hun vader, en die ene vrouw die voor beiden niet bereikbaar is zoals ze het zouden willen, is daar ook nog het buitenlandse hoertje Julia in de Haagse voormalige katholieke school die tot het bordeel De Poel is omgebouwd.

En toch, toch is er een andersoortig verbond dan die gemeenschappelijke doem die altijd boven hen hangt, hoe diep ze zich ook verbergen in een anonieme poel des verderfs, of in een pervers rollenspel. Alleen kunnen zij daar zelf geen weet van hebben. Het is degene die hun levens volgt, niet hun schepper van vlees en bloed maar die met de pen, die deze mannen in een panoramische roman neerzet, zodat ze als personages deel mogen hebben aan sensaties en belevenissen die een symbolische zeggingskracht verkrijgen. Zoals Siebelink zich met Vera ontpopte als een contemporaine nazaat van Couperus, zo is hij in Engelen van het duister een Van Schendel zonder schip maar mét diens oog voor het menselijk wee, dat niettemin lucht kan krijgen doordat de schrijver zich ergens laag in de lucht lijkt op te houden.

En zoals vaker lukt het Siebelink dankzij zijn voorbereidende werk, van ingrijpende scènes ook aangrijpende te maken. Hij schrikt er niet voor terug zijn roman de vijf delen van een klassieke tragedie te geven. In het vierde worden - geheel volgens de voorschriften van het genre- de grootste klappen uitgedeeld. Daarin zorgt een hevige hitte ervoor dat een troebele onderwereld opwaarts door de korst van de realiteit borrelt: hel en verdoemenis, dood en brandstichting krijgen niet alleen de hoofdrol, maar klinken ook door in terzijdes die de Werdegang van het geloof demonstreren: als Casper in het louche Haagse café De Zon zit, stopt voor de ingang een Amerikaanse slee waaruit een ordinaire pooier stapt, gehuld in een 'zwarte, lakense jas' zoals ouderlingen en predikanten vroeger droegen. Even later ziet Casper in hetzelfde etablissement een zwerver met een cowboyjack, die om zijn nek een priesterkleed heeft geknoopt, 'waarschijnlijk uit een kerk gejat'. En dit alles vlak bij een voormalige r.k. lagere school voor meisjes, nu omgetoverd in een rood paleis met veile vrouwen. . .

Meer dan eens wekt Siebelink de indruk, te veel te willen. Behalve over de twee broers en hun vader wil hij het nodige kwijt over hun moeder, over de complexen van de dochter van Lucas en Ymke (die misschien ook erfelijk zijn, maar dan van een ander dan Lucas), over het onmogelijke huwelijk van de buren van Casper, en hun zoontje Hugo dat in de verlaten gebouwen van het Jan Luyken gaat skaten. Over weer een ander onmogelijk huwelijk tussen twee hondenliefhebbers, met wie Casper in contact is gebracht door de Edese leraar Harry Egberts, die net als Siebelink gek is op die blaffende zenuwlijders op vier poten.

Te veel, te vol was dit boek, als de schrijver niet had duidelijk gemaakt dat die overdaad zijn oogmerk is geweest. Het gáát hem om die onoverzichtelijkheid van het menselijk geploeter onder de zon ('Het leven is de soep, Cas, en wij zijn de ballen. . .', zegt Harry, die behalve stoere vrijgezelle wijsneus ook een schimmige hoerenloper is), en om het overkoepelende vraagstuk of de mens misschien te schamel is om een blik in de geopende hemel of een direct woord van God Zelve aan te kunnen.

De mystiek van Engelen van het duister is van andere makelij, want in plaats van godsdienstwaanzinnig maakt zij de lezer gevoelig voor sfeer, de typische Siebelink-sfeer die zijn beste boeken bezitten: dat het leven en het landschap zoveel talen dooreen spreken dat je na het schouwen hiervan ten hoogste een glimp kunt ervaren van hun mogelijk symbolische lading. Tijdens je leven kun je je leven nooit helemaal overzien. Maar Siebelink heeft op Casper en Lucas voor dat hij ze met elkaar kan verbinden, en de immense hoeveelheid sentimentele gebeurtenissen zo veel vaart geeft dat de roman niet in een zee van zoute tranen wegsijpelt.

Velp: die snijdende winternacht, lang geleden, toen de bloemenkwekerij in een hels pandemonium verkeerde van uitzettend glas en poreuze buizen die water doorlieten. Den Haag: de naamloze zwerfhond die door een automobilist aan stukken werd gereden. Ede: de stille tocht voor een jongen die is omgekomen door zinloos geweld, en die voert naar een 'miljoenen jaren oude zwerfsteen' die een gedenksteen moet worden. De gruwelen zijn zonder tal, en er is niets aan te verhelpen. De mensen weten niet wat zij doen. Siebelink vergeeft hen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden