INTERVIEWSDigitale revolutie

Het kan dus wél: hoe corona een digitale revolutie ontketent

Beeld Zeloot

Het wilde maar niet opschieten met de digitalisering in zorg, onderwijs en het werken vanuit huis. Tot de coronacrisis dwong tot grote stappen. Wat levert dat op? En wat houden we er straks aan over?

‘E-health was er al, maar nu maken we er ook echt gebruik van’

Toosje Valkenburg, huisarts gezondheidscentrum De Bilt

‘Never waste a good crisis...’, twitterde Toosje Valkenburg, huisarts bij gezondheidscentrum De Bilt, op 16 maart, vrij naar Churchill. Want ineens zag ze om zich heen hoe de huisartsenzorg, waaraan de digitalisering tot dan toe zo goed als voorbij was gegaan, door de coronacrisis in één klap een inhaalslag maakte. ‘De fysieke praktijk moest vanwege de ‘lockdown light’ bijna helemaal sluiten. De eerste dagen gingen we allemaal onze patiënten bellen, maar al snel beseften we: daarmee gaan we het niet redden. Je kunt via de telefoon namelijk maar matig een diagnose stellen.’ Dus werden de digitale mogelijkheden plots ‘omarmd’: e-consults, beeldbellen, foto’s van kwetsuren laten uploaden, maar ook digitaal lab-uitslagen aanvragen. ‘Dat moet vanwege de privacy allemaal in een beveiligde omgeving gebeuren, en dat vraagt even wat geregel en uitzoekwerk. En omdat het in het begin natuurlijk ook niet sneller gaat, stak niemand er tijd in en bleef men het op de oude vertrouwde manier doen. Huisartsen hebben altijd een wachtkamer vol patiënten, aan dit soort regelklussen komen ze niet toe. In onze praktijk hadden we al die e-healthmogelijkheden al wel, maar ik maakte er ook maar mondjesmaat gebruik van. Maar nu moest het, de urgentie was er.’

De verandering in het denken over zorg op afstand, verwacht Valkenburg, is blijvend. Ook als de crisis die covid-19 veroorzaakt voorbij is. ‘Dat is winst. Niet omdat een digitale huisarts zoveel efficiënter is, want ik besef ineens hoeveel ik op mijn ‘niet-pluisgevoel’ doe. Hoe een patiënt erbij zit in de wachtkamer, hoe hij de spreekkamer komt binnenlopen, geeft me al zoveel informatie. Ik maak daardoor vaak al binnen een minuut een inschatting van de ernst. Nu ik met patiënten beeldbel, moet ik nieuwe manieren verzinnen om te triëren; dan vraag ik iemand bijvoorbeeld even naar de badkamer te lopen om te kijken of hij buiten adem raakt. Zo kan ik de mate van benauwdheid beoordelen. Je moet nieuwe routines ontwikkelen, dat maakt het intensief en vooralsnog minder efficiënt. Maar dat zal veranderen als we er bedrevener in raken.’

De winst van de omslag in de huisartsenzorg zit vooral aan de kant van patiënten, denkt Valkenburg. ‘Hier is behoefte aan. De hele wereld digitaliseert; mensen verwachten gewoon dat ze ’s avonds na het werk hun huisarts per mail een vraag kunnen stellen en niet meer langs hoeven te komen op de praktijk. Voor een alleenstaande moeder met kleine kinderen of iemand die niet mobiel is, is beeldbellen een uitkomst.’

‘Patiënten kunnen op deze manier veel meer zelf doen. Uitslagen van onderzoeken bekijken, of hun bloeddruk meten. Ze zijn daardoor onafhankelijker van hun arts en dat is voor de meesten echt fijn. Nog een voordeel: omdat ze die meting thuis meer dan één keer doen, en onder normale omstandigheden, zullen de waarden waarschijnlijk betrouwbaarder zijn dan van die ene meting bij de huisarts.’ Zelf een onderzoek kunnen aanvragen is ook een oplossing voor ‘genante’ vragen: een meisje dat een chlamydiatest wil laten doen, iemand die is vreemdgegaan en zich wil laten testen op soa’s – ze hoeven niet meer eerst langs de huisarts.’

De corona-app is ook een goed voorbeeld van dit soort zelfmonitoring, vindt Valkenburg. ‘Het is een soort beslishulp. Via de app voer je klachten in en krijg je adviezen, bijvoorbeeld of je de huisarts moet bellen. Er zit een team van studenten geneeskunde achter, die weer worden bijgestaan door artsen; je bent niet overgeleverd aan een algoritme. Patiënten nemen zo artsen werk uit handen, wat henzelf tegelijkertijd onafhankelijker maakt van die arts.’

Ondanks alle voordelen is de digitalisering van de zorg geen panacee voor alles, dat ziet Valkenburg ook wel. ‘Privacy blijft een gevoelig punt. Omdat het om medische informatie gaat, moet elk mailtje en elke foto in een beveiligde omgeving worden verstuurd. Daaraan worden strenge eisen gesteld, en het is belangrijk om daarbij stil te staan.’ Daarbij is het ook niet zo dat het e-consult de gewone doktersafspraak gaat vervangen. ‘Het is én, én’, zegt Valkenburg. ‘Het komt erbij. We moeten er bovendien voor zorgen dat patiënten die laaggeletterd zijn, of digitaal niet zo vaardig, ons kunnen blijven vinden. Overigens zijn dat lang niet altijd de ouderen. Die zijn in Nederland behoorlijk digitaal vaardig, heb ik gemerkt.’

Verzekeraars hebben al geanticipeerd op deze nieuwe vormen van zorg: sinds dit jaar krijgen artsen niet per soort handeling betaald, maar per tijdseenheid. ‘Hoe je de zorg aanbiedt – via een e-consult of een fysieke afspraak, maakt niet meer uit.’

Valkenburg: ‘Het heeft me echt verrast hoe vanzelfsprekend en soepel je al je consulten ook op een niet-fysieke manier kunt afhandelen.’ 

‘Het is alsof we in één weekend van 2020 in 2030 zijn beland’

Christien Bok, onderwijsvernieuwer bij ict-organisatie Surf

Op donderdag 12 maart sluiten alle Nederlandse hogescholen en universiteiten hun deuren voor studenten. De maandag erop geven de meeste docenten al college achter de laptop. Voor velen is het vooral zaak om webcam en microfoon werkend te krijgen. Experimenten komen later, eerst maar eens zorgen dat het werkt.

Ook voor Christien Bok gaat opeens alles anders dan normaal. Ze is impulsmanager onderwijsvernieuwing bij Surf, de ict-samenwerkingsorganisatie voor onderwijs en onderzoek in Nederland. In de eerste week van de sluiting maakt ze met collega’s zo snel mogelijk een overzicht van digitale hulpmiddelen waar docenten om zitten te springen. Daarnaast roept ze de hulp in van zelfstandigen die veel van online-onderwijs weten, om te helpen alle beschikbare kennis te bundelen. ‘Ik heb het gevoel alsof we in één weekend van 2020 in 2030 zijn beland’, zegt ze. ‘Ik voel diep ontzag voor alle inspanningen van docenten. Het is nogal wat om je werkwijze in één keer te moeten omgooien.’

Bok is een van de drijvende krachten achter een nationaal project om onderwijsvernieuwing in het hoger onderwijs in een stroomversnelling te brengen. Want écht opschieten deed het maar niet met dat online-onderwijs. Veel onderwijsinstellingen proberen met innovatieprogramma’s ontwikkelingen als blended onderwijs te stimuleren. Daarbij kijken de studenten voorafgaand aan het college onlinevideo’s over de lesstof, zodat de docent in de collegezaal direct kan ingaan op moeilijke vragen. Voorlopers weten de kansen die digitalisering biedt al te benutten. Toch ziet het gros van de hoorcolleges er niet wezenlijk anders uit dan honderd jaar geleden.

‘Zeker’, zegt Bok. ‘Studies waarvan je het niet verwacht, doen soms al heel innovatieve dingen. Studenten diergeneeskunde die een paard in de wei onderzoeken, worden op afstand begeleid door een docent met een tablet. Kunstopleidingen nemen onlineconcerten op met musici die zich op verschillende plekken bevinden. Maar onderwijs gaat allereerst over relaties tussen mensen. Ik kan me voorstellen dat niet alle docenten denken dat techniek hun onderwijs zal verbeteren. Onbekend maakt onbemind.’

Dat excuus kan nu de prullenbak in. In allerijl richten Surf, de Vereniging van Universiteiten (VSNU) en de Vereniging Hogescholen (VH) deze weken een ‘vraagbaak online onderwijs’ in. Daarvoor maken ze gebruik van kennis die Surf en de instellingen al in huis hebben, zoals stappenplannen voor het vinden en hergebruiken van leermaterialen, richtlijnen voor toetsen op afstand en adviezen om videocolleges interactief te maken. Leden van de vraagbaak stellen elkaar vragen over online-onderwijs. Er worden drukbezochte webinars gehouden. Surf is ook de aanbieder van het netwerk waarop veel thuiswerkende docenten inloggen. Het blijkt geen probleem om dat veilig en stabiel te houden. Het netwerk was al op orde, de kennis over online-onderwijs was in feite ook beschikbaar. 

Toch roept de door corona gedwongen digitalisering gemengde gevoelens op bij Bok. ‘Niets ten nadele van de kwaliteit van het onderwijs dat nu wordt aangeboden, maar met verrijkt onderwijs heeft het niet zoveel te maken.’

Beeld Zeloot

De docent literatuurgeschiedenis die het hoorcollege experimentele poëzie voor de webcam geeft, kan er ook voor kiezen om zijn studenten een korte uitlegvideo te laten zien over de Vijftigers en hun online vragen te stellen om te zien of ze de lesstof begrijpen. Hij kan de studenten poëzie laten analyseren en ze elkaars opdrachten laten aanvullen, zodat ze met elkaar leren. Hij kan een tussentoets geven en de resultaten van persoonlijke feedback voorzien. Daarmee krijgt de online verplaatsing meerwaarde. Het vereist alleen wel tijd en handigheid om dit te realiseren.

Inmiddels hebben diverse hogeronderwijsinstellingen al laten weten tot het eind van het studiejaar alleen online-onderwijs aan te bieden. Bok hoopt dat die tijd ook wordt gebruikt om even adem te halen en kritisch te kijken naar de didactische kant van het geboden onderwijs. En om te voorkomen dat overhaast genomen, risicovolle beslissingen ook voor de lange termijn zullen gelden. ‘Waar wij ons bij Surf enigszins zorgen over maken, is of alle tools die nu worden gebruikt, wel veilig en betrouwbaar genoeg zijn’, zegt ze. ‘Ook al begrijpen we dat we nu even pragmatisch moeten zijn.’

Bok doelt op diensten die de markt aanbiedt, zoals videobellen en surveilleren op afstand. Daar ontbreekt het soms aan veiligheidsgaranties. Videobeldienst Zoom werkt prima, maar de app komt telkens negatief in het nieuws vanwege serieuze gebreken. De gesprekken blijken niet versleuteld, waardoor derden er toegang toe kunnen krijgen. De app lekt data en zelfs wachtwoorden, ontdekten techjournalisten. Zoom kondigt aan dat het de privacy- en veiligheidsproblemen wil aanpakken. Het is aan de onderwijsinstellingen of ze daarop wachten. Surf heeft voor grote groepen nog onvoldoende alternatieven beschikbaar.

Wat Bok zou willen zeggen tegen docenten die stellen een ander vak te kiezen als onlinelesgeven de toekomst wordt? ‘Het is zeker niet de bedoeling dat volledig online-onderwijs straks de norm wordt. Idealiter maken we met z’n allen een afgewogen keuze welke onderwijsonderdelen zich goed lenen voor online en in welke vorm. Ik kan me niet voorstellen dat dit géén katalysator zal zijn om de mogelijkheden van digitalisering hierna op grotere schaal een plaats te geven in het onderwijs.’ 

‘Er kan veel meer vanuit huis dan men voor mogelijk hield’

Hylco Nijp, arbeidspsycholoog

Docent-onderzoeker Hylco Nijp stond vanmorgen ruim een halfuur later op dan normaal, toch kon hij lekker een stuk wandelen voor zijn werkdag begon. Hij heeft zich zelfs nog uitgesloofd met wat gewichten. En dat allemaal omdat hij niet zijn overhemd hoefde te strijken, geen boterhammen hoefde te smeren en niet hoefde te reizen naar zijn werk.

Van de voordelen van thuiswerken is Nijp al jaren overtuigd. Uit het promotieonderzoek dat hij voor de Radboud Universiteit deed naar ‘het nieuwe werken’, bleek eerder dat werknemers die één dag per week thuiswerken, een half uur verloren tijd extra te besteden hebben aan werk. Dat miljoenen Nederlanders nu door de coronacrisis aan huis gekluisterd zijn, ziet de docent-onderzoeker Human Resource Management als het ultieme thuiswerkexperiment. Met een openvragenlijst gaat hij de komende weken in kaart brengen wat de invloed ervan is op ons welzijn en onze productiviteit.

Vooropgesteld: in geen enkel ander Europees land werken al zo veel mensen thuis als in Nederland, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek zo’n 14 procent van de werkenden. Maar die koppositie hebben we grotendeels te danken aan het andere record op onze naam: het snelst groeiende leger aan zzp’ers. Van de vaste werknemers werkt een meerderheid nooit thuis.

Dat is volgens Nijp onder meer te wijten aan de ouderwetse gezagsverhoudingen op de werkvloer. ‘Om het nieuwe werken te laten slagen, moeten werkgever en werknemer elkaar als volwassenen behandelen. Dat lukt nog niet altijd. Zo sprak hij de directeur van een modern consultancykantoor die zijn werknemers liever op kantoor had, want ‘dan zag hij tenminste wat ze deden’. ‘Daaruit spreekt toch de angst dat werknemers onder werktijd de was gaan opvouwen.’

Ten onrechte, vindt Nijp. Want op kantoor kun je ook stiekem netflixen. Bovendien: door even iets anders te doen, bewijs je de baas juist een dienst. ‘Als je een computer op pauze zet, houdt die op. Maar als een mens pauzeert, krijgt hij juist nieuwe ideeën.’ Het probleem is alleen dat nog niet iedereen is doordrongen van het nut van niet-werken, zeker niet als er productie moet worden gedraaid.

Bij traditionele (familie)bedrijven, waar managers al jaren op dezelfde plek zitten, heerst bovendien vaak een cultuur van ‘zo doen we het nou eenmaal’. Zeker als de beproefde methode succes heeft, ontbreekt de wil te veranderen. Dat geldt overigens net zo goed voor werknemers die niet gewend zijn vanuit huis te werken. ‘Het is net als met sportabonnementen via het werk: de mensen die daarvan gebruikmaken, zijn meestal degenen die al sporten.’

Nu we allemaal over die drempel worden gedwongen, verwacht Nijp dat sommigen na de crisis niet meer terug willen. ‘De flexibiliteit van werkgevers wordt op de proef gesteld, werknemers kunnen zich bewijzen en we zien dat de wereld nog doordraait.’ Zelfs voor functies waarvan we tot twee weken geleden dachten dat ze helemaal niet vanuit huis konden worden uitgevoerd, blijkt dat nu toch mogelijk. Zo kunnen bankmedewerkers dankzij beveiligde systemen transacties vanuit huis verrichten, voeren psychologen consults op afstand en zijn complete callcenters naar woonkamers verplaatst.

Maar dat geldt natuurlijk voor veel beroepen ook niet, vooral die in de maak-, zorg- en dienstensector. En wie wel thuiswerkt, zal ongetwijfeld soms terugverlangen naar de kantoortuin. Al is het maar omdat kinderen daar niet door telefoongesprekken heen gillen en er een duidelijke scheidslijn is tussen werk en vrije tijd.

Het experiment is dan ook niet helemaal zuiver, vindt Nijp. Dat het nu soms lastig gaat, heeft volgens hem vooral te maken met het gebrek aan vrije keuze om thuis te werken (moeten is altijd minder leuk dan willen) en autonomie over de invulling ervan. ‘We hebben nog steeds het gevoel dat we braaf tussen 9 en 5 moeten doormodderen en dansen zo nog steeds voortdurend op het deuntje van de ander.’

Thuiswerken vraagt volgens de onderzoeker om anders werken. Als je alleen kunt werken als de kinderen op bed liggen, doe dan alleen het meest noodzakelijke. ‘Je kunt veel van je werk in weinig tijd doen als je er geconcentreerd voor gaat zitten. In perfectioneren zit onnodig veel tijd.’ En als je om 4 uur ’s ochtends op je scherpst bent, waarom zou je dan wachten tot de conferencecall van 9 uur? ‘Stop bovendien op tijd met werken, ook als je er nog lekker in zit.’ Want voor je het weet staat de werkknop thuis altijd aan.

Vandaar het misschien wel belangrijkste advies van de onderzoeker: werk minder. ‘De afgelopen jaren is ons werk sterk geïntensiveerd. We hebben een overheidsbeleid dat erop is gericht om zo veel mogelijk mensen zo lang mogelijk en zo veel mogelijk te laten werken.’ Dat gaat volgens Nijp ten koste van ons werkplezier, onze efficiëntie en gezondheid. Als we die trend kunnen keren, vinden we in deze pandemie misschien wel het antwoord op de epidemie die ons tot voor kort zo bezighield: de burn-outepidemie. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden