Het landschap van de dood

ALLE ANDERE aanbevelingsborden langs de autoroute prijzen de naderende steden, gewesten en departementen aan om hun kathedralen, hun nijverheid, hun fauna of hun wijn....

JAN BLOKKER

Alle afslagen van hier tot aan Compiègne leiden naar dorpen, heuvels, mijnstadjes, landerijen, boerengemeenten en industrieterreinen die van 1914 tot 1918 deel uitmaakten van de reusachtige rij slagvelden die zich van de Noordzee tot aan de Zwitserse grens door Noord-Frankrijk slingerde. Dus ze leiden naar tientallen, naar honderden erebegraafplaatsen en ossuaria waar de dode lichamen en de niet meer te identificeren ledematen bij honderdduizenden tegelijk zijn geborgen of domweg opgestapeld.

La Grande Guerre, dat mag je wel zeggen.

Zulke memorabele militaire gedenkplaatsen heeft de wereldoorlog die we later de tweede moesten noemen, nooit opgeleverd - maar toen ging het, althans in West-Europa, ook om een Blitzkrieg, die snel, efficiënt en met een minimum aan slachtoffers werd beslecht. Hitler had in 1940 amper zes weken nodig om Frankrijk op de knieen te krijgen. De Keizer was na vier jaar nog altijd niet verder gekomen dan de lijn Ieper, Amiens, Reims, Verdun. De verovering van Tsjechoslowakije, Polen, Denemarken, Noorwegen, Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Griekenland (zeg maar half Europa) kostte de Duitsers tussen 1939 en 1941 minder soldaten dan de slag aan de Somme, die in 1916 op een paar kilometer terreinwinst na onbeslist bleef.

De reclame voor het uitgestrekte oorlogslandschap is niet aan dovemansoren gericht. Sla een keer af naar Béthune, Lorette, Bapaume of de Chemin des Dames, loop een kerkhof binnen, en blader door het gastenboek. Het is meer dan vuistdik, dus je denkt dat het er al ligt sinds 11 november 1918. Misverstand. Het is het deel van 1998 - de vorige 79 worden bewaard in het lokale oorlogsgravensepulcrum. Nog gisteren hebben nieuwe kijkers er hun naam, hun adres en hun commentaar in geschreven.

Overlevenden kunnen het nauwelijks meer zijn: wie er in het laatste oorlogsjaar jong bij was, moet nu tegen de honderd lopen. Het gaat om tweede-, derde- en vierde-generatie-bezoekers. Misschien nog een paar krasse kinderen, of intussen bijna gepensioneerde kleinkinderen van een gesneuvelde sergeant - maar het merendeel kan zelfs geen afgeleide herinnering met zich meedragen. Het merendeel moet zijn gefascineerd door de dood, of eerder nog door de massaliteit, door de waanzin van de dood. Uit een verleden dat ver weg is, maar toch nog dicht genoeg in de buurt om er een soort verwantschap mee te voelen; uit onze eigen twintigste eeuw tenslotte.

Lieux de mémoire.

Ze zijn er, afgezien van de Normandische invasiestranden, dus niet of nauwelijks van de latere grote oorlog, omdat die nou eenmaal niet of nauwelijks 'klassieke' veldslagen heeft gekend. De grote pelgrimsoorden van WO II hebben in feite zelfs niets te maken met reguliere oorlogsvoering: in Auschwitz, Sobibor, Dachau, Mauthausen, Oradour, Lidice en Putten wordt niet aan generaals, maar aan moordenaars herinnerd.

Maar is dat de reden waarom de slagvelden van de eerste oorlog gekoesterd blijven worden als een half en half gewijde toeristische attractie?

A.J.P. Taylor zocht eens een eigen verklaring voor het feit dat '14-'18 blijkbaar zoveel steviger in het 'volksgeheugen' is beklijfd dan '39-'45.

'Je kunt niet zeggen', schreef hij in 1980, 'dat er aan de Eerste Wereldoorlog meer te herinneren viel. De Tweede was in alle opzichten opwindender, besloeg ook echt de hele wereld en had alles te bieden van dramatische nederlaag tot en met verpletterende overwinning. Maar misschien juist daarom. WO II was een prozaïsche oorlog die, daargelaten een paar blunders, doelmatig is gevoerd. Je kunt nog altijd twisten over Churchills voorkeur voor operaties in de Middellandse-Zeesector, en over Roosevelts opvatting dat aan Europa de prioriteit moest worden gegeven boven de Pacific. Maar achteraf zien de genomen beslissingen er logisch en gerechtvaardigd uit. Bovendien zijn intussen ook de diepst bewaarde geheimen wel bijna allemaal onthuld: de Tweede Wereldoorlog kent nog maar weinig mysteries die niet zijn opgelost.

'En dat kan niet gezegd worden van de Eerste. Het is nog altijd moeilijk te ontdekken waar de Great War eigenlijk precies om ging, behalve dat alle partijen hem wilden winnen. De wijze van oorlogvoering is ook nog altijd een raadsel - wie terugkijkt ziet vier jaar lang een patstelling met zo nu en dan futiele militaire uitvallen, die niets opleverden dan een steeds langere lijst doden en gewonden. Dat maakt WO I tot een aantrekkelijk terrein voor amateurs en populaire geschiedschrijving: er is veel meer twijfel, veel meer verrassing, veel meer ruimte voor speculatie, veel meer onzekerheid.'

Allemaal waar, denk ik, maar er kwam nog iets bij. De miljoenenlegers die Rusland, Duitsland, Frankrijk, Engeland, Oostenrijk en Italië vier jaar lang op de been hielden, bestonden voor 90 procent uit dienstplichtige, onder de wapens geroepen burgers - waardoor de diverse krijgsmachten zich niet alleen in omvang, maar ook in karakter onderscheidden van alle eerder in de geschiedenis ingezette militaire formaties. In dat opzicht was de grande guerre in de letterlijke zin des woords een volksoorlog, en ook de eerste 'democratische', voorzover soldaten en officieren uit alle lagen van de bevolking kwamen. En zo kon hij in de betrokken landen ook werkelijk een collectieve beleving worden en blijven.

Onder de miljoenen gemobiliseerde burgers bevonden zich bovendien honderden schrijvers, dichters en kunstenaars - van Lawrence (of Arabia), Hemingway en Alec Waugh tot Céline, Rilke, Ernst Jünger en Wittgenstein - van wie de meesten direct of indirect van hun frontervaringen hebben getuigd. A War Imagined heette de studie van Samuel Hynes over de wijze waarop de Engelse cultuur moet zijn beïnvloed door de verschrikkingen in met name de Noord-Franse loopgravenstellingen: weinig oorlogen zijn zo intens en op zo diverse niveaus verbeeld als deze.

M AAR OOK ZONDER verbeelding zou het drama tot in alle bijzonderheden gearchiveerd worden: in brieven, ooggetuigenverklaringen of dagboeken van zondagsschrijvers. Het materiaal is er in overvloed, meestal als bron gebruikt door beroepschroniqueurs of bedrijvers van oral history, een enkele keer eigenstandig overeind gebleven.

Dat is het geval met de 'schriftjes' van de Franse korporaal Louis Barthas - een 'tonnenmaker' volgens de Nederlandse vertaling, maar volgens mij noemen we een tonnelier gewoon een kuiper - die al 35 was toen hij begin augustus 1914 van z'n dorp in de Pyreneeën via Narbonne en Perpignan naar het 280ste regiment infanterie werd gestuurd om ergens in het verre departement Pas de Calais het vaderland te helpen verdedigen. Les carnets de guerre de Louis Barthas, tonnelier werden al in 1919 gepubliceerd, en hebben tachtig jaar lang de reputatie behouden van een 'primitief' literair meesterwerk dat eigenlijk nauwelijks onderdeed voor Voyage au bout de la nuit. Vorig jaar zijn ze, vermoedelijk vanwege de aanstaande tachtigste verjaardag van de wapenstilstand van 11 november, nog eens heruitgegeven, en nu zijn ze ook vertaald beschikbaar.

Helemaal representatief voor de gemiddelde poilu was Barthas niet. Hij bleef dan wel bekend als een eenvoudige kleine handwerksman met een beperkte opleiding, maar hij moet een verwoed lezer zijn geweest, en hij behoorde tot dat grote Europese leger van teleurgestelde, antimilitairistische socialisten voor wie de oorlog bij voorbaat het einde van hun illusies betekende. Hij deed z'n plicht, vier jaar lang, van Béthune in het westen tot Lotharingen in het oosten, en je hebt niet het idee dat hij ooit zelfs maar heeft overwogen zich aan die plicht te onttrekken, maar al die tijd heeft hij naar zichzelf, naar z'n lotgenoten, naar z'n superieuren en naar de slachtingen gekeken als iemand die wel deelnam, maar er niet bijhoorde.

Misschien is dat ook z'n redding geweest. Dat hij in al die zorgvuldig beschreven inferno's nooit meer dan een schrammetje heeft opgelopen, heeft misschien aan z'n engelbewaarder gelegen, maar moet ook met die consequent volgehouden staat van onthechting te maken hebben gehad: hij maakte het allemaal wel mee, hij rook het het gas, hij hoorde de vuurwalsen, hij onderging de opgeslotenheid in smerige modderholen, en hij zag de lijven van zijn kameraden naast zich in stukken gereten worden - maar hij was er als het ware niet bij met z'n hoofd, en als hij op soms met bloed bevlekte stukjes papier had opgeschreven wat hij had waargenomen, kon hij er de volgende ochtend blijkbaar weer even tegen.

Het is onbekend of hij de afgrijselijke beelden nog lang in z'n slaap heeft zien terugkeren (hij leefde nog tot 1952, dus lang genoeg om ook WO II nog mee te maken - maar die verliep voor een simpele tonnenmaker uit de buurt van Carcassonne waarschijnlijk een stuk minder bloederig), en we zullen nooit weten hoe lang een moderne opvanger nog werk zou hebben gehad aan de genezing van zijn eventuele trauma's. Maar je bent geneigd te geloven dat z'n schriftjes de patente therapie zijn geweest.

Hoe 'onversneden' Barthas' aantekeningen indertijd zijn uitgegeven, is niet meer te achterhalen. Gezien het feit dat ze al in 1919 in druk verschenen, kan hij (of kan z'n uitgever) weinig tijd hebben gehad om ze te 'vermooien', laat staan te stileren. Ze zijn rauw en onversierd gebleven, en des te indrukwekkender door hun monotonie. Of het nou zomer was of winter, Armentières, Laon, Rethel of Verdun, langs de Somme, langs de Aisne of langs de Moezel, in een betrekkelijk vredige week met vijf doden in de loopgraaf dan wel een gewelddadige met vijftig - eigenlijk leek in de waarneming van die ene militair elke volgende dag van de meer dan veertienhonderd die hij aan het front beleefde, op de vorige.

En zijn perceptie - dat versterkt de benauwende 'eentonigheid' van het verhaal - reikte ook nooit verder dan wat hij op die paar vierkante meter loopgraaf kon zien en ruiken en horen en voelen. Hij wist natuurlijk dat de linies zich uitstrekten over een afstand van vier- of vijfhonderd kilometer, en dat het handjevol soldaten met wie hij dag en nacht verkeerde, maar een fractie was van de twee miljoen landgenoten in duizenden andere loopgraven (nog gezwegen van de evenveel miljoenen Engelsen en later Amerikanen), maar hij kon letterlijk niet veel verder kijken dan z'n neus lang was: geen idee of er sprake was van een grote strategie, en zo ja van welke dan wel, geen idee of het nog een maand, drie jaar of de rest van z'n leven zou duren, geen idee dus eigenlijk meer van een wereld buiten die ene onderaardse gang of dat ene verstikkende hol.

E LK POPULAIR, dan wel gedegen, dan wel puur wetenschappelijk boek over de Grote Oorlog gaat uit van een context: hoe het begon, waar de krijgskansen lagen, welke diplomatieke, politieke en militaire oorzaken tot welke gevolgen leidden, wie het ten slotte won en waarom - en de gruwelijkheden zijn erin geabstraheerd en vereffend dankzij het vogelperspectief dat de historicus is gegund. De Engelse kroniekschrijfster Lyn MacDonald heeft uit overgeleverde egodocumenten, dagboeken en interviews met veteranen al vijf dikke boeken over de Eerste Wereldoorlog geschreven, en met het zesde - over het grote Duitse lente-offensief in maart 1918 (To the Last Man) - markeert ze op haar manier nog eens de tachtigste verjaardag van de vrede.

Driekwart van haar tekst is ontleend aan getuigenissen die stuk voor stuk dezelfde soort herinneringen behelzen als Barthas bewaarde (met de aantekening dat MacDonald zich meer op officieren verlaat dan op Jan Fuseliers), maar ze komt er zelf telkens tussen met haar achteraf-kennis, haar overzicht, haar arrangement van de feiten, haar behulpzame frontkaartjes - haar context, kortom.

Barthas heeft nooit een context gehad. Hij heeft nooit geweten dat de oorlog in maart 1918 voor de geallieerden definitief verloren leek: de Engelsen en de Fransen hebben onderling weer eens ruzie, de meeste Amerikanen moeten nog komen, de Duitsers hebben vrede gesloten met Trotski en kunnen verse divisies naar de Somme sturen, een hardnekkige mist begunstigt hun spectaculaire voorjaarsaanval, en in Londen schrijft een stafchef in zijn dagboek: 'Onze-Lieve-Heer is een mof.'

Barthas wist van niks. Maart 1918 was geen andere maart dan de maart van 1915, van 1916 en van 1917 was geweest: geschut, drek en dood. Hij zat in zijn loopgraaf, en heeft er amper bij stilgestaan dat hij deel uitmaakte van een SITE HISTORIAL DE LA GRANDE GUERRE.

De oorlogsdagboeken van Louis Barthas (tonnenmaker), 1914-1918.

Bas Lubberhuizen; 472 pagina's; * 54,50.

ISBN 90 763 1415 2.

Lyn MacDonald: To the Last Man, Spring 1918.

Viking, import Penguin Nederland; 382 pagina's; ongeveer * 75,-.

ISBN 0 670 87734 4.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden