achtergrondkindermisbruikzaak

‘Het kan ook knijpen zijn’

Sophie van 3 vertelt haar ouders een verontrustend verhaal over een medewerker van de kinderopvang. Wat er daarna gebeurt, beschrijft Rik Kuiper hier op basis van maandenlang onderzoek en tientallen gesprekken met betrokkenen en experts. Het laat zien hoe ingewikkeld het is te bepalen of een kindervriend ten onrechte wordt beschuldigd of een misbruiker ten onrechte beschermd.

Beeld Boris Lyppens

1. De Concertzaal

Nee, vóór de pauze vloeiden er nog geen tranen in de Concertzaal van Oosterbeek, waar circa tweehonderdvijftig ouders luisterden naar geruststellend bedoelde woorden die voor veel aanwezigen allerminst geruststellend klonken.

De burgemeester, de zedenpolitie en de eigenaar van een kinderopvangorganisatie gaven die avond uitleg over twee meldingen van mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag door een pedagogisch medewerker. Na de eerste melding had de politie aan waarheidsvinding gedaan, vertelde het hoofd van de afdeling zeden. ‘Heel snel bleek dat er geen sprake was van een strafbaar feit’, zei hij. ‘Daarom is destijds besloten dit niet te communiceren. De ouders hebben ook geen aangifte gedaan. We zijn verder gegaan met ons leven.’

Na een tweede melding van andere ouders was de politie opnieuw aan de slag gegaan. Dat onderzoek liep nog, maar zou snel afgerond worden. ‘Ik kan vast vertellen dat we op dit moment geen strafbaar feit hebben geconstateerd.’

Zijn woorden wisten niet iedere ouder te overtuigen. De zaal zoemde. De pauze was onrustig. Vragen en verwijten borrelden in rap tempo op.

‘Ik constateer dat de bliksem twee keer inslaat op dezelfde plek’, zei een vader. ‘Dat is wel heel toevallig. Wat gaan jullie met deze medewerker doen?’

‘Dit is niet het moment om daar een uitspraak over te doen’, antwoordde de eigenaar van Koningskinderen Kinderopvang.

‘Jammer. Want deze vraag speelt bij veel ouders.’

Meer onvrede in de zaal. Mensen begonnen te snikken.

‘Waarom is er na de eerste melding geen informatie aan de ouders gegeven?’ wilde een moeder weten.

‘Als uit het onderzoek geen strafbaar feit blijkt’, zei de zedenrechercheur, ‘dan moet je niet communiceren.’

‘Ik denk’, bitste een vader, ‘dat wij zelf een afweging willen maken, meneer!’

2. Uitgehold

Als één gebeurtenis illustreert wat er mis ging in Oosterbeek, dan is het die avond in de Concertzaal. Daar werd op 20 februari 2018 pijnlijk duidelijk dat verhalen over vermeend kindermisbruik een gemeenschap razendsnel kunnen ontwrichten.

Nog geen tien jaar na de Amsterdamse zedenzaak, waarbij Robert M. op twee kinderdagverblijven zeker tachtig kinderen misbruikte, roept de kwestie in Oosterbeek een hoop vragen op. Zo lijken protocollen nog altijd niet te werken. Betrokkenen verwijten de politie onvoldoende onderzoek te doen.

‘Dit heeft ons uitgehold’, zegt Bas, de vader van het 3-jarige meisje bij wie de kwestie begon. Zijn naam en die van zijn gezinsleden zijn gefingeerd, vooral om te voorkomen dat hun dochter later door het verhaal achtervolgd zal worden.

‘Het is pijnlijk te zien dat ouders die zich zo zorgvuldig hebben opgesteld zo amateuristisch behandeld zijn’, zegt voorzitter Gjalt Jellesma van ouderorganisatie Boink, die de ouders bijstond.

‘Niemand leek de regie te hebben’, zegt Michliene Verduijn van de kinderopvangorganisatie.

‘De ouders hebben zich heel formeel opgesteld’, zegt burgemeester Agnes Schaap van de gemeente Renkum, waar Oosterbeek onder valt. ‘Dan kom je moeilijk dichter bij elkaar.’

‘Politie, burgemeester en gemeente hebben bewust onjuiste informatie verspreid om de boel te sussen en de rust te bewaren’, zegt Bas.

Op basis van tientallen gesprekken met betrokkenen, met onafhankelijke rechtspsychologen, misbruikdeskundigen en andere experts, talloze uren aan geluidsopnamen en een flinke stapel documenten, deels verkregen via een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur, probeerde de Volkskrant de gebeurtenissen in Oosterbeek vanuit verschillende perspectieven te reconstrueren.

Daarbij was niet het doel te achterhalen of de medewerker van de kinderopvang schuldig is of niet. Dat blijft de taak van politie en justitie. Dit verhaal moet vooral blootleggen waarom alle betrokkenen deden wat ze deden, het moet tonen waar het mis ging en hoe het beter kan.

3. Karoedelen

Het begon allemaal bij Sophie: blond, 3,5 jaar oud. Op woensdagavond 11 oktober 2017 vertelde ze voor het slapengaan een verontrustend verhaal, dat in grote lijnen valt te reconstrueren omdat haar moeder Janine er twee dagen later over sprak tijdens een ontmoeting waarvan een opname bestaat.

In bed vertelde Sophie bij het doornemen van de dag over David, die werkte bij de buitenschoolse en tussenschoolse opvang van de kinderopvangorganisatie waar Sophie naartoe ging. In werkelijkheid heet ook David anders.

Sophie zei dat hij zijn hemd en zijn broek uitdeed. Dat hij zijn piemel liet zien. En in zijn piemel knipte.

Janine schrok. Zoiets hadden ze nog nooit van haar dochter gehoord.

Sophie zei ook dat David ging ‘karoedelen’. Dat was aaien. Ze wees daarbij op haar hoofd en haar lijf. De juffen deden dat ook wel eens.

Toen Janine vroeg wáár dat dan allemaal gebeurd was, noemde Sophie de buitenschoolse opvang, ‘bij de bedjes’. Dat was vreemd, want er waren geen bedjes bij de bso. Ook zei Sophie iets over ‘thuis’, wat Janine niet kon plaatsen.

Ze stelde haar dochter vragen. Of David zijn piemel liet zien. Of hij stout was. Daarop kwam geen eenduidig antwoord. Veel meer wilde het meisje er niet over kwijt. Wel vroeg ze of de politie haar zou komen halen. En of ze nu naar de gevangenis moest. Ze was bang dat haar moeder boos was.

Die angsten, zegt Janine later, maakten het verhaal zo alarmerend. En die angsten zouden de dagen daarna aanhouden.

Was dit waarom Sophie de afgelopen maanden niet graag meer naar de opvang ging?

4. Ernstig

Michliene Verduijn weet nog goed wanneer ze het hoorde. Het was vrijdagmiddag, de herfstvakantie was bijna begonnen en ze zou een paar dagen met familie naar Zeeland gaan. Ze stond thuis haar koffer in te pakken, toen haar telefoon ging. Een medewerker van Koningskinderen, de kinderopvangorganisatie die ze vijftien jaar eerder met haar partner Erwin had opgezet. Het klonk dringend.

Kort daarna zaten Verduijn en een locatiemanager in de teamkamer van een van de vestigingen tegenover ‘de ouders van de eerste melding’, zoals ze later bekend zouden komen te staan. Omdat Bas en Janine het gesprek wilden opnemen, besloot ze zelf ook een opname te starten.

Janine vertelde dat Sophie uit het niets met dat verhaal over David op de proppen was gekomen. En dat ze vragen had gesteld.

‘Dit is een ernstig signaal’, zei Verduijn even later.

‘Misschien heeft ze hem alleen zien plassen’, zei Janine. ‘Niets ernstigs, dat zou ook kunnen. Ze vertelde dat ze zijn piemel zag en dat hij erin geknipt heeft. Hoe komt ze nou bij dat knippen?’

‘Het kan ook knijpen zijn’, zei Bas. ‘Je probeert het in te vullen.’

Verduijn dacht soms hardop tijdens het gesprek. Dat het niet waarschijnlijk was dat David frequent contact met Sophie had, omdat zij bij de groep met kinderen van 0 tot 4 zat en hij bij de buitenschoolse opvang werkte. Niettemin moest dit goed uitgezocht worden. Ze zou er zo snel mogelijk op terugkomen.

Toen de ouders vertrokken waren, pakte Verduijn de ‘Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’ erbij. Deze schrijft voor dat een ondernemer in zulke gevallen direct contact opneemt met de vertrouwensinspecteurs van de Onderwijsinspectie, die scholen en kinderopvangorganisaties adviseren bij vermeende zeden- en geweldsdelicten. Oordelen zij dat er sprake is van een ‘redelijk vermoeden van grensoverschrijdend gedrag’, dan moet de houder van de kinderopvangorganisatie volgens de meldcode aangifte doen bij de politie.

Verduijn belde. Ze probeerde zo goed mogelijk te reproduceren wat de ouders haar hadden verteld. Over het antwoord dat ze kreeg, bestaat ook nu nog verwarring. Zelf zegt Verduijn dat de vertrouwensinspecteur twijfelde of hier sprake was van een redelijk vermoeden. Ze moest het maar voorleggen aan de zedenpolitie. Die zou een afweging maken. Op vragen van de ouders zou diezelfde inspectie echter in juni 2018 per mail antwoorden: ‘Ja, de vertrouwensinspectie had een redelijk vermoeden van grensoverschrijdend gedrag.’

Bij de zedenpolitie kreeg Verduijn een medewerker van de frontdesk aan de lijn. Die zei dat het beter was als de ouders zelf contact zouden opnemen. Zij hadden het verhaal uit eerste hand gehoord. Wilde Verduijn vragen of de ouders langs konden komen voor ‘een informatief gesprek’, zoals dat bij de politie heet?

Verduijn belde Bas, legde uit wat ze gedaan had en gaf hem telefoonnummers.

‘De bal ligt nu bij jullie’, zei ze.

Veel later dan gepland arriveerde ze die avond in Zeeland.

5. Misbruik

Ondanks de protocollen, ondanks alle raampjes en doorkijkjes die kinderopvangorganisaties in de nasleep van de Amsterdamse zedenzaak hebben gezaagd, komt misbruik in de kinderopvang nog steeds voor.

Hoe vaak precies weet niemand, al geven cijfers van de vertrouwensinspectie enige houvast. Uit de meest recente rapportage blijkt dat er van 2016 tot en met 2018 jaarlijks circa tien meldingen binnenkwamen van seksueel misbruik bij een kinderdagverblijf. Daarnaast waren er in beide jaren nog tien tot twintig meldingen over seksueel misbruik bij gastouders, peuterspeelzalen en de buitenschoolse opvang. Niet elke melding leidt tot een aangifte of een veroordeling.

Het probleem kan ook groter zijn. In zijn Slachtoffermonitor seksueel geweld tegen kinderen noteerde Herman Bolhaar dat het ‘zicht op slachtoffers jonger dan 12 ontbreekt’. Daarbij sprak de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen overigens niet specifiek over de kinderopvang, maar over de hele maatschappij.

‘In kinderpornografisch materiaal treffen we regelmatig beelden aan van kinderen jonger dan 5’, zegt Bolhaar. ‘Maar ze komen nauwelijks in de meldingen voor.’

Dat is uitermate zorgelijk, zegt ook coördinator Iva Bicanic van het Centrum Seksueel Geweld. Ze is ook hoofd van het Landelijk Psychotraumacentrum in het Wilhelmina Kinderziekenhuis, waar getraumatiseerde kinderen en jongeren worden behandeld. ‘Misbruikte kinderen krijgen later in het leven vaker psychische problemen. Er is een groot risico dat ze opnieuw misbruikt worden. Daarom moeten we alle kansen aangrijpen om vermoedelijk misbruik goed te onderzoeken.’

6. Moeilijk

Opeens draaide alles alleen nog dáárom. Elk uur, elke minuut, elke seconde waren Bas en Janine bezig met dat wat hun dochter mogelijk had meegemaakt.

En dus reden ze op zaterdagochtend van Oosterbeek naar Nijmegen. Op het politiebureau vertelden ze twee zedenrechercheurs over David en zijn piemel. Over knippen. Over de angsten van Sophie. En over de details uit haar verhaal die ze niet konden plaatsen. De bedjes. En thuis.

Een dag eerder waren ze er ook al druk mee. Eerst weifelend, want wat zou dit voor de betreffende medewerker betekenen? En voor andere mannen in de kinderopvang? Later, na overleg met ouderorganisatie Boink, kwam de overtuiging. Dit klonk serieus, had voorzitter Gjalt Jellesma door de telefoon gezegd. En ze hoefden zich geen zorgen te maken: de meldcode was ontwikkeld om zo’n proces zorgvuldig te laten verlopen. Voorop stond nu de waarheidsvinding.

Jellesma, die nauw betrokken was bij de afwikkeling van onder meer de Amsterdamse zedenzaak, had na een telefoontje naar de vertrouwensinspectie ook geadviseerd Sophie lichamelijk te laten onderzoeken. En omdat ze rond een uur of vijf niet meer bij de huisarts terechtkonden, waren ze naar ziekenhuis Rijnstate in Arnhem gereden. Terwijl Sophie met de verpleegkundige speelde, controleerde een kinderarts haar op verdachte verwondingen. Na overleg met Veilig Thuis verwees de arts hen door naar het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen, dat een afdeling heeft gespecialiseerd in seksueel misbruik. Daar zouden een arts, een psycholoog en een agent aanwezig zijn. Ze konden er meteen aangifte doen.

Maar het was anders gelopen. Een arts nam nog wel urine af van Sophie, om te controleren op sporen van seksueel overdraagbare ziekten – die ze niet zouden aantreffen – maar psychologen en rechercheurs waren er niet. Konden ze de volgende dag terugkomen? Tegen middernacht reden ze Oosterbeek weer binnen.

Zaterdagochtend op het politiebureau luisterden de rechercheurs aandachtig, herinneren Bas en Janine zich later. Maar al snel kregen ze te horen dat het een moeilijke zaak zou worden. Er waren geen sporen van penetratie, geen lichamelijke kwetsuren, geen getuigen. Bovendien was het erg lastig om kinderen jonger dan 4 te verhoren.

Ook zeiden de rechercheurs iets waarover de ouders nog steeds verbijsterd zijn: dat een aangifte niet veel zin had en dat de politie dit zou registreren als een melding.

Dat dat een wezenlijk verschil is, valt te lezen op de website van de politie. ‘Als je aangifte doet, verzoek je om strafvervolging. Dit betekent dat je wil dat de dader gestraft wordt. Doe je een melding, dan stel je de politie op de hoogte van de situatie.’

‘U lijkt niet tevreden’, zou een rechercheur nog tegen Janine gezegd hebben.

‘Dat klopt’, antwoordde ze.

7. Vogelvrij

Ouders klagen er vaker over, zeggen diverse experts. Ze stappen met een vermoeden van seksueel misbruik naar de politie en keren huiswaarts met het idee dat de politie geen trek heeft de zaak in behandeling te nemen.

Dat komt vooral door ‘het bewijsprobleem’, stelt advocaat Richard Korver, die in de Amsterdamse zedenzaak 47 ouderparen vertegenwoordigde en ook nu nog ouders bijstaat die vermoeden dat hun kind misbruikt is. ‘De politie denkt al gauw: hier kunnen we niets mee, we krijgen het niet rond. Waarom zouden ze dan een aangifte opnemen?’

Korver hoort jaarlijks van ‘enkele ouders’ die het gevoel hebben niet serieus te worden genomen door de politie. Hij schat dat het in Nederland jaarlijks om tientallen zaken moet gaan. Ook bij de zaak in Oosterbeek, waarin hij de ouders adviseerde, vindt Korver het niet correct dat de politie erop aandrong het bij een melding te houden. ‘Een ieder heeft het recht aangifte te doen. Ze hadden de aangifte moeten opnemen.’

Gjalt Jellesma van Boink vindt het onbegrijpelijk ‘dat blijkbaar bij de politie rondzingt’ dat verklaringen van kinderen jonger dan 4 niet als bewijs kunnen dienen. ‘Daarmee verklaar je ze vogelvrij.’ Hij spreekt ‘een aantal keer per jaar’ ouders die het gevoel hebben dat de politie een aangifte ontraadt, zegt hij. ‘En dat zijn alleen de gevallen waarvan ik hoor. Niet iedereen stapt met zo’n verhaal naar Boink.’

Ook de Inspectie Justitie en Veiligheid concludeerde in juni 2020 dat mensen het gevoel hebben dat aangifte doen ontmoedigd wordt. In Verschillende perspectieven, een onderzoek naar de taakuitvoering van zedenrechercheurs en hun bejegening van – volwassen – slachtoffers, valt te lezen dat rechercheurs slachtoffers tijdens een informatief gesprek op de hoogte moeten stellen van de mogelijkheden en onmogelijkheden. ‘Wanneer de onmogelijkheden van de zaak en de negatieve consequenties van het doen van aangifte de boventoon voeren, voelen slachtoffers zich gestuurd om geen aangifte te doen.’

De politie en het Openbaar Ministerie willen niet uitgebreid ingaan op vragen over deze casus. ‘De politie heeft het doen van aangifte nooit willen ontmoedigen’, laat een woordvoerder van het OM per mail weten. Tegenover de Geschillencommissie Kinderopvang die zich later over de zaak in Oosterbeek zou buigen, zei de politie dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen een melding en een aangifte en dat de politie en het OM ‘altijd objectief’ kijken naar de inhoud. Deze zaak, die de politie ook zonder aangifte besloot te onderzoeken, zou ‘niet anders behandeld zijn indien aangifte was gedaan’.

Dit beweert ook de gemeente Renkum, die nauw contact hield met politie en OM. ‘Het is adequaat opgepakt, ook al is er geen aangifte gedaan’, zegt burgemeester Agnes Schaap. ‘Wij zullen ook nooit iemand afraden om aangifte te doen.’

8. Vier kantjes

Op dinsdagochtend vluchtte Michliene Verduijn even naar de slaapkamer van het vakantiehuis in Zeeland, weg van de drukte beneden. Ze plofte op bed en scrolde door haar mailbox. Daar trof ze een brief die ze met verbijstering las.

Ze was er de afgelopen dagen al flink druk mee geweest. Continu overleg met de politie. Met de gemeente. Met haar eigen medewerkers. Ook had Verduijn een locatiemanager de opdracht gegeven in de administratie te duiken. Was David aanwezig geweest op tijdstippen dat Sophie er ook was? Stonden in het schrift van de groepsleiding opmerkingen die na de melding een andere lading kregen? Of in de notities die via een app naar ouders gingen? Ze wilde alles zo snel mogelijk weten.

En nu die brief. Vier kantjes waaruit bleek dat Bas en Janine ‘er bovenop zaten’, zoals ze later zegt. De tekst was opgesteld met twee andere ouders van de kinderopvang, van wie er een als gz-psycholoog met misbruikte kinderen werkt. Ook lieten Bas en Janine zich ondersteunen door Gjalt Jellesma van Boink.

‘De afgelopen dagen heeft Sophie het meer over David gehad’, las Verduijn. ‘Dat zij alleen met hem is en dat hij heel lief is. Daarbij vermeldt ze dat ze niets gaat zeggen. Ze zegt ook dat ze niet meer naar de ‘kindjes’ wil. Met kinderen waarmee ze normaal gesproken speelt op het kinderdagverblijf, wil zij nu thuis spelen.’

Bas en Janine schreven te verwachten dat Koningskinderen ‘de verdere stappen van het protocol’ zou volgen. Als er volgens de vertrouwensinpecteurs sprake was van een redelijk vermoeden van seksueel grensoverschrijdend gedrag, dan moest Verduijn aangifte doen.

Maar Verduijn zag dat anders. Ze had de vertrouwensinspectie en de politie gebeld. En alle adviezen opgevolgd. De politie was een onderzoek begonnen.

Later zou ze meerdere malen voorstellen toch aangifte te doen, omdat dat misschien ‘de angel eruit zou trekken’, zegt ze. Telkens kreeg ze van politie en OM te horen dat dat echt onnodig was, omdat ze de informatie liever uit eerste hand kregen – van de ouders dus.

In hun brief eisten Bas en Janine ook dat de kinderopvangorganisatie een reeks maatregelen zou nemen om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. Zo zou het vierogenbeleid – het pakket aan maatregelen dat ervoor moet zorgen dat medewerkers nooit lang alleen kunnen zijn met een kind – niet functioneren. Soms bleken er aan de randen van de dag niet twee medewerkers aanwezig, maar slechts één, schreven ze. Soms was de buitendeur tegen de regels op slot. ‘Dit vormt een risico met betrekking tot de veiligheid’, las Verduijn.

Daarover zegt ze in een reactie dat er nooit een mannelijke beroepskracht alleen aan het werk is geweest in het gebouw. En ja, er was een medewerkster die de deur op slot draaide als het buiten donker was. Zij was zich er niet van bewust dat dit niet mocht volgens de protocollen. Ook benadrukt ze dat het gebouw veel doorkijkjes en ramen heeft.

Ten slotte schreven Bas en Janine dat ze wilden dat Koningskinderen de overige ouders zou informeren. Mensen moesten kunnen kiezen ‘hun kind wel of niet te brengen totdat er verdere acties worden genomen’.

Ja, dacht Verduijn. Bas en Janine waren ongerust. Begrijpelijk. Maar ze proefde ook wantrouwen. ‘Wij denken dat deze ouders zich niet realiseerden dat wij ook in shock waren over hun melding’, zegt ze daar later over. ‘Ze gaven ons geen tijd om te schakelen. Meteen hadden ze Boink betrokken en ging het over wat wij allemaal moesten doen. Dan sta je vanaf het begin tegenover elkaar.’

Verduijn graaide haar spullen bijeen en reed direct terug naar Oosterbeek.

9. Onduidelijkheid

De verwarring in Oosterbeek begon bij de meldcode. Want wat stond er nu eigenlijk in dat document, dat is opgesteld door de Branchevereniging Kinderopvang? Wat moest er gebeuren bij signalen dat een medewerker een kind iets aandoet?

Dat is niet helder. Eerst spreekt de meldcode in een overzichtelijk stappenschema over een ‘aangifteplicht’. Een paar pagina’s verder, bij de toelichting, heet het opeens ‘een meldplicht’. In het vernieuwde ‘Protocol kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag voor de kinderopvang’, dat vanaf 1 januari 2019 geldt, is dat nog steeds het geval.

Gjalt Jellesma van Boink, die meewerkte aan de totstandkoming van de meldcode, zegt dat de houder van een kinderopvangorganisatie bij een redelijk vermoeden altijd aangifte moet doen. Andere partijen interpreteren dat anders. De Onderwijsinspectie, waar de vertrouwensinspecteurs onder vallen, stelt dat de houder ‘verplicht is zich te melden bij de politie om aangifte te doen’, waarna de politie beoordeelt ‘of de melding aangiftewaardig is’. Zo kijkt ook de politie er tegenaan.

‘Boink en de ouders lezen de meldcode anders dan de vertrouwensinspectie, de gemeente, de politie en het OM’, constateert Michliene Verduijn.

‘Ik ken zaken waarbij de meldcode goed functioneerde’, zegt advocaat Richard Korver. ‘Maar in dit geval was dat anders.’

‘De code lijkt alleen te werken’, zegt Verduijn, ‘als er een dader is over wie geen twijfel bestaat.’

10. Intratuin

Toen Michliene Verduijn hem op vrijdag 20 oktober belde, bleek David in de Intratuin te staan. Hij was net terug van een vakantie in de Ardennen en wist nog van niets. In haar herinnering verliep hun gesprek ongeveer zo.

‘Kun je direct bij mij thuis langskomen?’

‘Wat is er dan?’

‘Dat kan ik niet zeggen door de telefoon.’

Het voelde ongemakkelijk, zegt Verduijn later. Van de zedenpolitie had ze gehoord dat het haar taak als werkgever was om hem te informeren. Maar waarom? Was het niet beter een rechercheur op hem af te sturen?

‘We hebben een melding over je gehad’, zei Verduijn toen ze kort daarna tegenover elkaar zaten. Ook de locatiemanager van David schoof aan. Details over de melding moesten ze van de politie voor zich houden.

David, die niet wil meewerken aan deze reconstructie, reageerde verrast. Hij begon te raden. Het viel Verduijn op dat zijn gedachten niet verder reikten dan de bso waar hij zelf werkzaam was. Over de jonge kinderen uit andere groepen sprak hij niet.

‘Je bent voorlopig vrijgesteld van werkzaamheden’, zei Verduijn. Ook mocht hij zich voorlopig niet in Oosterbeek laten zien, en al helemaal niet op de opvanglocaties. Ze gaf hem het nummer van de zedenpolitie. Als hij wilde, kon hij contact opnemen.

Na afloop typte Verduijn een e-mail aan de gemeente en de politie. ‘Hij reageerde geschrokken en gaf vervolgens aan dat hij graag zo snel mogelijk gehoord wordt door de politie en het liefst zich meteen wilde melden om duidelijkheid te geven waar nodig’, schreef ze. ‘Liefst heeft hij dat de politie nu alles doet om zijn onschuld aan te tonen.’

11. Voorwaarschuwing

‘Dat de politie het contact met de mogelijke verdachte via de kinderopvangorganisatie liet lopen’, zegt Gjalt Jellesma, ‘is volstrekt onbegrijpelijk. Koningskinderen is immers partij in deze kwestie. Misschien is hun beleid niet op orde, waardoor een medewerker met een kind in een afgesloten ruimte kan doorbrengen. Dat is dan een overtreding van de wet, waar de organisatie verantwoordelijk voor kan worden gehouden.’

‘De medewerker is door zijn werkgever geïnformeerd en daarna bij de politie ‘op de koffie’ gevraagd’, stellen Bas en Janine.

‘Men heeft die man een voorwaarschuwing gegeven’, zegt Richard Korver. ‘Dat gebeurt helaas vaker. Ik heb een zaak gedaan waar iemand verdacht werd van misbruik. Ze kreeg een brief of ze zich over drie weken voor een gesprek wilde melden. En wilde ze dan ook haar laptop meenemen? Zulke stupiditeiten komen met enige regelmaat voor.’

12. Penning

Een dag nadat de zedenpolitie Janine bijna vier uur had gehoord, kwam een rechercheur bij ze thuis. De vrouw droeg geen uniform en was gespecialiseerd in het verhoren van kinderen.

Vandaag kwam ze peilen of een verhoor mogelijk was. Zou Sophie bereid zijn iets te zeggen, dan kon ze later in een verhoorkamer op het bureau uitgebreid gehoord worden. Voor het onderzoek, dat de politie na de melding van Bas en Janine was begonnen, zou dat cruciaal zijn.

Bas en Janine hoopten dat Sophie zou kunnen vertellen wat er met haar gebeurd was. Wel vonden ze dat de politie rijkelijk laat was. Er was ruim een week verstreken sinds Sophie haar verhaal voor het eerst had verteld. Waarom moest dat zo lang duren?

Ook verbaasden ze zich erover dat de vrouw haar politiepenning aan Sophie liet zien. Had ze niet gehoord dat Sophie bang was dat de politie haar zou komen halen als ze zou vertellen over David? Dat hadden Bas en Janine wel gemeld.

Al met al concludeerde de politie dit: ze kon prima vertellen, maar zei niets over het voorval.

13. Bruikbare verklaring

Het verhoren van jonge kinderen is als het lezen van een krant op een winderig strand. Je moet er erg je best voor doen. Heel misschien lukt het.

Jannie van der Sleen weet er alles van. Ze is recherche- en rechtspsycholoog en werkte lang op de Politieacademie, waar ze rechercheurs leerde hoe ze kinderen moeten ondervragen. Nu heeft ze haar eigen bedrijf: Kinterview. Ze adviseert de politie en wordt regelmatig als deskundige opgeroepen bij rechtszaken. Bij deze kwestie was ze niet betrokken.

Volgens Van der Sleen kunnen kinderen vanaf 3,5 jaar soms een bruikbare verklaring afleggen. Het kind moet dan wel een aantal dingen kunnen. Vragen van een volwassene begrijpen, bijvoorbeeld. Zich concentreren op een gesprek. En op een begrijpelijke manier antwoorden. ‘Alleen ‘papa piemel’ is niet genoeg’, zegt ze. ‘Dat zijn flarden, ze vormen samen nog geen verklaring.’

‘De vraag is of een kind de verbale capaciteit heeft om te praten over eerdere ervaringen’, zegt Ramón Lindauer, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie van het Amsterdam UMC. ‘Er zijn kinderen jonger dan 4 die dit kunnen en kinderen van 5 die dit minder goed kunnen.’

Een rechercheur moet er bovendien rekening mee houden dat een kind mogelijk door anderen is beïnvloed. ‘Ouders gaan uiteraard vragen stellen als ze vermoeden dat er iets aan de hand is’, zegt Van der Sleen. ‘In die vragen zit vaak informatie verweven. Het risico bestaat dat kinderen die informatie meenemen in hun eigen verhalen. Dat moet de rechercheur er tijdens een verhoor uit proberen te filteren.’

Dat is een groot probleem, zegt ook Robert Horselenberg van Universiteit Maastricht. De rechtspsycholoog, gespecialiseerd in kinderverhoren en valse verklaringen, verwijst naar een Fins onderzoek uit 2014, waarin wetenschappers gesprekken analyseerden die ouders met kinderen hadden gevoerd over een geval van fysiek of seksueel geweld.

Opnames van die gesprekken waren afkomstig uit strafdossiers in zedenzaken, waaruit geconcludeerd mag worden dat de ouders de verklaringen zelf betrouwbaar achtten. Uit de analyse bleek het tegendeel. ‘Ouders stelden vooral suggestieve vragen’, zegt Horselenberg. ‘Bijna alles wat de kinderen vertelden, kwam uit de mond van de ouders. Dat is zorgwekkend. Want ze hadden dat niet in de gaten.’

Ook Lindauer waarschuwt daarvoor. ‘Door suggestieve vragen te stellen, kunnen pseudoherinneringen optreden. De kunst is dat ouders rustig blijven als hun kind zo’n mededeling doet.’ Hoe sneller de politie een kind komt verhoren, zegt hij, hoe kleiner de kans op pseudoherinneringen.

Zonder een verklaring van een kind is het vaak lastig om een zaak van vermeend misbruik rond te krijgen, zegt Van der Sleen. Zeker als er verder niet of nauwelijks bewijs is. ‘Bij Robert M. hadden ze voordeel dat er foto’s waren. Dan zijn de verklaringen van de kinderen niet meer nodig. Maar bij veel zaken ontbreekt dat.’

‘Daarom’, zegt Lindauer, ‘blijft het in de meeste gevallen bij een vermoeden.’

14. Kil

Het stond er echt, in de eenregelige mail die Bas en Janine en de gz-psycholoog die zaterdagavond ontvingen van het kinderdagverblijf.

‘Ik kan jullie laten weten dat, om jullie tegemoet te komen, in overleg is besloten dat de betreffende beroepskracht deze week niet werkzaam zal zijn.’

Hoe konden ze dit schrijven? Bas en Janine snapten er niets van. Net zoals ze uiteindelijk niet zouden begrijpen waarom Verduijn nooit informeerde hoe het met Sophie ging – of met hen. Ze vonden haar kil. Het leek of ze zich alleen druk maakte over het voortbestaan van haar bedrijf.

‘Wat ik niet geheel begrijp’, typte de gz-psycholoog die zondag terug, ‘is je verwoording dat deze keuze wordt gemaakt om ‘ons tegemoet te komen’, omdat ik denk dat deze keuze gemaakt dient te worden om de veiligheid van alle kindjes van Koningskinderen voor honderd procent te waarborgen.’

15. Navelstreng

Was het toeval dat de kinderen nu wel heel vaak spelletjes speelden waar politie en boeven in voorkwamen?

In de weken na de melding waren de medewerkers van Koningskinderen extra op hun hoede. Alles met knippen, piemels en gevangenissen kreeg een andere lading.

Een groepsleidster vertelde tijdens haar verhoor bij de politie dat een collega op de werkvloer een gesprek met een moeder had gevoerd over de besnijdenis van jongetjes met een nauwe voorhuid. Misschien hadden een paar kinderen dat opgevangen?

Toen medewerkers kinderen hoorden spreken over knippen, volgde een klein intern onderzoek. Het verhaal bleek afkomstig van een kind dat net een broertje of zusje had gekregen. De baby had een klemmetje op de navel, op de plek waar de navelstreng was afgeknipt.

Voor de zekerheid stuurde Verduijn de zedenrecherche mails over zulke voorvallen. Misschien bood de informatie aanknopingspunten voor verder onderzoek. Aan de GGD vroeg ze of het misschien zinvol was de groep van Sophie te laten observeren. ‘We wilden hulp’, zegt Verduijn daar later over. ‘Zulke heftige zaken vallen niet binnen onze expertise.’ Maar de hulp kwam niet.

16. Eindgesprek

‘Hoe is het met Sophie?’ wilde een van de rechercheurs weten.

Op 25 oktober 2017, nog geen twee weken nadat Sophie haar moeder over het incident met David had verteld, zaten Bas en Janine op het politiebureau in Nijmegen tegenover twee zedenrechercheurs. Er schoof ook een arts van de GGD aan. Tijdens het gesprek, waarvan de Volkskrant een opname bezit, kregen ze te horen hoe het ervoor stond met het onderzoek.

‘Ze is bang dat, als ze iets zegt, ze naar de gevangenis moet’, zei Janine. ‘Dat komt steeds terug.’

‘En dat is die woensdag begonnen, toch?’ vroeg een rechercheur. ‘Want uit de roosters blijkt dat David er die dag helemaal niet was.’

Ze hadden David een paar vragen gesteld, vertelde ze. En met Michliene Verduijn en twee medewerkers van de groep van Sophie gesproken. Ook waren er foto’s genomen bij de kinderopvang, om een indruk te krijgen van de inrichting.

‘Om een lang verhaal kort te maken’, zei de rechercheur, ‘het blijkt dat ze eigenlijk niet met elkaar in contact zijn geweest.’

‘Op dinsdag was hij er wel’, zei Janine.

‘Hij is er soms ook wel’, zei de rechercheur. ‘Maar er zitten twee leidsters op de groep. Iedereen zegt dat de kans nihil is dat dit gebeurd is.’

Zelf had David ook uitermate verbaasd gereageerd op de melding, vertelde de andere rechercheur. Hij had geen idee waarom Sophie iets dergelijks had verteld.

‘Hij kende haar wel’, zei ze, ‘maar alleen van achter een hekje. Hé Sophie. Hoi David’

‘Dat is niet helemaal waar’, zei Janine. ‘Ze komen elkaar wel tegen.’ Later vertelt Janine dat ze David en Sophie vaak samen hebben gezien als ze haar kwamen ophalen.

‘Hij zegt: meer contact met haar heb ik niet’, zei de rechercheur. ‘Anderen bevestigen dat. Het kan haast niet gebeurd zijn.’

‘We kennen hem van lang geleden’, zei Bas. ‘We haalden Sophie op en toen waren de leidsters van de jonge kinderen al naar huis. Dan gaan de kinderen naar de bso. We haalden Sophie daar op en hij was er ook. Dat is niet van achter een hekje.’

‘Was dat vanaf zes uur?’ vroeg een rechercheur. ‘Ik begreep dat dan een leidster van de kinderopvang meegaat naar de bso. Of er zijn meerdere leidsters van de bso aanwezig. Daar zijn protocollen voor.’

In een reactie zegt Verduijn dat er bij het afsluiten ‘echt altijd’ een medewerker van de groep jonge kinderen aanwezig is, omdat je ‘een baby niet zomaar bij de bso kunt achterlaten’. Wel speelden kinderen vanaf 3,5 jaar oud aan het einde van de dag soms bij de bso, om te wennen. Ouders liepen dan in en uit om hun kinderen te halen.

‘Er is een discrepantie tussen beleid en uitvoering’, zei Janine. ‘Sommige dingen kloppen niet. Hebben jullie andere ouders hierover gesproken?’

‘Nee’, zei een rechercheur. ‘Omdat we geen onrust willen veroorzaken. En Sophie sprak ook over de bedjes. En over thuis.’

‘Ja, dat is inconsequent’, zei Janine. ‘Maar toch vond ik de melding verontrustend.’

‘U hoort ons ook niet zeggen dat er niets met Sophie gebeurd is’, zei de andere rechercheur. ‘Maar de kans dat er tussen David en Sophie iets gebeurd zou zijn, achten we nihil.’

‘De kans is nihil’, herhaalde Janine even later.

‘Ik zeg niet dat er honderd procent zeker niets gebeurd is’, zei een van de rechercheurs.

‘Maar de kans is zo klein dat het hier stopt’, zei Janine.

‘Ergens moet je een streep trekken. Ik denk dat we al heel wat gedaan hebben naar aanleiding van deze melding.’

Janine informeerde nog of het geen goed idee zou zijn andere ouders te informeren, omdat er dan misschien meer meldingen zouden komen. Daar voelden de rechercheurs weinig voor.

‘Deze melding blijft bij ons in de computer staan. Mocht er een soortgelijke melding komen, dan gaan alle alarmbellen rinkelen. Maar om het nu groter te maken?’

Hier bekroop Bas en Janine het gevoel dat er iets veranderd was. Ze hadden aangeklopt als slachtoffers, maar werden steeds meer bejegend als lastpakken, als onruststokers die iemand aan de schandpaal wilden nagelen.

‘We mochten met niemand praten omdat we daarmee het onderzoek konden hinderen’, zei Janine. ‘Nu mogen we toch wel zeggen waar we mee zaten? Mensen gaan vragen stellen als we Sophie weghalen bij het kinderdagverblijf.’

‘Dat is lastig’, zei een rechercheur. ‘We kunnen het jullie niet verbieden erover te praten, maar we willen jullie op het hart drukken het niet groter te maken dan het is.’

‘We willen geen hetze creëren.’

En toen begon een rechercheur over de Deense film Jagten, waarin een meester op een kleuterschool valselijk beschuldigd wordt van kindermisbruik.

‘Die film zouden jullie eens moeten zien’, zei ze. ‘Die geeft een idee wat het doet met iemand om volkomen onterecht beschuldigd te worden.’

17. Jagten

‘Iedereen is diep onder de indruk van Jagten’, zegt Richard Korver. ‘Terecht ook. Het is heftig om ten onrechte beschuldigd te worden. Maar moet je het daarom laten lopen? Er waren hele dorpen die wisten dat de kapelaan kinderen misbruikte. En niemand deed wat. Je zou ook kunnen denken: het gaat om heel ernstige dingen, better safe than sorry, laten we het goed onderzoeken.’

‘Ik ken meerdere zaken waarin iemand - waarschijnlijk - onterecht werd beschuldigd’, zegt psycholoog Jannie van der Sleen. ‘Dan is je hele leven stuk. Zo iemand kan nooit meer het werk doen waarvoor hij is opgeleid. Dit soort zaken levert voor iedereen alleen maar ellende op. Of het nou gebeurd is of niet.’

‘Het is nooit onze intentie’, laat de politie weten na vragen over de opmerking over de film Jagten, ‘om mensen een vervelend of ongemakkelijk gevoel te geven.’

18. Geen hypochonders

Deed de politie goed werk? De ouders van Sophie en de deskundigen die hen hebben bijgestaan twijfelen aan de kwaliteit van het onderzoek.

‘Een onderzoek-light’ noemt Gjalt Jellesma het. ‘David loog bijvoorbeeld dat hij Sophie niet kende. Waarom is dat niet beter onderzocht? Hadden ze zijn computers niet in beslag moeten nemen?’

‘Waarom nam de politie aan dat het voorval had plaatsgevonden op de dag dat Sophie er voor het eerst over vertelde?’ zegt Bas. ‘Dat heeft ze nooit gezegd.’

‘De politie heeft zich er erg gemakkelijk vanaf gemaakt’, zegt Richard Korver. ‘Vanaf het eerste contactmoment wekten ze de indruk dat ze er niet veel mee konden. En dat terwijl deze ouders nuchtere figuren zijn. Echt geen hypochonders. Gaan we dan alleen mensen oppakken als het misbruik is gefilmd?’

De gz-psycholoog die Bas en Janine adviseerde, verbaast zich erover dat de zedenpolitie niet meer pogingen deed om Sophie een verklaring te laten afleggen. ‘En als dat lastig was, hadden ze de ouders een vragenlijst kunnen voorleggen met vragen over de seksuele gedragingen van een kind bij een vermoeden van seksueel misbruik.’

Onafhankelijke deskundigen, die op verzoek van de Volkskrant een conceptversie van dit verhaal lazen, zijn minder streng. Rechtspsycholoog Annelies Vredeveldt, die bij de Vrije Universiteit onderzoek doet naar getuigenverklaringen, heeft de indruk dat de politie ‘nog redelijk wat onderzoek heeft gedaan, inclusief het horen van de verdachte en verschillende getuigen’.

Robert Horselenberg van Universiteit Maastricht ziet op basis van de aangeleverde informatie geen opmerkelijke flaters in het onderzoek, zegt hij. De rechtspsycholoog, gespecialiseerd in kinderverhoren en valse verklaringen, zou graag zien dat de politie in dit soort gevallen méér zou doen, maar al met al lijken de rechercheurs in deze zaak volgens hem te hebben voldaan aan de standaardeisen die momenteel gelden. Ze hebben de roosters bestudeerd, de betrokken medewerker en andere medewerkers van de kinderopvang gesproken en een poging gedaan Sophie te horen, zegt Horselenberg. ‘Dat gebeurde na een week, wat ik snel vind. Vaak zit er twee tot vier weken tussen.’

André de Zutter van de Vrije Universiteit vermoedt dat de politie tijdens het gesprek met David weinig signalen kreeg die erop wezen dat hij schuldig was. ‘Als ze hem niet op een leugen of een inconsequentie kunnen betrappen, is er weinig reden om het onderzoek op te schalen’, zegt de rechtspsycholoog, die onder meer de verschillen tussen echte en valse verklaringen onderzocht. ‘Ook omdat een aantijging van seksueel misbruik je leven totaal kan verwoesten.’

Ondanks meerdere verzoeken willen de politie en het OM ‘omwille van de privacy van alle betrokkenen’ niet in gesprek over de werkwijze in deze zaak. Wel beantwoordt een woordvoerder van het OM een aantal vragen per e-mail.

Ze stelt bijvoorbeeld dat het in deze zaak niet veel uitmaakte of er wel of geen aangifte is gedaan, omdat direct na de melding al een onderzoek werd opgestart. Dat onderzoek is ‘zorgvuldig’ uitgevoerd ‘door gecertificeerde zedenrechercheurs van het team Zeden van de politie Oost-Nederland’ en er zijn geen strafbare feiten naar voren gekomen. ‘De medewerker is niet aangehouden. Hij is ook geen verdachte geweest.’

De woordvoerder reageert ook op de suggestie van Gjalt Jellesma dat kinderen jonger dan 4 ‘vogelvrij’ zijn, omdat bij de politie rond zou zingen dat het OM toch niet in actie komt. ‘Het is waar dat kinderen onder de 4 jaar in principe niet worden gehoord, omdat ze moeilijk te horen zijn’, schrijft ze. ‘Maar het is niet zo dat het nooit gebeurt. In deze casus is juist geprobeerd om te kijken of het kind wél kon worden gehoord.’

19. Baantjer

Opluchting. Dat voelde Michliene Verduijn nadat ook zij een afrondend gesprek had gehad bij de politie. Eindelijk kon ze deze moeilijke weken afsluiten.

Later zegt ze dat de Nijmeegse rechercheurs ‘gezien de beschikbare capaciteit’ gedaan hadden wat ze konden. Ze snapt alleen nog altijd niet waarom David niet van zijn bed was gelicht, zodat ze hem eerder hadden kunnen verhoren. Toen ze de rechercheurs ernaar had gevraagd, lachten ze een beetje. ‘U heeft te veel naar Baantjer gekeken’, zouden ze hebben gezegd.

Verduijn maakte plannen hoe David weer aan het werk kon gaan. Eerst een paar uurtjes per dag op een andere locatie. Daarna weer terug naar zijn eigen groep. Ze informeerde Bas en Janine erover per brief en stelde voor snel een datum voor een gesprek te prikken.

‘Het lijkt ons goed jullie verhaal te horen en te bekijken op welke wijze wij, Koningskinderen, en jullie als gezin, kunnen omgaan met de huidige situatie.’

Maar daar voelden de Bas en Janine weinig voor. Ze schreven Sophie uit en lichtten dat per brief nog eens uitgebreid toe.

‘Onze dochter ervaart het kinderdagverblijf door de ontstane situatie als een onveilige en beangstigende plek’, las Verduijn. ‘Daarbij is ook ons vertrouwen in het kinderdagverblijf sterk afgenomen.’ En verderop: ‘De hele inzet vanuit jullie is erop gericht geweest om vooral geen ruchtbaarheid aan deze zaak te geven, waarbij bij ons sterk de indruk ontstond dat dit hele voorval in de doofpot is gestopt.’

Ook de terugkeer van David leidde tot ongemak, herinnert Verduijn zich, zowel bij haar als bij de collega’s die weer met hem moesten werken. Ze waren allemaal op de hoogte van de melding, Verduijn had eindeloze gesprekken met ze gevoerd. Hadden zij ooit iets verdachts meegemaakt? Gedroeg David zich weleens vreemd? Er was niets naar boven gekomen. Helemaal niets.

Klaar dus, dacht ze. De blik kon weer vooruit. Achteraf zou ze die houding naïef noemen.

20. Thermometer

‘Als er geen aangifte van de ouders is opgenomen en ook niet van de kinderopvangorganisatie, dan ga ik er vanuit dat er bij de zedenpolitie geen vermoeden was van een strafbaar feit’, zegt zedenexpert Yet van Mastrigt van de Nationale Politie, die niet over de zaak wil praten maar wel over de algemene werkwijze van de politie. ‘We weten dat er in zulke gevallen onrust kan ontstaan. Daarom beginnen we soms ambtshalve een onderzoek, ook bij een schoolpleinroddel. Toen ik nog teamleider was, zei ik dan tegen mijn team: ga het maar onderzoeken, steek de thermometer er maar even in. Terwijl we de tijd misschien liever in echte zaken hadden gestoken. Maar soms is het nodig. Om te voorkomen dat over twee weken het hele dorp overstuur is. Voor je het weet gaat rond dat kinderen in kelders worden vastgehouden.’

21. Rondleiding

Bas en Janine brachten een bezoek aan een andere kinderopvangorganisatie in Oosterbeek, waar ze een plek hoopten te vinden voor Sophie.

Het kon niet anders. Bij Koningskinderen blijven was geen optie, vooral omdat Verduijn niet kon garanderen dat Sophie David nooit meer zou treffen. Ook in de toekomst zou hij op verschillende locaties kunnen worden ingezet, had ze gezegd.

Ook waren Bas en Janine kwaad omdat ze de indruk hadden dat Verduijn in een gesprek met de gz-psycholoog had gesuggereerd dat ze eropuit waren haar bedrijf te laten ‘bloeden’. En dat het vermeende misbruik niet per se bij Koningskinderen hoefde te hebben plaatsgevonden, omdat Sophie het ook over ‘thuis’ had gehad.

Over dat laatste zou Verduijn later tegen de ouders zeggen dat dat niet haar mening was, maar dat ze slechts informatie van de politie doorgaf. Ze wist er de lucht niet mee te klaren. Bas en Janine vonden dat Verduijn sowieso niet met andere ouders over hun zaak had moeten praten, óók niet met ouders die zij zelf in vertrouwen hadden genomen.

En daarom liepen Bas en Janine nu op een ander kinderdagverblijf, waar een medewerker ze een rondleiding gaf. Halverwege stelde Sophie een vraag. Ze klonk enigszins bezorgd.

‘David komt hier niet, hè?’

22. Privédetective

Half november spraken Bas en Janine in een restaurant op een industrieterrein in Utrecht af met Robert van den Bergh van PSG Recherche. Ze hadden de privédetective benaderd op advies van Richard Korver, die deze oud-rechercheur zelf soms ook inschakelde voor onderzoek.

Janine had het internet ook al afgestruind. Talloze malen typte ze de voor- en achternaam van de medewerker in het zoekveld van Google. Ze ontdekte onder andere dat hij met zijn vrouw een fotografiebedrijfje had, waar ze ook baby’s en jonge kinderen fotografeerden. Zou de detective nog op andere dingen stuiten?

Bas en Janine voelden zich moreel verplicht te investeren in zo’n onderzoek. Want één ding wilden ze voorkomen. Dat David in de toekomst mogelijk meer slachtoffers zou maken. Omdat zij niet alles uit de kast hadden gehaald.

Een week later ontvingen Bas en Janine per e-mail een rapport van elf pagina’s. Van den Bergh en zijn collega hadden onder meer in het kadaster gekeken, de kredietwaardigheid van David en zijn vrouw onderzocht en in de database van de Kamer van Koophandel gekeken. Dat leverde weinig spannends op.

Op Facebook waren de detectives inderdaad op het fotografiebedrijfje gestuit. Ze plakten een paar foto’s in het rapport, die in de verte doen denken aan die waarmee fotograaf Anne Geddes wereldwijde faam vergaarde. Een naakte baby met een strik erom, slapend op zijn buik. Een naakte baby in een mandje.

Bas en Janine kregen er de kriebels van. Maar ja, die paar foto’s bewezen natuurlijk niet dat deze man gevoelens voor kinderen had, laat staan dat hij hun dochter iets had aangedaan. PSG Recherche formuleerde de conclusie dan ook neutraal. Het delen van sommige babyfoto’s op Facebook noemden de privédetectives ‘niet handig’.

Later vertelde Van den Bergh aan Bas en Janine dat hij de bevindingen had gedeeld met de zedenpolitie in Nijmegen. Van het fotografiebedrijfje bleken de rechercheurs niet op de hoogte. Ze vroegen een link naar de pagina.

‘De politie heeft weinig tot niets gedaan in deze zaak’, zegt Van den Bergh tegen de Volkskrant. ‘Als je zoiets serieus oppakt, doe je ook digitaal onderzoek.’

23. Digitaal onderzoek

Waarom nam de politie bij David geen computers, tablets en telefoons in beslag? Het is een vraag waar Bas en Janine nog altijd mee rondlopen. Ze verwijzen daarbij naar een recent rapport van Herman Bolhaar. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen riep de politie in 2018 op vaker digitale gegevensdragers te onderzoeken.

‘Digitale sporen kunnen het onderzoek op weg helpen’, zegt Bolhaar desgevraagd. ‘Niet alleen in kinderpornozaken, maar óók in misbruikzaken.’

Een woordvoerder van de politie beaamt dat digitale gegevensdragers een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het onderzoek. Wel stelt ze een voorwaarde: ‘Er moet voldoende juridische grondslag zijn – zoals het vermoeden van een strafbaar feit – om tot inbeslagname te kunnen overgaan. In deze zaak ontbrak voornoemde juridische grondslag.’

Rechtspsycholoog Robert Horselenberg begrijpt die afweging. ‘Het verhaal van Sophie riep veel vragen op, met dat knippen, de bedjes en thuis. En ze lijkt niets te hebben gezegd over foto’s, of dat David een telefoon in zijn hand had. Dan is het opvragen van gegevensdragers nicht im Frage.’

‘Ze hadden fatsoenlijker met deze ouders moeten omgaan’, zegt Annelies Vredeveldt van de Vrije Universiteit. ‘En beter moeten uitleggen waarom de politie geen computers kon meenemen.’

André de Zutter voelt wel wat voor inbeslagname van digitale gegevensdragers in deze zaak. ‘Ik zou dat altijd doen’, zegt hij. ‘Maar dan wel direct na de melding. Als hij een pedoseksueel is, bezit hij naar alle waarschijnlijkheid kinderporno.’

24. Bedjes, thuis

Bedjes. Thuis. Die twee woorden maakten de verklaring van Sophie wankel en tweeslachtig. Maar op een dag in november ontdekte Janine waar ze vandaan kwamen.

Omdat Sophie niet meer naar de kinderopvang ging, namen Bas en Janine haar regelmatig mee naar hun werk. Daar zat ze vaak met haar poppen te spelen. Op een dag vroeg Janine haar alles op te ruimen, omdat ze bijna naar huis gingen.

‘Dit is thuis’, zei Sophie toen.

‘Wat zeg je?’

‘Dit is thuis.’

Sophie wees naar de speelhoek, waar ze een huisje voor haar poppen had gemaakt, een huisje met bedjes. In haar hoofd maakte Janine de verbinding. Thuis. Bedjes. Poppenhuis.

‘Heb je bij de kindjes ook een thuis?’ vroeg ze.

‘Ja’, zei Sophie. ‘Daar is ook een thuis.’ Ze gaf met haar handen de hoogte aan.

Die avond brachten ze de politie ervan op de hoogte dat het incident met Sophie mogelijk bij het grote poppenhuis in de hoek van de bso-ruimte had plaatsgevonden. Ze hoopten dat er nog iets in beweging zou komen, nu bleek dat de verklaring van Sophie minder warrig was dan aanvankelijk gedacht.

Maar nee.

Het bleek onvoldoende om het onderzoek te heropenen.

25. Kabouter

‘Ik ken een zaak waarin een kind zei dat het misbruikt was door een kabouter’, zegt Richard Korver. ‘Ja, toedeloe, denkt iedereen dan. Maar later bleek in een tuincentrum een kabouter rond te lopen. Een volwassene in een pakje. Dat was de dader. Het was dus gewoon waar. Ik heb geleerd altijd alles te onderzoeken. En ja, er zijn soms valse meldingen, bullshit stories die niet waar blijken te zijn. Dat een kind niet durft te zeggen dat het zijn vader was, en dus maar iemand aanwijst. Maar er is echt geen bewijs dat de helft van de meldingen vals is, zoals sommigen wel beweren.’

26. Werkdruk

Kón de zedenrecherche gewoon niet meer onderzoek doen? Een opname van het eindgesprek dat Bas en Janine voerden met de Nijmeegse rechercheurs – het gesprek waarin ook Jagten werd genoemd – werpt die vraag op. Tot driemaal toe klaagde een van de zedenrechercheurs tijdens dat gesprek over de werkdruk bij haar afdeling.

‘We hebben zoveel werk liggen’, zei ze. ‘Er komen steeds nieuwe zaken binnen. We moeten roeien met de riemen die we hebben.’

Later: ‘Wij hebben stapels werk.’

En tegen het einde: ‘We hebben zo gigantisch veel werk. Soms schaam ik me diep dat ik voor zo’n organisatie moet werken. Je krijgt er niets bij, moet het doen met wat je hebt. We hebben nog acht mensen van de twintig over. Met honderd zaken of zo. En dan komt dit er tussendoor.’

Bijna twee jaar daarna, in augustus 2019, zou Nieuwsuur melden dat zedenzaken ‘door drukte en onderbezetting’ lang op de plank blijven liggen. Bij zeker 350 zaken per jaar duurt het maanden tot soms een jaar voordat rechercheurs een zaak onderzoeken en de vermoedelijke dader verhoren.

In juni 2020 constateert ook de Inspectie Justitie en Veiligheid dat problemen bij de zedenteams te maken hebben met ‘een krappe bezetting’. Zedenrechercheurs voeren hun werk ‘met de juiste intentie’ uit, noteert de inspectie in Verschillende perspectieven. Door de werkdruk komen ze er echter niet aan toe ‘om aan hun zaken te werken zoals zij willen, om aandacht te hebben voor het slachtoffer zoals zij dat willen en om te reflecteren op hun werk’, blijkt uit het rapport.

‘De zedenafdelingen zijn stelselmatig onderbemenst’, zegt ook rechtspsycholoog Robert Horselenberg van Universiteit Maastricht. ‘Momenteel moet je bijvoorbeeld niets overkomen in de regio Midden-Nederland. Daar ligt de zedenafdeling volledig op zijn gat.’

‘Team Zeden van de politie heeft een grote werkvoorraad’, zegt een woordvoerder van de politie. ‘Alle zaken krijgen de aandacht die ze verdienen. De grote voorraad betekent niet dat zaken niet worden opgepakt, wel kan het zorgen voor een langere doorlooptijd.’

‘Een lange doorlooptijd’, zegt Horselenberg, ‘is voor het geheugen desastreus.’

27. De juiste stappen

Op de ochtend van 30 november 2017 zaten Bas en Janine om de tafel met onder anderen Michliene Verduijn, de locatiemanager, twee medewerkers van de vertrouwensinspectie en de bevriende gz-psycholoog. Gjalt Jellesma van Boink was ook aangeschoven.

Het moest een evaluatiegesprek worden. Maar nu de zedenpolitie, het OM en de gemeente Renkum niet kwamen opdagen, was dat eigenlijk bij voorbaat mislukt. Een gemeenteambtenaar had per e-mail laten weten dat het niet nodig was, omdat ‘de juiste stappen door alle partijen in dit proces zijn doorlopen’.

Daar dachten sommige aanwezigen anders over. Zo vertelden Bas en Janine dat ze nooit het gevoel hadden dat ze serieus genomen werden. Vooral de opstelling van de kinderopvangorganisatie vonden ze ondermaats. Ze hadden nooit een goed antwoord gekregen op hun brief. En ze vonden het nog altijd onbegrijpelijk dat Koningskinderen geen aangifte had gedaan.

‘Je bent blijven hangen bij de frontdesk’, zei Janine tegen Verduijn. ‘Je hebt geen zedenrechercheur gesproken. En vervolgens zeg je dat de bal bij ons ligt.’

‘Bij een aangifte heeft de politie andere plichten dan bij een melding’, zei Jellesma. ‘En dan wil ik toch even een vervelende vergelijking maken. De Amsterdamse politie heeft een melding over Robert M. ook hardnekkig genegeerd. Ouders werden aan alle kanten tegengewerkt om er een aangifte van te maken. Ik zeg niet dat ze alles hadden kunnen voorkomen, maar wel een heleboel. De politie is hardleers. Ik kijk daar met verbazing naar.’

De politie laat in een reactie op een conceptversie van dit artikel weten dat medewerkers betrokken bij dat onderzoek zich hier ‘totaal niet’ in herkennen.

Tot slot kwam ook de wens van Bas en Janine ter sprake om andere ouders te informeren over het vermoeden van grensoverschrijdend gedrag. Ze kwamen in een sociaal isolement, zeiden ze. Gingen andere ouders uit de weg.

‘Ouders zijn vaak woedend als ze pas laat horen over zo’n zaak’, zei Jellesma. ‘Dan zeggen ze dat ze bij hun eigen kind hadden willen kijken of er signalen waren. Die mogelijkheid is ze ontnomen.’

Hij vertelde over een misbruikzaak in De Bilt, waar ouders snel bij elkaar geroepen werden toen een medewerker had bekend dat hij twee kinderen had misbruikt op de bso waar hij werkte. Na de bijeenkomst bleken er opeens meer slachtoffers te zijn. ‘Je moet ouders in een vertrouwelijke bijeenkomst, zonder pers, uitleggen wat er gebeurd is en welke stappen er zijn gezet. Voor een kinderdagverblijf is dat spannend, maar in werkelijkheid stellen ouders dat op prijs.’

‘De betrokken instanties hebben geadviseerd er op dit moment geen ruchtbaarheid aan te geven’, zei Verduijn. ‘In hun ogen is er niets gebeurd. Hun advies is mijn enige houvast.’

‘Maar als Sophie straks misschien een keer vertelt dat ze bang is voor David’, zei Jellesma, ‘en een moeder hoort dat, dan kan ik je verzekeren dat we alle greep op het proces kwijt zijn.’

Jellesma stelde voor een onafhankelijke expert in te schakelen, die de ouders en de kinderopvangorganisatie zou kunnen helpen gezamenlijk tot een oplossing te komen. Hij zou een lijstje namen leveren van mensen met ervaring.

‘Kunnen jullie je daarin vinden?’ vroeg een vertrouwensinspecteur, al valt uit de geluidsopname van het gesprek niet goed op te maken waarin de aanwezigen zich precies moesten kunnen vinden.

‘Ja’, zei Verduijn.

‘En de ouders ook?’

‘Ja’, zei Janine.

En dus ging Michliene Verduijn die middag naar huis met het idee dat ze samen met zo’n expert zouden gaan bepalen óf andere ouders ingelicht moesten worden, terwijl Bas en Janine dachten dat de expert zich zou buigen over de vraag hóé ouders op de hoogte gebracht zouden worden.

28. Stilhouden

Michliene Verduijn belde rond voor overleg. Ze werd zo langzamerhand gek van de situatie, van de meldcode die op verschillende manieren te interpreteren was, van de lamlendigheid van al die instanties waarvan er geen een de regie nam, van de dwingende roep om openheid aan de ene kant en de neiging om alles stil te houden aan de andere kant.

Ze bestookte iedereen met vragen. Moest ze de andere ouders informeren, zoals Bas en Janine suggereerden? Want ze had het gevoel dat het toch wel naar buiten zou komen, dat ze hun mond niet zouden kunnen houden, dat de situatie onhoudbaar was.

Ook benaderde Verduijn enkele andere kinderopvangorganisaties, die een soortgelijke situatie hadden meegemaakt. Daar werd ze niet veel wijzer van. Sommige waren positief over het informeren van ouders, zegt ze achteraf. Het betrof gevallen waar al snel buiten kijf stond dat de medewerker schuldig was. Andere organisaties lieten haar weten dat er veel onrust was ontstaan.

Bij de gemeente, de politie en het Openbaar Ministerie twijfelde niemand. Niet informeren, was het devies. Geen onrust creëren. Dat zei ook een gespecialiseerde jurist die Verduijn raadpleegde. Want wat zou ze willen melden? De naam van de werknemer mocht ze niet noemen. De naam van het kind niet. De aard en de zwaarte van het incident evenmin. Zulke informatie zou eventuele volgende meldingen alleen maar kunnen beïnvloeden. Wat viel er dan te communiceren?

Het kon niet, besefte Verduijn. En dus moesten ze het inderdaad maar stilhouden. Wie was zij om al deze adviezen naast zich neer te leggen? Ze besloot niet langer te wachten op het lijstje experts van Jellesma, dat ze na een week nog steeds niet ontvangen had.

29. Juridische stappen

Bas en Janine ontvingen de brief een week na het gesprek. Verduijn zou andere ouders niet informeren, lazen ze. Een laatste ontmoeting tussen Sophie en de groepsleiding zag Verduijn om ‘pedagogische redenen’ ook niet zitten.

‘Het lijkt ons niet haalbaar jullie dochter te ontmoeten, zonder te vragen hoe het met haar gaat, zonder te praten over haar vertrek bij Koningskinderen’, lazen Bas en Janine in haar brief.

Ook liet Verduijn weten dat ze ouders met vragen over het vertrek van Sophie naar hen zou doorverwijzen.

‘Wij gaan ervan uit dat jullie deze vragen op zo’n manier zullen beantwoorden, dat noch jullie, noch jullie dochter, noch onze medewerker(s), noch Koningskinderen als bedrijf schade zullen ondervinden naar aanleiding van jullie uitleg hieromtrent. Wanneer er op enig moment informatie wordt verstrekt die bovengenoemde betrokkenen wel degelijk schaden dan zullen wij onmiddellijk juridische stappen nemen.’

Pardon, dachten Bas en Janine toen ze dit lazen. Juridische stappen? Wat was dit voor aanval? En wat moesten ze nu?

De ontmoetingen op straat waren al zo ongemakkelijk. Andere ouders vroegen waarom Sophie niet meer naar het kinderdagverblijf kwam. Waarom hadden Bas en Janine haar weggehaald, een paar maanden voordat ze naar de basisschool zou gaan?

‘Daar kunnen we niets over zeggen’, zeiden ze dan vertwijfeld. ‘Later misschien.’

Ondertussen knaagde het schuldgevoel. Ze wisten iets wat andere ouders ongetwijfeld wilden weten. Daarom besloten ze Richard Korver in te schakelen, een ervaren advocaat met een bijpassend uurtarief. Hoe zouden ze er anders achter komen wat ze tegen anderen konden zeggen zonder in problemen te komen?

30. Knuffelkonijn

Op een donderdagavond tussen Kerst en Oud en Nieuw stapten Bas en Janine met de bevriende gz-psycholoog het gebouw van Koningskinderen binnen. Ze kwamen nog wat spullen van Sophie halen. Een knuffelkonijn, een knutselboek.

Op de groep aan de rechterkant troffen ze een vrouwelijke invaller, schrijft de gz-psycholoog in een geschreven verklaring die ze deelt met de Volkskrant. Even verderop, in het kantoortje, zat David. Bas en Janine besloten direct om te keren.

De gz-psycholoog vroeg nog aan de invaller of er verder iemand aanwezig was. Nee niemand, antwoordde die. Een collega was eerder naar huis gegaan, omdat het die dag zo rustig was.

Na een week hoorde de gz-psycholoog van de locatiemanager dat er iets was misgegaan. Een andere medewerker had ook tot half zeven moeten blijven. In hetzelfde gesprek zou ze verteld hebben dat het kinderdagverblijf de regels had aangescherpt. Zo mochten kinderen voortaan niet meer zonder direct toezicht in de hal van het gebouw spelen. Mannelijke medewerkers zouden niet meer alleen op een bso-groep worden gezet.

Het maakte Bas en Janine alleen maar ongeruster. De aanpassingen bewijzen ‘dat er in het beleid wél gaten waren’, zeggen ze later.

Verduijn wil niet op deze gebeurtenissen en de beschuldiging reageren. Ze zegt dat dit is ‘hoe de ouders en de gz-psycholoog het hebben ervaren’, maar dat het in haar beleving anders is gegaan. Ze voelt niet de behoefte haar bevindingen er tegenover te zetten’, zegt ze. ‘Dat leidt alleen maar tot meer verdriet en onbegrip.’

31. Veilig Thuis

De bel ging. Het was half januari 2018, ze waren net twee uur terug van vakantie en Bas trof twee agenten voor de deur, die hem vertelden dat Veilig Thuis binnenkort op bezoek zou komen. De aanleiding was hun melding van een paar maanden eerder.

Bas begreep het niet. Veilig Thuis kwam toch langs als je je kind mishandelde? En waarom stuurden ze agenten? Wat was dit voor aanpak? Verder had de gemeente nog geen enkele keer contact met ze opgenomen.

Hij wilde Janine erbij halen, maar bedacht zich net op tijd. Sophie zat binnen. Die was nog steeds bang dat de politie haar kwam halen.

Na een kort gesprek vertrokken de agenten. Toen hij de deur dichtdeed, drong tot Bas door dat de situatie gekanteld was. Ze hadden een probleem aangekaart. Nu waren ze zelf een probleem.

32. Juiste zorg

‘Mijn collega wist niet hoe het met Sophie ging’, antwoordt een ambtenaar van de gemeente Renkum op vragen over het bezoek van Veilig Thuis. ‘Ze wilde er zeker zijn dat ze de juiste zorg kreeg. Toen is uiteindelijk voor zo’n maatregel gekozen. Een rigoureuze maatregel, daar moet ik eerlijk in zijn.’

‘Dat was ook niet de intentie’, vult burgemeester Agnes Schaap aan.

‘Er hadden geen politieagenten moeten aankloppen’, zegt de ambtenaar. ‘Er had een gesprek moeten plaatsvinden tussen de ouders en Veilig Thuis. Zo van, goh, gaat het goed met jullie en jullie kind? En komt de hulpverlening op gang?’

33. Speelparadijs

Bas belde het speelparadijs met een smoes en onder een schuilnaam. Marcel Jansen, zoiets moet het geweest zijn. Dat voelde ongemakkelijk, maar wat moest hij anders? Hij kon Sophie onmogelijk naar dat kinderfeestje sturen als de kans bestond dat ze David daar zou tegenkomen.

‘Ik wil vrijdag met wat kinderen bij jullie langskomen’, zei hij. ‘En nu vroeg ik me af of jullie ook glutenvrij eten hebben.’

‘Ja, dat hebben we’, zei de medewerker.

‘En o ja’, vroeg Bas gemaakt terloops. ‘Een jongen die meegaat, kent David van de kinderopvang. Werkt hij toevallig ook vrijdag?’

Dit hadden ze kort daarvoor van de bevriende gz-psycholoog gehoord. Ze had David bij dat speelparadijs gezien. Hij werkte er. Direct had ze Bas en Janine geïnformeerd. Het versterkte hun wantrouwen. David was altijd met kinderen in de weer. Hij speelde met ze bij een buitenschoolse opvang, hij werkte bij een speelparadijs en fotografeerde baby’s bij zijn fotografiebedrijfje. Het is ‘een profiel dat vragen oproept’, zeggen de ouders en de mensen die hen ondersteunen daar later over. ‘En het lijkt erop dat de politie tijdens het onderzoek niet op die manier naar hem gekeken heeft.’

‘Nee’, zei de medewerker van het speelparadijs nu aan de telefoon. ‘David is er vrijdag niet.’

Sophie kon gewoon naar dat feestje.

34. Profiel

‘Pedofielen kunnen een kind-gecentreerd leven voor zichzelf inrichten’, zegt forensisch psycholoog Wineke Smid van de Van der Hoeven Kliniek. Ze promoveerde in 2014 op de recidiverisico’s van zedendelinquenten. ‘Niet per se om steeds misbruik te kunnen plegen, maar ook omdat pedofielen houden van het gezelschap van kinderen. Andersom houden ook veel andere mensen van het gezelschap van kinderen, zonder ooit misbruik te plegen. Niemand zal achteraf verbaasd zijn als een pleger zijn leven op deze manier blijkt te hebben ingericht, maar het profiel zelf vormt geen aanwijzing of bewijs. Iemand met een ‘perfect pedofielenprofiel’ kan nog steeds onschuldig zijn en iemand met een totaal niet passend profiel kan toch een delict gepleegd hebben. Politiewerk en rechtszaken horen te gaan over bewijs, niet over profielen.’

35. Smaad/laster

Eindelijk wisten ze het. Op 30 januari ontvingen Bas en Janine een e-mail van een advocaat van Richard Korver Advocaten.

‘Wij menen dat u wel kunt vertellen wat uw dochter heeft verteld’, schreef ze. ‘Daarbij zal u wel duidelijk moeten maken dat er onderzoek is gedaan en dat er uit dat onderzoek niets is gekomen. Indien u zou aangeven de persoon in kwestie nog steeds verdacht te vinden, dan is de kans zeer wel aanwezig dat dit wel als smaad/laster wordt aangemerkt.’

‘U geeft aan dat wij mogen vertellen wat onze dochter ons verteld heeft’, antwoordden Bas en Janine, voor wie het nog niet helemaal duidelijk was. ‘Mag dat dus het volgende zijn: medewerker (vermeld met naam) heeft zijn piemel aan haar laten zien en ‘knipte’ in piemel?’

‘Wij ontraden om dat zo expliciet te melden’, antwoordde de advocaat een week later. ‘Reden is niet alleen de vrees voor eventuele smaad/laster, maar ook omdat, als er mogelijk toch nog nader onderzoek verricht zou worden door de politie en mensen bevraagd zouden worden, het verhaal mogelijk niet langer authentiek zal zijn, omdat men dan al details van derden heeft gehoord. Daarnaast zou het expliciet melden van de naam van de medewerker eveneens kunnen leiden tot smaad/laster.’

In de dagen daarna vertelden Bas en Janine aan vijf stellen wat hun overkomen was, stellen met kinderen op de opvanglocatie waar Sophie ook had gezeten, stellen die vragen gesteld hadden over het vertrek van Sophie. Daarbij hielden ze zich, benadrukken ze achteraf, keurig aan de adviezen van de advocaat.

Het eerste stel dat Bas en Janine dat weekend hadden uitgenodigd om te komen eten, reageerde geschrokken. De vrouw begon te vissen, herinneren Bas en Janine zich. Ze noemde de naam van een andere mannelijke medewerker. Want David kon het niet zijn, zou ze hebben gezegd. Die was heel aardig.

36. Tweede melding

Op donderdag 8 februari zat Michliene Verduijn opnieuw met bezorgde ouders tegenover zich. Ze hadden een kind in de groep waar Sophie had gezeten, een kind dat mogelijk ook iets had meegemaakt. De ouders, die de Volkskrant niet te woord willen staan, waren na het etentje bij Bas en Janine het gesprek aangegaan. Toen vertelde hun kind over David.

Verduijn belde de vertrouwensinspectie, de politie, het Openbaar Ministerie. Binnen een halfuur had ze alle radertjes weer aan het draaien. Toen vertelde ze David dat hij opnieuw op non-actief stond.

Al snel werd duidelijk dat ze er dit keer niet aan ontkwamen de andere ouders te informeren. Het begon rond te zingen, zegt Verduijn achteraf. En zelf voelde ze ook wel voor openheid. Ze wilde de ouders van de betreffende groep uitnodigen voor een bijeenkomst. Met de GGD erbij, om ouders te ondersteunen.

Maar dat kon allemaal niet, hoorde ze van de politie, nu het rechercheonderzoek nog liep. Om welke groep het ging, mocht niet bekend worden.

37. Aanfluiting

Eerst hadden Bas en Janine bedacht uit eten te gaan, ze hadden zelfs een oppas. Maar uiteindelijk vonden ze dat toch niet gepast. Bovendien hadden ze het gevoel dat ze die avond in de buurt van de Concertzaal moesten zijn.

En dus zaten ze op 20 februari 2018 bij snackbar West, op een steenworp afstand van de zaal waar zo’n tweehonderdvijftig ouders te horen kregen wat er bij Koningskinderen aan de hand was. Bas en Janine waren er niet welkom.

‘De uitnodiging voor de bijeenkomst is verstuurd naar de ouders die op dit moment hun kinderen bij ons op de opvang hebben’, hadden Michliene Verduijn en haar man geschreven. ‘De bijeenkomst wordt georganiseerd om uitleg te geven over het proces, niet om inhoudelijk in te gaan op de meldingen.’

Ook de gemeente had laten weten dat ze niet mochten komen.

Bas en Janine begrepen er niets van. Deze bijeenkomst was toch ook relevant voor ouders die in het verleden kinderen naar Koningskinderen hadden gebracht? En voor ouders die eerder een melding van grensoverschrijdend gedrag hadden gedaan?

Gjalt Jellesma van Boink noemt het achteraf typerend voor de opstelling van de gemeente Renkum. ‘De ouders van Sophie waren de onruststokers en de gemeente was vooral bezig met het op advies van hun ‘veiligheidsadviseur’ bewaken van de openbare orde’, zegt hij. ‘Een lokale overheid die bang is voor zijn eigen burgers.’

Via een telefoonverbinding met een van de aanwezigen hoopten Bas en Janine alsnog te kunnen horen wat er in de zaal gebeurde. Maar dat lukte niet. Het geluid was slecht, vrijwel niets verstaanbaar. Via tekstberichten kregen ze mee dat de gemoederen hoog opliepen.

Na afloop van de bijeenkomst in de Concertzaal verzamelden een stuk of tien ouders zich bij Bas en Janine thuis. Aan de keukentafel praatten ze na bij een glas wijn. De meeste aanwezigen waren onthutst. Een aanfluiting vonden ze het. Hoe was het mogelijk dat de gemeente, de politie, het OM en alle andere betrokkenen de woede niet hadden zien aankomen? En hadden ze gezien dat er een moeder in tranen was uitgebarsten, vermoedelijk omdat ze besefte dat er misschien ook iets met háár kind was gebeurd?

Bas en Janine voelden die avond ook opluchting. Ze hadden steun gekregen. Anderen waren voor hen opgekomen. Ze waren dus toch niet gek, zoals ze soms hadden gedacht.

38. Beladen

‘De avond was beladen’, zegt burgemeester Agnes Schaap achteraf. ‘Ik wilde er als burgermoeder zijn voor de ouders. Maar het was zo’n grote bijeenkomst, dan kun je niet meer dicht bij de mensen zijn, dan kun je alleen maar proberen de avond in goede banen te leiden. En nee, dat is niet gelukt. Nou ja, téchnisch is het goed gegaan. De insteek was om ouders te informeren en tot rust te brengen. Maar er ontstond een sfeer die niet paste bij die intentie. Probleem was ook dat we niet veel konden zeggen. Dat was het dilemma. Mensen wilden antwoorden, maar we konden alleen iets zeggen over het proces. Daardoor groeide de frustratie. Er liepen mensen de zaal uit. Die hadden veel emoties. Logisch ook. Kinderen zijn je kostbaarste bezit.’

39. Schietschijf

Terwijl de ouders vertrokken barstte Verduijn in een zijkamer van de Concertzaal in huilen uit. Zoiets heftigs had ze nog nooit meegemaakt. Sommige ouders hadden haar met haat in hun ogen aangekeken, herinnert ze zich. Het voelde of ze haar dood wensten.

En wie had haar gesteund? Niemand. Ze had daar als schietschijf gestaan, voor een zaal met woeste ouders. En de mensen van de instanties, al die lui van de gemeente, van de GGD, van de politie, ze hadden zitten toekijken vanaf de eerste rij – met hun rug naar het publiek. Terwijl ze nota bene van tevoren hadden afgesproken dat zij alleen het welkomstwoord deed en een paar vragen zou beantwoorden.

Ja, de onrust onder ouders kon ze goed begrijpen. Die wilden natuurlijk weten of het om de groep van hun eigen kind ging. Maar daar had de politie niets over willen zeggen. Ze vond het optreden van de politie sowieso bespottelijk. De zakelijke toon die het hoofd van de zedenrecherche had aangeslagen. Zijn slordige kloffie, handen in de zakken. Onbegrijpelijk.

Later vertelt Verduijn dat sommige regio’s beschikken over een team voor psychosociale hulpverlening bij ingrijpende gebeurtenissen. Daarin werken experts van onder meer de politie, de GGD en slachtofferhulp samen met de gemeente. Zo’n team wordt ingevlogen als maatschappelijke onrust dreigt, zoals bij een soortgelijke zaak met een kinderdagverblijf in Tilburg, in 2013. Het regelt ook de communicatie. Verduijn had in Oosterbeek ook graag zo’n team laten komen, zegt ze. Maar toen ze dat opperde, reageerde de gemeente lauw.

Tja, dan kreeg je dit. Erwin, haar partner, stapte in die zijkamer van de Concertzaal pissig op de vertegenwoordigers van al die instanties af. Waar waren jullie nou, vroeg hij aan de mensen van de gemeente, de GGD en de politie. Jullie zouden haar steunen!

‘Ik heb de gemeente en het OM er nog voor gewaarschuwd’, zegt Verduijn daar later over. ‘Je kunt niet de ouders van zes opvanglocaties uitnodigen en verwachten dat het rustig blijft. Ze hadden geen idee.’

Thuis schonk Verduijn zich die avond een wijntje in om enigszins tot rust te komen. Tevergeefs. Ze deed die nacht geen oog dicht.

40. Nonchalante vragen

Na de informatieavond verspreidde de onrust zich door huiskamers en slaapkamers. Ouders knoopten ongemakkelijke gesprekjes aan met hun kinderen, vaak gesteund door de adviezen uit een document dat de GGD had uitgereikt.

Een kind dat soms protesteerde als het naar de opvang moest, vertelde over stoeispelletjes die ze weleens met David deden. Hoewel de ouders zich niet direct grote zorgen maakten, besloten ze het voor de zekerheid te melden. De politie maakte een aantekening.

Ouders van een 2,5 jaar oude jongen die regelmatig pijn aan zijn piemel had – wat ook met zijn vernauwde voorhuid te maken kon hebben – hoorden van andere ouders dat hun zoon mogelijk bij een incident aanwezig was geweest. Ze besloten hem te vragen of David wel eens iets vervelends bij hem had gedaan. Bij het horen van die naam verdween de jongen direct onder tafel, schrijft zijn moeder in een e-mail. ‘David weg, weg!’ zou hij geroepen hebben, waarbij hij driftige gebaren maakte. ‘David, bommen op huis gooien, politie, weg, weg!’ Ze besloten er niet mee naar de politie te gaan.

En dan was er nog een jongen die thuis niet meer alleen naar de wc op de gang durfde, die panisch reageerde als het licht uitging en een paar keer geweigerd had naar het kinderdagverblijf te gaan. Ook had hij regelmatig nachtmerries, waarbij hij dingen riep als: ‘Nee, nee, niet doen!’ Hij zat in dezelfde groep als Sophie.

Zijn moeder begon die avond in de Concertzaal te malen, vertelt ze. Later kroop ze met haar zoon achter de laptop, waar ze samen naar foto’s van medewerkers van Koningskinderen keken. Ze stelde er nonchalante vragen bij. Ken je die? O ja, waarvan?

David zou hem op de wc hebben geholpen. Hij zou zijn piemel hebben laten zien, zegt zijn moeder. En ook aan die van hem hebben gezeten. Bovendien was er iets met ‘au’ aan zijn piemel, wat ze niet goed kon plaatsen. Hij was ook bang, hij mocht het eigenlijk niet vertellen. Zou ze niet boos worden?

De moeder stapte naar het kinderdagverblijf en vervolgens naar de politie, waar ze naar eigen zeggen een onaangename behandeling kreeg. Pas na anderhalve week kon ze langskomen. De rechercheurs benadrukten dat verklaringen van kinderen vaak onbetrouwbaar zijn en dat ouders hun kinderen met suggestieve vragen dingen in de mond kunnen leggen. Een aangifte vonden ze niet zinvol.

Na overleg met de officier van justitie stuurde de politie wel iemand om haar zoon thuis te ondervragen. De jongen vertelde niets. Een week of wat later kreeg zijn moeder een telefoontje dat het hierbij zou blijven.

41. Bliksem

Een eerste melding. Een tweede melding. En na die informatieavond: meer onthullingen. Het is verleidelijk te denken dat het ‘wel erg toevallig’ is dat de bliksem meerdere malen op dezelfde plek inslaat, zoals die vader op de informatieavond zei.

Bas en Janine, die in grote lijnen uitvogelden welke andere verhalen er bij andere gezinnen boven water waren gekomen, wijzen op het patroon. Zet die verhalen in chronologische volgorde, zeggen ze, en het lijkt of David zich steeds meer permitteert. Eerst dat stoeien. Toen liet hij zijn piemel zien. Daarna raakte hij de piemel van een kind aan. Het vormt geen bewijs dat David schuldig is, weten ze, maar van een deskundige begrepen ze dat het vaker zo gaat bij pedoseksuelen. Ze verschuiven de grens.

‘Het komt zeker voor dat misbruikplegers de grenzen geleidelijk laten vervagen’, zegt forensisch psycholoog Wineke Smid, die een conceptversie van dit verhaal las. Tegelijkertijd benadrukt ze dat het belangrijk is kritisch te blijven. Zo zijn kinderen meestal niet meteen bang voor hun misbruikpleger. 

‘Verplichte geheimhouding is wel een veelvoorkomende factor bij misbruik’, zegt ze. ‘Al kan het hier ook iets anders zijn. Misschien heeft iemand van de begeleiding een keer tegen zo’n jongen gezegd dat hij niet over zijn piemel moest praten.’

Waakzaamheid is dus geboden, vindt Smid. ‘De vermoedens kunnen op waarheid berusten, maar misschien is er helemaal niets aan de hand. In zo’n geval gaat in een rechtsstaat het voordeel van de twijfel naar de verdachte. En dat is niet voor niets.’

Ook andere onafhankelijke deskundigen reageren voorzichtig na het lezen van dit verhaal. Rechtspsycholoog Annelies Vredeveldt benadrukt dat de onthullingen van de kinderen in Oosterbeek niet onafhankelijk van elkaar tot stand zijn gekomen. Ouders gingen pas op onderzoek uit nadat ze gehoord hadden dat er mogelijk iets bij de kinderopvang aan de hand was, zegt ze. ‘Mensen kunnen gebeurtenissen gaan herinterpreteren. Gedragingen die ze anders als gewoon grillig peutergedrag zouden zien, worden opeens signalen van misbruik.’

Haar collega André de Zutter geeft een voorbeeld. ‘Stel je hebt een kind dat opeens weer bedwatert. Ouders vragen zich af hoe dat kan. Dan horen ze over misbruik bij de kinderopvang. En ze lezen dat misbruikte kinderen vaker in bed plassen. Maar bedplassen komt bij veel meer kinderen voor. Sterker nog: het overgrote deel van de bedplassers is niet misbruikt.’

Informatieavonden werken ‘sociale besmetting’ verder in de hand, zegt Robert Horselenberg van Universiteit Maastricht. ‘Het resultaat van die bijeenkomsten is altijd dat er meer meldingen komen. Maar ze komen niet spontaan. Laat ik voorop stellen dat het kan kloppen wat deze kinderen zeggen. Toch past er een kanttekening bij. De uitspraken zijn pas gedaan nadat ouders goedbedoelde gesprekken zijn begonnen. En die gesprekken gaan vaak mis. Het is voor een professional al moeilijk geen suggestieve vragen te stellen. Moet je nagaan hoe lastig het voor bezorgde ouders is.’

Gjalt Jellesma van Boink weegt dat anders. ‘Deze deskundigen benoemen de risico’s van sociale besmetting’, zegt hij. ‘Maar ze gaan voorbij aan de mogelijke opbrengsten van ouderbijeenkomsten.’

42. Verschrikkelijke dag

Vertrouwen. Daar draaide het nu om. En dus kon Koningskinderen onmogelijk verder met David, wiens identiteit in het dorp geen geheim meer was. Twee dagen na de tumultueus verlopen informatieavond typte Verduijn daarom een mail aan alle ouders.

‘Het contract met de desbetreffende medewerker zal ontbonden worden en deze persoon zal niet meer op de werkvloer terugkeren bij Koningskinderen’, schreef ze. ‘De onhoudbare situatie heeft er, los van de uitkomst van het onderzoek, toe geleid dat Koningskinderen deze beslissing heeft moeten nemen.’

Op vragen die de Gelderlander stelde naar aanleiding van de mail wilde Verduijn niet reageren. Later las ze dat de journalist ook David had gesproken.

‘Ik heb een verschrikkelijke dag gehad’, zou hij gezegd hebben.

43. David

David wilde niet meewerken aan de totstandkoming van dit verhaal. Toch verdient ook zijn perspectief aandacht. De onafhankelijke deskundigen stippen desgevraagd een aantal zaken aan die voor David minder belastend zijn dan ze op het eerste gezicht lijken, al haasten ze zich te zeggen dat ze geen bewijs vormen dat hij onschuldig is.

Zo sluit André de Zutter niet uit dat er iets mis ging toen Sophie voor het eerst over David vertelde. Peuters experimenteren met vieze woorden, zegt de rechtpsycholoog. Ze vinden geslachtsdelen en uitwerpselen machtig interessant. Dat is normaal. Bovendien zeggen jonge kinderen dingen die niet per se waar hoeven te zijn. ‘Misschien was er helemaal niemand die zijn piemel liet zien. Of misschien was het een medepeuter.’

Cruciaal is daarom hoe een ouder reageert. ‘Je moet neutrale vragen stellen’, zegt De Zutter. ‘Goh, wat vind je van piemels? Vind je piemels leuk? Anders kan een kind meegaan in een suggestie.’

Dat is ontzettend moeilijk, zegt klinisch psycholoog Iva Bicanic. ‘Ouders schrikken enorm als hun kind zoiets vertelt. En ja, dan stellen ze onbedoeld suggestieve vragen. Dat kun je ze niet kwalijk nemen. Alle ouders doen dat, niet alleen deze ouders. Daarom is het van belang dat een kind as soon as possible door de politie wordt ondervraagd.’

De Zutter wijst op de mogelijkheid dat Sophie door de ondervraging een angst ontwikkelde. ‘Ouders reageren heftig als ze denken dat er mogelijk sprake is van misbruik. Peuters vangen dat op en gaan spiegelen. Daardoor kan ze bang zijn geworden voor de crèche en de politie.’

Dat Sophie in het gesprek met de rechercheur niets vertelde, hoeft volgens Robert Horselenberg ook niet te betekenen dat de politie het meisje niet goed heeft ondervraagd. ‘Je moet je altijd afvragen waarom ze niet wilde praten’, zegt de rechtspsycholoog. ‘Omdat ze bedreigd is? Of omdat er niets is gebeurd en het fantasieverzinseltjes waren? Dat zou de politie beter en vaker moeten onderzoeken. Nu doen ze dat niet. Ze zeggen gewoon dat een kind niet verhoorbaar is.’

En neem de bewering van David dat hij Sophie nauwelijks kent, wat haar ouders betwisten. Bedenk daarbij, zegt De Zutter, dat een gesprekje van vijf minuten voor David een futiliteit kan zijn, maar in het korte leven van Sophie een hele belevenis. ‘En natuurlijk zal David zijn omgang met Sophie in gesprek met de politie bagatelliseren. Hij gaat niet zeggen dat ze samen naar de wc gaan en dan soms tien minuten lang spelletjes spelen. Dan weet hij dat hij hangt. Maar is dat een teken van schuld? Nee. Een schuldige zal tijdens een verhoor de mate van contact met een kind minimaliseren, een onschuldige ook.’

44. Gecompliceerd

Zo gecompliceerd kan een zedenzaak met jonge kinderen dus zijn. Er zijn verontrustende signalen, er zijn onderbuikgevoelens, er is wantrouwen. En er zijn twijfels, ontkenningen, ontlastende zaken. Onduidelijk is hoe die zich tot elkaar verhouden.

‘De politie moet op alles tegelijk letten’, zegt Nationaal Rapporteur Herman Bolhaar. ‘Openstaan voor elke aanwijzing die je dichter bij de waarheid kan brengen. En tegelijkertijd waken voor tunnelvisie.’

Want David kan schuldig zijn zonder dat er overtuigend bewijs ligt. Dat is een onverteerbare gedachte, zeker voor de ouders. Doe tenminste goed onderzoek, zeggen ze dus. Licht hem van zijn bed, lees zijn laptop uit, informeer anderen. Haal alles uit de kast om te ontdekken of het waar is wat Sophie en de andere kinderen zeggen. Doe het voor hun, roepen ze. En doe het om te voorkomen dat hij later misschien andere slachtoffers maakt.

Maar David kan ook onschuldig zijn, het slachtoffer van misverstanden, onbedoeld suggestieve vragen en sociale besmetting. Ook dat is onverteerbaar. Een man die graag met kinderen werkt, moet van de ene op de andere dag stoppen bij een kinderopvangorganisatie en een speelparadijs. Zelf weet hij in zo’n geval dat hij niets gedaan heeft, maar bewijs dat maar eens. Bewijs dat je niet je piemel liet zien aan een 3-jarig meisje, bewijs dat je geen pedoseksueel bent. Het kan niet. Veel mensen zullen hem blijven wantrouwen, zelfs als de politie geen bewijzen vindt.

Voorzichtigheid is dus geboden. Maar té voorzichtig is ook niet goed. Waar de grens ligt, weet niemand.

45. Strafbaar feit

David was ontslagen. Sophie ging inmiddels naar school. Maar Bas en Janine waren niet van zins de zaak te laten rusten. Hun boosheid sudderde nog – boosheid over het gemak waarmee verontrustende signalen genegeerd werden, boosheid over de manier waarop ze behandeld waren door de kinderopvang, de politie en de gemeente.

Nu weer die brief, die de burgemeester op 20 maart 2018 stuurde naar contractanten van Koningskinderen. Zelf hadden Bas en Janine hem niet eens ontvangen. Ze kregen hem doorgespeeld van andere ouders.

‘Het onderzoek naar het vermeende grensoverschrijdend gedrag van een medewerker bij Koningskinderen Kinderopvang is inmiddels afgerond’, schreef Agnes Schaap. ‘Dit onderzoek is grondig en zorgvuldig uitgevoerd en heeft ook mede daarom meer tijd gevergd. Van het plegen van enig strafbaar feit is geen sprake en de betreffende medewerker is niet als verdachte aangemerkt. Hij is dan ook niet aangehouden in het kader van dit onderzoek.’

Hoe durfde ze dit zo rond te sturen, vroegen Bas en Janine zich af. Waarom schreef ze dat er ‘geen sprake’ was van een strafbaar feit? Dat was helemaal niet zeker. Het was hooguit zo dat de politie niets had kunnen vinden. En het ergste was: ze hadden de burgemeester daar al eens op gewezen, nadat de hoekige zedenrechercheur op die informatieavond precies hetzelfde had gezegd.

Bas en Janine namen contact op met Jellesma, die zich vervolgens liet interviewen door een journalist van de Gelderlander. ‘Een belachelijke opmerking’, zei Jellesma in de krant.

De politie stelde in hetzelfde artikel dat er ‘tijdens het onderzoek geen strafbare feiten zijn geconstateerd’. Waarop de burgemeester liet weten dat ze dát inderdaad bedoeld had.

46. Stress

Voor Verduijn was het een verwarrende tijd. Zo herinnert ze zich dat iemand onder een valse naam naar Koningskinderen belde ‘met zogenaamd een nieuwe melding’. Die persoon stelde vragen over de procedure. ‘Het leek of we getest werden’, zegt ze daar achteraf over. Nog altijd begrijpt ze niet goed waarom iemand zoiets zou doen – iemand die haar helemaal niet kende.

Ondertussen kregen haar kinderen van 11 en 14 krantenberichten toegestuurd over de kwestie, met de vraag wat er allemaal aan de hand was bij de opvangorganisatie van hun ouders. En dan was er ook nog die brief die Bas en Janine met ruim twintig andere ouders in maart 2018 naar de gemeente stuurden.

‘De situatie is ons inziens zo ernstig’, las Verduijn, ‘dat wij van mening zijn dat Koningskinderen, onder leiding van de huidige directie, onvoldoende veilig is voor zowel kinderen als ouders.’

Al dat gedoe leverde haar veel stress op. Ze moest hulp zoeken om het te verwerken.

47. Geschillencommissie

De uitspraak van de Geschillencommissie Kinderopvang arriveerde in een grote envelop, een maand of tien nadat Bas en Janine de zaak hadden aangespannen.

Ze hadden de commissie gevraagd zich over hun zaak te buigen, omdat ze vonden dat Koningskinderen onzorgvuldig was geweest en hen onjuist had bejegend. Bas en Janine hoopten dat de opvangorganisatie in de media excuses zou moeten aanbieden. En dat ze een financiële vergoeding zouden krijgen, omdat ze in een sociaal isolement waren geraakt, juridische kosten hadden gemaakt en inkomsten waren misgelopen. Het ging om een flink bedrag.

Er waren twee zittingen voor nodig geweest om tot een oordeel te komen. De uitspraak werd een paar keer uitgesteld. Maar nu lag die er. Begin 2019 lazen Bas en Janine dat Koningskinderen ‘deels verwijtbaar en deels niet verwijtbaar’ had gehandeld.

Het kon Verduijn niet kwalijk genomen worden dat ze een melding en geen aangifte gedaan had, concludeerde de commissie, omdat de meldcode ‘onvoldoende duidelijkheid’ bood. Dat ze andere ouders niet informeerde, moest haar evenmin verweten worden, gezien de adviezen van de gemeente en de officier van justitie om dat niet te doen. Volgens de commissie had Verduijn waar het de regels en protocollen betrof ‘zorgvuldig en naar behoren gehandeld’.

Anders was dit op andere vlakken. Zo schreef de commissie dat een ondernemer in gevallen als deze ‘geborgenheid en een voortdurende positieve grondhouding naar de verontruste ouders’ moet tonen. Daar was Koningskinderen onvoldoende in geslaagd. Het was ‘niet begrijpelijk’ dat Sophie geen afscheid mocht nemen van de leidsters. Ook de brief waarin de opvangorganisatie dreigde met juridische stappen getuigde ‘niet van een ondersteunende houding’.

Bovendien oordeelde de commissie dat Koningskinderen zelf een ‘onafhankelijke case-manager’ had moeten inschakelen toen bleek dat de organisatie de regie niet kon voeren en geen van de betrokken instanties die rol oppakte. ‘In plaats van dit neer te leggen bij anderen, had de ondernemer het voortouw moeten nemen.’

Dat de kwaliteit van de opvang bij Koningskinderen ondermaats zou zijn, zoals Bas en Janine beweerden, was ‘niet aangetoond’. De kritiek – bijvoorbeeld op het vierogenbeleid – was volgens de commissie ‘met name ingegeven door onvrede van de consument over de wijze waarop de ondernemer in het kader van de melding heeft gehandeld’.

Koningskinderen moest vijfhonderd euro aan juridische kosten vergoeden. Het verzoek om schadevergoedingen voor het sociale isolement en de gederfde inkomsten wees de commissie af.

48. Afronden

Op 2 juli 2019 ontving de burgemeester Bas en Janine, Gjalt Jellesma en drie andere ouders in haar kamer op het gemeentehuis. Er kwam water op tafel.

‘Ik wil kijken of we de zaak kunnen afronden met elkaar’, zei Agnes Schaap.

Maar dat zou niet lukken. De ouders wilden nog altijd erkenning, uitleg, excuses. Want waarom leek de gemeente rust boven waarheidsvinding te stellen? Hoezo waren hun brieven niet beantwoord? En hoe was die onjuiste tekst in de brief van de burgemeester terecht gekomen?

‘Wij hebben precies uitgezocht wat we wel en niet mochten zeggen, omdat het anders smaad en laster zou zijn’, zei Bas. ‘En dan verspreiden de politie, het OM en de gemeente zo’n zinnetje? Waarna de gemeenschap zegt: zie je wel, er is niets gebeurd.’

‘Bent u bereid alsnog te rectificeren?’ vroeg een van de vaders.

‘Ik wil wel toezeggen dat we het nog een keer met de andere partijen bespreken’, stamelde een ambtenaar, die ook aanwezig was. ‘Maar dat hebben we destijds ook al gedaan. En ja, ik geef toe, misschien is het niet de meest chique zin, juridisch gezien. Maar we bedoelen er hetzelfde mee.’

‘Dat snap ik niet’, zei Janine. ‘Jullie bedoelen hetzelfde als wat?’

‘Dat strafbare feiten niet aangetoond kunnen worden.’

‘Ik kan het gewoon niet begrijpen’, zei de ambtenaar even later, ‘Die ene zin – dat alles daarom draait.’

49. Zorg

‘Soms vindt de politie geen bewijs voor een strafbaar feit’, zegt klinisch psycholoog Iva Bicanic na het lezen van een conceptversie van dit verhaal. ‘Maar daarmee is de zaak meestal nog niet voorbij. Bij ouders kunnen vermoedens blijven bestaan, ze slapen misschien slecht, ze kunnen hun kind niet meer onbezorgd in bad doen. Iemand moet ze dan bijstaan, een professional. Want als de ouders niet tot rust komen, heeft het kind daar last van. Ouders en kinderen zijn daarom gebaat bij een expertiseteam waarin forensische, medische en psychologische disciplines samenwerken. Daarbij moet duidelijk zijn wie aan waarheidsvinding doet en wie aan zorg. En als de waarheidsvinding stopt, moet de zorg doorgaan. Hier is dat niet gebeurd. En het gaat vaker mis. Dat moet echt beter.’ 

Epiloog

Bijna drie jaar zijn verstreken sinds die avond dat Sophie vertelde over piemel, knippen, bedjes en thuis. En nog steeds is het voor sommige betrokkenen lastig een punt te zetten. De wonden zijn diep, het open einde onbevredigend.

De kwestie in Oosterbeek maakte niet alleen duidelijk dat zedenzaken met jonge kinderen veel emoties oproepen. Ook bleek dat goede bedoelingen niet altijd tot goede uitkomsten leiden. Dat de meldcode niet helder is. En dat de zedenpolitie niet alleen kampt met een hoge werkdruk, maar ook met een communicatieprobleem.

Bij Koningskinderen spreken ze nog geregeld over de kwestie. Het ligt gevoelig, zegt Verduijn. Ouders en kinderopvang zouden in lastige situaties samen moeten optrekken. Dat is met dit gezin niet gelukt.

Dat alle betrokkenen op hun eigen manier terugblikken op de gebeurtenissen, accepteert ze inmiddels. Ze heeft ‘alle begrip’ voor het feit dat Bas en Janine ‘alles hebben aangegrepen’ om helder te krijgen wat met hun dochter gebeurd is, zegt ze.

Graag zou Verduijn zien dat de meldcode wordt aangepast. Dat was voor haar de reden om mee te werken aan dit verhaal. Als een kind een onthulling tegenover ouders doet, zegt ze, dan zouden ouders aangifte moeten doen. Is het een pedagogisch medewerker aan wie een kind iets vertelt, dan ligt de verantwoordelijkheid bij de opvangorganisatie.

Over David is weinig bekend, behalve dat hij een nieuwe baan heeft waarbij hij niet met kinderen werkt. Hij reageerde niet op de conceptversie van dit verhaal, toen hem dat werd toegestuurd.

De jongen aan wiens piemel David zou hebben gezeten kwam maar niet van zijn angsten af, zegt zijn moeder. Daarom heeft hij in de zomer van 2018 een EMDR-behandeling bij een kinderpsycholoog gehad. De angst en de paniek zijn nu weg.

Met Bas en Janine gaat het naar omstandigheden goed. Ze hebben geen spijt dat ze zoveel energie in de zaak hebben gestoken, zeggen ze allebei. Dit is belangrijk genoeg om voor te strijden.

‘De vuistregel dat kinderen onder de 4 niet gehoord kunnen worden, moet echt van tafel’, zegt Bas.

‘En het moet voor ouders duidelijker zijn wat ze kunnen doen als ze zoiets meemaken’, zegt Janine.

Ze zijn na lezing van de opmerkingen van deskundigen in een conceptversie van dit verhaal niet anders naar de kwestie gaan kijken. Het verontrustende verhaal kwam echt van Sophie, zeggen ze. Haar angst was reëel. Het idee dat er bij de andere meldingen sociale besmetting heeft plaatsgevonden, noemen ze ‘onwaarschijnlijk’.

Nog altijd zijn ze uitermate teleurgesteld in de houding van de instanties waarvan ze steun hadden verwacht. ‘We begrijpen inmiddels dat goede intenties om misstanden te verbeteren je in een strijd kunnen doen belanden waar je mogelijk niet als overwinnaar uit komt’, zeggen ze. ‘Het erkennen van een fout en deze herstellen is velen niet gegeven. Meestal prevaleert het eigenbelang.’

En hoe is het met Sophie, die inmiddels 6 jaar oud is? Die gaat vrolijk naar school en mag graag knutselen en YouTube kijken. Soms lijkt ze nog terloops aan de zaak te refereren.

‘Kinderen’, zei Sophie onlangs, ‘hoeven niet naar de gevangenis.’

Daarna speelde ze vrolijk verder.

Ter bescherming van Sophie zijn de namen van haar en haar ouders gefingeerd. Andere ouders en kinderen komen daarom evenmin met hun naam in het verhaal voor. Ook David heet in werkelijkheid anders. Informatie waardoor hij te traceren zou zijn, is zo veel mogelijk weggelaten. De echte namen van alle betrokkenen zijn bekend bij de hoofdredactie. Dit stuk kwam tot stand met medewerking van Tim Igor Snijders. Het wob-verzoek bij de gemeente Renkum werd gedaan door Erik Verwiel. Meegelezen en geadviseerd hebben ook: zedenadvocaat Phil Boonen, kinderpsycholoog Simone Ebbers, psycholoog en seksuoloog Joel Staffeleu en kinderarts Rian Teeuw (Amsterdam UMC). 

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden