Het kamp is het kamp niet meer

Ze zijn het zat, het beeld dat kampbewoners één samenspannend zootje zijn. Op kousenvoeten op bezoek bij de familie Peeters in Wijchen....

Ergernis flikkert op in de bruine ogen van Carel Peeters (45). 'Snap je dat nou?', vraagt hij een paar keer nijdig. 'Is het niet belachelijk dat de politie alleen met grote overmacht op een kamp durft op te treden zoals onlangs in Maastricht? Moet je al die filmploegen en politiemensen bezig zien. Je weet toch niet anders of op elk woonwagenkamp in Nederland wordt hennep gekweekt? Nee, natuurlijk is dat niet waar.'

Kom Carel Peeters niet aan met het verhaal dat de politie ook gewoon bang is en liever niet zonder rugdekking of wapens de criminaliteit op de kampen te lijf wil gaan. De angst zit tussen de oren, vermoedt hij. Agen ten denken misschien dat op het kamp iedereen maar een beetje met iedereen samenspant. Dat ze allemaal één grote familie vormen, die weet heeft van alle hennepkwekerijen op alle kampen in Nederland.

'Nou dat is dus niet zo', zegt Carel. Woon wagenbewoners leven in hun eigen gezin, net zoals mensen in een gewone buurt. Vroeger stond er bij de ingang van het kamp in Nij megen een grote mast met slagboom. Als kind vond je dat wel mooi, maar je was een kind, je stond er niet zo bij stil. Nu denk je: idioot toch allemaal, het was wel heel erg getto-achtig.'

Zijn vrouw Annelies (42): 'Niet elke woonwagenbewoner is een crimineel.'

Carel: 'De groep woonwagenbewoners die in vergelijking met vroeger helemaal niet is veranderd, is erg klein aan het worden. Komt door het onderwijs, dat vormt je. Vroeger moest je meteen werken om geld te verdienen, dus ging je reizen, niet naar school. Reizen mag nu niet meer. Iedereen moet papieren hebben. Als je handel drijft, moet je officieel staan ingeschreven. Autoslopers hebben tegenwoordig geen sloperij meer maar een demontagebedrijf. Die zitten niet meer op het kamp, maar op het industrieterrein. Net zoals de autohandelaars of de stoelenmatters. Ze hebben allemaal legale bedrijven. Natuurlijk, er zijn er nog steeds die met een oud vrachtwagentje oud ijzer ophalen, maar lukraak werken in de autosloop, nee, dat is ervan af. We zijn modern geworden, we integreren echt wel.'

Annelies: 'Mijn vader kan niet lezen en schrijven. Zijn vader overleed vroeg. Daarom moest hij vanaf zijn negende meewerken op de kermis. Dat kwam vroeger heel veel voor.'

Carel (inmiddels in dienst van zijn neef die bedrijfswagens exporteert): 'Ik ging naar de lts, in de metaal. We deden thuis in oud ijzer, dat kende je dus, je kon er een beetje over meepraten.'

Diepe rust

Wie uit de goede hoek op het Gelderse Wijchen komt aanrijden, ziet van ver het kamp aan de rand van het dorp liggen. Een groepje bomen in de weilanden, witte mobiele huizen als paleisjes eronder. Alleen de her en der tussen de bomen geparkeerde auto's verraden op afstand dat dit niet een villawijk maar het woonwagenkamp is.

'Zal ik de fiets maar daar op de wagen gooien?', vraagt een dorpsbewoner, die de onverharde toegangsweg komt opfietsen. Hij manoeuvreert een zadelloze fiets aan de hand meevoerend langs kuilen en gaten, naar een vrachtwagen waarop schroot en oud ijzer ligt gestapeld. Zijn vraag verdwijnt in het niets; het kamp ligt er in diepe rust bij.

De deur van Carel en Annelies Peeters zit niet op slot. Wie wil, trekt de schoenen uit en stapt via het halletje de eikenhouten woonkeuken binnen.

Woonwagenbewoners sluiten hun huis niet af, iedereen moet ongevraagd kunnen binnenstappen. Op kou s en voeten. Een bel is er niet. 'Ik zal nooit iemand aan de deur laten staan', zegt Carel.

Annelies: 'Carel is daar liever in dan ik. Als ik naar m'n werk moet, is er niemand die me tegenhoudt.'

Zedenschets

Een journalist aan de deur hebben ze niet graag, omdat die slechts uit is op een zedenschets van de onderwereld. Het is dat Carel die stigmatisering van de woonwagenbewoner zat is. En dat Carel jr. (21) hem aan spoort, net zoals Martien (16): 'Hier moet je de hennep met een loep zoeken.' Maar, waarschuwt Carel op de bank in de klassiek ingerichte woonkamer: 'Maak van ons ook geen modelgezin. Er zijn heel veel woonwagenbewoners die leven zoals wij.'

Het kamp is het kamp niet meer. De mobiele huizen staan in het gelid, er zijn vele chique voordeuren en voor de ramen hangen gordijnen. De huizen doen alleen in de verte nog denken aan de Pipowagen van weleer. Grootvader Carel, van het kamp uit het naburige Nijmegen, trok er voor de oorlog mee langs de straten. Carel zelf herinnert zich nog de autobus die vader Carel vertimmerde tot woonwagen.

Later was er de veel luxere platenwagen: één slaapkamer met stapelbedden. Boven lagen de ouders, onder de vier kinderen; kop aan kont.

De kinderen van de familie Peeters hebben nu elk een eigen kamer. Hun huis bestaat uit twee luxe wagens, die onder één dak zijn gebracht. Pakweg honderd vierkante meter. Het huis staat op wielen, maar alleen een kenner ontdekt dat. Heden ten dage zijn er zelfs kampen in Nederland waarop wagens met verdieping en balkons hun intrede hebben gedaan.

Hoe anders was het op het oude kamp in Carels jeugd. De wagens waren kleiner, het aantal bewoners groter en de armoede schrijnend.

Riolering was er niet. Het afvalwater werd via een open geut afgevoerd. Er was geen wc maar een 'plee', een betonnen doos waarin aan de bovenkant naast elkaar een aantal gaten waren gemaakt. Zitgaten.

Carel: 'Je moest langs al die benen lopen om te zien of er ergens nog een gat vrij was om te zitten. Vreselijk. Het stikte er de moord van de ratten en zomers stonk het verschrikkelijk op het kamp.'

Een bazig kind was hij. De oudste van vier. Kwam hij van school, ging hij ze eerst allemaal zoeken. Het kamp was zo groot, ze konden wel verdwenen zijn.

Honger hadden ze niet. Zijn vader handelde in oud ijzer. Wie niet? Wie een stukje terrein had, zat in de sloop. Of je ventte met elastiek en knopen. Of je ging met dekens langs de deur. In grote dozen werden die dekens op het kamp afgeleverd. Feest, iedere keer als er weer een doos leeg was en de kinderen er hun eigen huisje in konden bouwen.

Grootvader Carel had zoals alle woonwagenbewoners tijdens de crisis van de jaren dertig in arren moede zijn toevlucht moeten nemen tot het reizen langs de deuren om geld te verdienen. Opoe ging mee. Zij ging in de oorlogsjaren de boer op, om eten te vragen. Carel: 'Opa niet, die was daar te trots voor. Hij was van oorsprong een burger uit Nij megen, een losarbeider in de crisisjaren. La ter kreeg hij zelf kar en paard om oud ijzer op te halen. Zo zijn we op het kamp gekomen.'

Ze kwamen niet vaak buiten het kamp, tenzij er gereisd moest worden. Er was een (katholieke) kerk, een aalmoezenier en een kampschool, waar de kinderen lezen, rekenen en schrijven leerden. Dat was het. Voor Carel keerde het tij toen een ambtenaar zich op het kamp vervoegde en voorlichting gaf over 'doorleren'.

Carels moeder had verder geen aansporing nodig. Ze vertrok naar Wijchen, ging er 'wonen' en Carel kon naar de brugklas. 'Nu is dat heel normaal', zegt Carel.

'Schooier', noemde een klasgenoot hem toen, want zo werden kampkinderen genoemd. Dertien was hij, zijn pestkop kwam uit een villawijk. Ze raakten bevriend, maar pas nadat Carel er flink op los getimmerd had. Een andere scholier verkocht hij een rotschop en toen was het gedaan met het schelden.

Kei-trots

'Erop losmeppen? Ik? Nee, dat doe ik niet zo snel.' Carel jr. is stomverbaasd dat iemand hem die vraag kan stellen. Hij kreeg op de kleuterschool in de gaten dat hij anders was dan anderen. Zijn moeder moest ingrijpen, toen een vriendje niet bij hem mocht spelen. Toen hij zes jaar was, verkondigde hij luid en duidelijk dat hij professor zou worden.

'Kei-trots is iedereen', zegt zijn vader. Zijn zoon studeert politicologie en wetenschapsfilosofie in Amsterdam en hij ambieert een wetenschappelijke carrire.

'Natuurlijk ben ik aan het overcompenseren, in het begin zeker, zegt Carel jr.. 'Ik heb eerst havo gedaan, dat was hier al redelijk bijzonder. Ik had havo/vwo-advies gekregen, maar wij wisten helemaal niet wat het atheneum was. Elk jaar weer kreeg ik het aanbod over te stappen naar het vwo, maar dat wilde ik niet. Ik werkte heel hard, omdat ik bang was dat ik het anders niet zou kunnen. Op het vwo werkte ik minder hard, maar ik haalde er nog hogere punten.

Carel jr.: 'Vroeger dacht ik: ik doe misschien mavo, misschien vbo, ga met veertien van school en dan werken. Dat gaf me een gevoel van minderwaardigheid.

'Ik heb lang gedacht dat mensen je minder vinden als je van een kamp komt. Je denkt dat je tot een lagere sociale klasse hoort, terwijl hier toch een mentaliteit van hard werken heerst. Dat is de mentaliteit die je meekrijgt.

'Op de universiteit weet niemand waar mijn ouders wonen. Ik heb me een tijdlang tegen thuis afgezet, ik raakte verscheurd. Ik paste hier niet, en op school niet. Tussen m'n veertiende en zeventiende had ik last van woedeaanvallen. Niet dat ik iemand fysiek pijn deed, maar m'n zenuwen waren strak gespannen. Ik ben een tijdje in therapie geweest.

'Op het atheneum heb ik toen m'n vrien din leren kennen. Zij komt uit Berg haren, een dorp hier in de buurt, en zij studeert ook in Amsterdam. Je ontdekt dat het kamp en de buitenwereld twee verschillende werelden zijn. Als je zo leert denken, is het niet zo belastend en drukkend meer.'

Zweten voor school

Carel sr. en Martien komen net terug van een informatiedag over schoolkeuzes. Martien zit op de havo en wil naar het hbo, bedrijfseconomie doen. Hij praat wijs over de 'aantrekkingskracht van het probleemgestuurde onderwijs' maar in zijn stem klinkt twijfel door. Moet hij niet toch vwo doen?

'Ik heb nooit hoeven zweten voor school. De drang te presteren heb ik niet voor anderen, meer voor mezelf, het geeft me een goed gevoel', zegt hij als Annelies suggereert dat hij vanwege zijn vrienden en vriendinnen naar de hbo-opleiding in Den Bosch wil. 'Je moet je eigen afweging maken', zegt ze.

Jaren geleden besloot Annelies nooit met iemand van het kamp te trouwen. Net als haar jongste broer.

Uitgerekend zij kwamen van alle broers en zussen juist wel op het kamp terecht. Haar vader was van het kamp, haar moeder niet, die had er nooit kunnen aarden.

Ze raakte bevriend met een zus van Carel. Zaten ze in een discotheek, kwam Carel kijken, belde hij een taxi, moesten ze naar huis. Annelies had nog niks in de gaten, ze vond hem gewoon bazig. Toen ze eenmaal verkering kregen, ging het nooit meer uit en ze besloten zelfs in een wagen op het kleine Wij chen se kamp te gaan wonen. Carel wilde niet anders, hij voelt zich er thuis.

'Ik heb er te licht over gedacht', zegt Anne lies achteraf. 'Ik had het me zo anders voorgesteld, vooral die eerste huwelijksjaren. We zaten altijd met visite. Iedereen vond dat normaal, maar ik had er grote moeite mee. He le dagen heb ik zitten huilen. Ik heb een hekel aan verplichtingen, dat zou ik in een straat ook hebben. Ik had huishoudschool gehad en werkte voor m'n trouwen bij Albert Heijn. Daar moest ik mee stoppen.'

Carel: 'Het hoorde niet dat een vrouw werkte. Daar denk ik nu anders over.'

Annelies: 'We hebben gelijk kinderen genomen.'

Nu werkt Annelies in een kledingzaak. En het kamp? 'Dertien jaar geleden hebben we een huis gehad, in de wijk het Tolhuis in Nij megen. In de buurt woonden meer woonwagenbewoners en de kinderen zouden er vlakbij naar school kunnen. Iedere morgen gingen we naar dat huis om het op te knappen en elke avond kwamen we hier weer terug. We durfden nooit de knoop door te hakken en er echt te gaan wonen.

'Al snel bleek dat de kinderen het er moeilijk mee hadden. Vooral de jongste, toen vier, at niet, sliep niet. De sfeer was er harder, stadser. Ik vond het wel fijn in dat huis, maar de kinderen hadden er niks mee.'

Carel: 'Ik was in dat huis bezig en voelde het als een zwaard boven me hangen. Vre selijk. Maar ik dacht: doe maar, voor m'n vrouw, voor m'n kinderen, het zij zo, ik kom er wel overheen.'

Annelies: 'Binnen twee weken hadden we het gezien. Als de kinderen doodongelukkig zijn, ben je zelf ook niet gelukkig. Ik had er geen jaar verdriet voor over. Toen hebben we het huis opgezegd.'

Carel: 'Ik vond het er ook niet prettig.'

Annelies: 'Ik heb iemand naar Carel gestuurd om het hem te zeggen. Zelf durfde ik niet. Ik heb de kinderen uit de klas gepakt en teruggebracht naar hun oude school. ”Hier heb je ze weer terug”, heb ik gezegd. ”Het gaat niet door.” Ook de school was blij. We hebben nooit meer naar een huis omgekeken.'

Vooroordelen

Carel jr.: 'Ik zie het kamp niet als iets speciaals. Wij wonen nu eenmaal hier, het is gewoon een behuizing. De wereld van de woon wagenbewoner is klein, maar als je weg bent, je blikt verruimt, ontdek je wat een slechte investering een houten keet is. Nee, ik ga nooit op een kamp wonen. Maar de meeste mensen met wie ik ben opgegroeid, willen dat juist wel, die willen ook in een woonwagen.'

Annelies: 'Mensen hebben vaak vooroordelen. Ik heb eens meegemaakt dat ik de vloerbedekking moest betalen, voordat ie was gelegd. Er was niks aan de hand, totdat ik zei dat ik van het kamp kwam. Ik zeg het altijd meteen.'

Martien: 'Wij weten niet beter dan dat we op een kamp wonen. Het is vervelend dat je er op wordt aangekeken als de politie op een kamp een hennepplantage oprolt. Ik vind zo'n wagen ook een slechte investering, daar om heb ik ook liever een huis. Maar ik heb dat minder dan Carel, mij bevalt het wel hier te wonen. Ik voel me hier wel thuis.'

Zanger Frans Bauer komt van het kamp. Ooit van zanger Grad Damen gehoord? Ajax-voet baller Rafael van der Vaart, die zit nog in de familie. Carel haalt er Het Wiel bij, het tijdschrift voor woonwagenbewoners. Ze zijn trots op hun beroemde volk. 'Ik kijk nooit naar voetbal, maar als Rafael meedoet, wil ik nog wel eens kijken', zegt Carel.

Annelies: 'Ik ben trots op die jongen, die in Het Wiel openlijk uitkwam voor zijn homoseksualiteit. Dat hoor je nooit op het kamp.'

Het leven op het kamp is veranderd, zegt Carel weer, het ouderwetse is weg. Vroeger leefde je buiten. Nu hebben velen vaste banen. Ook het interieur van de wagens was anders, binnen was er veel glaswerk en porselein en 'barokke' bankstellen met vervaarlijke krullen. Nu staat 's avonds in elke wagen de televisie aan. 'Ieder zoekt nu meer z'n eigen gerief', zegt Carel.

Natuurlijk, ze kennen elkaar nog steeds allemaal, maar de wagen is meer een huis geworden, zoals in een gewone buurt. Bij de Peeters staan een paar porseleinen beeldjes achteraf in een kastje. Opvallender is een Murano-vaas met rode rozen, ter herinnering aan hun trouwdag. De vaas kochten ze 24 jaar geleden, op hun eerste vakantie met een caravan. Dat doen ze nog steeds, met een caravan naar het buitenland gaan.

'Het gaat er gemoedelijk toe op zo'n camping', zegt Carel. Als op het kamp? 'Nee', zegt Carel plotseling heel beslist. 'Een camping heeft nou helemaal niks met het kamp te maken. Een camping is gezelliger dan een kamp, de mensen zijn op vakantie, je bent er uit, je bent in het buitenland. Het komt niet eens bij me op om een camping en het kamp met elkaar te vergelijken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden